Materieel strafrecht

Bevestiging met aanvullende overweging verweer omtrent vormverzuim ex artikel 359a Sv

Zaakgegevens

Op 21 mei 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
21 mei 2026
Datum publicatie
23 juli 2026
Zaaknummer
23-000267-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2013
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bevestiging met aanvullende overweging verweer omtrent vormverzuim ex artikel 359a Sv

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000267-25

datum uitspraak: 21 mei 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 3 februari 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-196784-23 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,

adres: [adres],

thans gedetineerd in [gevangenis].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 mei 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis, waarbij hij is veroordeeld tot 6 jaar gevangenisstraf met aftrek van het voorarrest.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof:

- de kwalificatie ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde aanpast als hierna vermeld onder het kopje ‘kwalificatie’:

  • de bewijsmotivering van de rechtbank onder ‘verweer omtrent vormverzuim ex artikel 359a Sv’ naar aanleiding van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, aanvult met de navolgende bewijsoverweging;

  • aan de overwegingen met betrekking tot de op te leggen straf, gelet op het in hoger beroep gevoerde verweer, de navolgende strafmotivering toevoegt.

Kwalificatie

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door een ander trachten te bewegen om dat feit mede te plegen, en/of een ander trachten te bewegen daarbij behulpzijn te zijn of om daartoe inlichtingen te verschaffen, meermalen gepleegd ;

Aanvullende overweging verweer omtrent vormverzuim ex artikel 359a Sv

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het geconstateerde vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv – te weten het onderzoek aan de telefoons van de verdachte zonder toestemming van een rechter-commissaris – moet leiden tot strafvermindering. Voor wat betreft het door de verdachte geleden nadeel door het vormverzuim is door de raadsman gewezen op de ontdekking van de affectieve relatie tussen verdachte en mevrouw Vinkwolk en voeging van stukken (uit de telefoon) in het dossier betreffende deze relatie. Er is sprake van een schending van de privacy.

Het hof overweegt als volgt.

Van strafvermindering, in die zin dat de hoogte van de op te leggen straf in verhouding tot de ernst van het verzuim wordt verlaagd, kan slechts sprake zijn indien aannemelijk is dat (a) de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, (b) dit nadeel is veroorzaakt door het verzuim, (c) het nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering, en (d) strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is.

Naar het oordeel van het hof is namens de verdachte in hoger beroep, anders dan in eerste aanleg, aangevoerd welk nadeel is geleden door het geschonden vormverzuim. Dat nadeel is (enkel) gelegen in de berichten die uit het onderzoek aan de telefoons naar voren zijn gekomen, welke betrekking hebben op een affectieve relatie tussen de verdachte en Vinkwolk. Deze berichten zijn ingezien door verbalisanten en in het dossier terechtgekomen, waarmee er inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte.

Voor wat betreft de ernst van het verzuim heeft het hof in aanmerking genomen dat de betrokken opsporingsambtenaren, zo kan worden aangenomen, te goeder trouw hebben gehandeld en de verwijtbaarheid van die (achteraf gezien onrechtmatige) handelwijze gering is. Voorts heeft het hof in aanmerking genomen dat deze relatie ook zonder de berichten uit de telefoons van de verdachte zou zijn geopenbaard, namelijk ten gevolge van de verklaring van medeverdachte Vinkwolk en de gegevens in haar telefoon.

In het zogenaamde post-Landeck arrest van 18 maart 2025 (ECLI:NL:HR:2025:409) heeft de Hoge Raad een kader gegeven voor toegang tot gegevens in een smartphone. Pas met het in deze zaak gewezen arrest van de Hoge Raad is duidelijk geworden dat voor het onderzoek als door de opsporingsambtenaren in deze zaak is verricht vooraf toestemming dient te worden gevraagd aan de rechter-commissaris. Het verzuim is in die zin niet direct verwijtbaar aan de opsporingsautoriteiten.

Ook heeft het hof in aanmerking genomen dat de omstandigheid of de rechter-commissaris hoogstwaarschijnlijk toestemming zou hebben gegeven relevant kan zijn bij het toetsen van de factoren zoals bedoeld in artikel 359a Sv. Het hof acht aannemelijk dat de rechter-commissaris, bij de afweging van de te verwachten inbreuk, de ernst van het strafbare feit en het belang van het onderzoek, in dit geval toestemming zou hebben gegeven voor het – al dan niet onder voorwaarden – onderzoeken van de telefoon van verdachte. Dat maakt dat de ernst van het vormverzuim beperkt is gebleven.

Tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat zich geen geval voordoet waarin sprake is van door een vormverzuim veroorzaakt nadeel dat dermate ernstig is dat strafvermindering moet volgen. Het verweer, strekkende tot strafvermindering, wordt daarom verworpen.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat kan worden volstaan met de constatering van het vormverzuim, zonder dat daaraan consequenties worden verbonden.

Aanvullende overweging omtrent de opgelegde straf

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de opgelegde gevangenisstraf te matigen tot een straf die overeenkomt met de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Uit de door de verdediging overgelegde stukken is op te maken dat de verdachte aan een ernstige ziekte (schildklierkanker) lijdt en daarvoor is geopereerd, wordt behandeld en nogmaals geopereerd zal moeten worden. Het hof heeft oog voor die omstandigheden, maar zal gelet op de ernst van de feiten niet tot strafvermindering overgaan. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat, anders dan door de raadsman is aangevoerd, het hof niet is gebleken dat de verdachte oprecht spijt en inzicht in de ernst van zijn handelen heeft. Tenslotte overweegt het hof dat ook niet is gebleken van detentieongeschiktheid in verband met de medische situatie van de verdachte.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Plaisier, mr. J.J. Roos en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Pattinama, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 mei 2026.

=========================================================================

proces-verbaal uitspraak

_______________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000267-25

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 21 mei 2026.

Tegenwoordig zijn:

mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen, raadsheer,

B.F.A. van Drie, griffier.

Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. D. Kruimel, advocaat-generaal.

De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

Raadsman is niet aanwezig.

(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:

De raadsheer spreekt het arrest uit.

De verdachte heeft wel / geen afstand gedaan van het recht aanwezig te zijn bij de uitspraak. (indien VTE in deze zaak is gedetineerd)

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.