Personen- en familierecht
Gerechtshof Amsterdam · Hoger beroep · Personen- en familierecht
Gerechtshof Amsterdam, 2 juni 2015
ECLI:NL:GHAMS:2015:2130 · Gerechtshof Amsterdam · 2 juni 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/civiel-recht/personen-en-familierecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2015-2130
Zaakgegevens
Op 2 juni 2015 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 2 juni 2015
- Datum publicatie
- 4 juni 2015
- Zaaknummer
- 200.161.691-01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. T.H.G Schuringa te Groningen, mr. G.H.G. Reitsma-Van Riel te Hoofddorp
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2015:2130
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
gezag
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 2 juni 2015deze uitspraak
ECLI:NL:GHAMS:2015:2130
Gerechtshof Amsterdam · 7 juli 2015
ECLI:NL:GHAMS:2015:2810
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civielrecht recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
Uitspraak: 2 juni 2015
Zaaknummer: 200.161.691/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/15/213404/ FA RK 14-1476
in de zaak in hoger beroep van:
[…],
wonende te […],
appellant,
advocaat: mr. T.H.G. Schuringa te Groningen,
tegen
[…],
wonende te […],
geïntimeerde,
advocaat: mr. G.H.G. Reitsma-Van Riel te Hoofddorp.
1 Het geding in hoger beroep
Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.
De man is op 23 december 2014 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 1 oktober 2014 van de rechtbank Noord-Holland, met kenmerk C/15/213404/ FA RK 14-1476.
Een mondelinge behandeling van de zaak heeft niet plaatsgevonden.
2 Feiten
Partijen zijn [in] 1995 te Arbil, Irak met elkaar gehuwd. Hun huwelijk is op 5 augustus 2011 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 12 juli 2011 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren de minderjarige kinderen [a] [in] 2005 en [b] [in] 2008. De ouders zijn gezamenlijk met het gezag over de minderjarigen belast. [a] en [b] hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
3 Het verzoek in hoger beroep
Bij de beschikking waarvan beroep is - conform het inleidend verzoek van de vrouw - het gezamenlijk gezag over de minderjarigen [a] en [b] beëindigd en is bepaald dat het eenhoofdig gezag toekomt aan de vrouw.
Het appel van de man strekt ertoe de beschikking waarvan beroep te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat het verzoek van de vrouw wordt afgewezen.
Bij brief van 12 maart 2015 heeft mr. G.H.G. Reitsma-van Riel te Hoofddorp namens de vrouw aan het hof meegedeeld dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de feitelijke uitoefening van het gezag over de minderjarigen [a] en [b] in die zin dat:
- de man alle bevoegdheden die uit het gezamenlijk gezag voortvloeien, delegeert aan de vrouw;
- in zaken waarin derden de medewerking van beide ouders verlangen - al dan niet schriftelijk - de man, na te zijn gehoord door de vrouw, zijn medewerking op eerste verzoek van de vrouw dient te verlenen;
- beslissingen in zaken die verder strekken dan de dagelijkse verzorging en opvoeding (zoals schoolkeuze, woonplaats en verblijf in het buitenland) in onderling overleg worden genomen, waarbij de vrouw de eindbeslissing zal nemen indien het gezamenlijk overleg niet tot een eenduidige beslissing leidt.
Zij verzoekt voornoemde afspraken op te nemen in een beschikking zodat de tussen partijen gemaakte afspraken over invulling van het gezag kunnen worden opgenomen in het gezagsregister.
De advocaat van de man heeft bovengenoemde brief voor akkoord mede ondertekend.
4 Beoordeling van het hoger beroep
Het staat partijen in beginsel vrij om onderling afspraken te maken over de wijze waarop zij het gezamenlijk gezag over de minderjarigen zullen uitoefenen, en deze afspraken kunnen desgewenst in het lichaam van de beschikking worden vermeld, maar de onder 3.3 vermelde afspraken lenen zich niet voor vermelding in het dictum van een te geven beschikking. Een dergelijk dictum zou niet verenigbaar zijn met het wettelijke stelsel van voorziening of wijziging in het over minderjarigen uit te oefenen gezag. Ook het bepaalde in art. 1:253a, lid 2 van het Burgerlijk Wetboek biedt daarvoor geen, althans onvoldoende grondslag.
Partijen zal de gelegenheid worden geboden zich uit te laten over de vraag welke gevolgen zij verbinden aan het hiervoor onder 4.1 overwogene. De door hen bereikte overeenstemming kan in een door het hof te geven beschikking worden opgenomen aldus dat in het lichaam daarvan de onder 3.3. vermelde afspraken worden vermeld en in het dictum de beschikking waarvan beroep zal worden vernietigd en het inleidende verzoek van de vrouw zal worden afgewezen. Mochten partijen, of een van hen, dat niet willen, dan kunnen zij zich uitlaten over het vervolg van de procedure in hoger beroep.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
5 Beslissing
Het hof:
stelt partijen in de gelegenheid zich uiterlijk dinsdag 16 juni 2015 schriftelijk uit te laten als hiervoor onder 4.2 overwogen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Driessen-Poortvliet, A.N. van de Beek en
M.F.G.H. Beckers, in tegenwoordigheid van C.W.M. Coolen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2015.