Strafrecht overig

UNUS. Verdachte wordt veroordeeld voor overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de…

Gerechtshof Amsterdam, 9 februari 2021

Zaakgegevens

Op 9 februari 2021 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
9 februari 2021
Datum publicatie
6 december 2021
Zaaknummer
23-002110-20
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2021:3814
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

UNUS. Verdachte wordt veroordeeld voor overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (825 microgram). Straf: geldboete en (deels voorwaardelijke) OBM.

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer eerste aanleg : 96-148117-20

parketnummer hoger beroep : 23-002110-20

TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsman)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam, enkelvoudige strafkamer, van 9 februari 2021 gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 10 september 2020 in de zaak tegen de verdachte:

naam: [verdachte]

voornamen: [verdachte]

geboren: op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats]

adres: [adres].

Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (825 microgram).

Toepasselijke wettelijke voorschriften

de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en

de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

gepleegd
op 30 mei 2020 te Amsterdam.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 (negen) maanden met aftrek overeenkomstig artikel 179 Wegenverkeerswet 1994.

Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gewezen door mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, in bijzijn van mr. B.K.M. Pouw, griffier.

mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen