Strafrecht overig
Vrijspraak ter zake van medeplegen van vissen terwijl een ander rechthebbende is op het visrecht. Ook…
Gerechtshof Amsterdam, 14 juni 2022
ECLI:NL:GHAMS:2022:1781 · Gerechtshof Amsterdam · 14 juni 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2022-1781
Zaakgegevens
Op 14 juni 2022 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 14 juni 2022
- Datum publicatie
- 17 juni 2022
- Zaaknummer
- 23-001691-19
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2022:1781
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vrijspraak ter zake van medeplegen van vissen terwijl een ander rechthebbende is op het visrecht. Ook vrijspraak van medeplichtigheid.
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001691-19
datum uitspraak: 14 juni 2022
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 18 april 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-994525-17 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1996,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
31 mei 2022.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
Primair:
hij op of omstreeks 27 maart 2017, te Enkhuizen, in elk geval in Nederland , in een water gelegen aan en/of langs de Haling, zijnde een water als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel d Visserijwet 1963, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, in elk geval alleen, al dan niet opzettelijk, heeft gevist (niet betreffende het uitzetten van vis), terwijl een ander (te weten, [naam 1] en/of de Noord-Hollandse bond van beroepsbinnenvissers en/of [stichting 1] en/of de [stichting 2]) rechthebbende was op het visrecht van dat water;
subsidiair:
[naam 2], op of omstreeks 27 maart 2017, te Enkhuizen, in elk geval in Nederland, in een water gelegen aan en/of langs de Haling, zijnde een water als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel d Visserijwet 1963, al dan niet opzettelijk, heeft gevist (niet betreffende het uitzetten van vis), terwijl een ander (te weten, [naam 1] en/of de Noord-Hollandse bond van beroepsbinnenvissers en/of [stichting 1] en/of de [stichting 2]) rechthebbende was op het visrecht van dat water, bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk medeplichtig is geweest door als chauffeur een auto naar de plek(ken) waar die [naam 2] heeft gevist te rijden en/of met die auto die [naam 2] naar die plekken te brengen en/of een of meer fuiken voor die [naam 2] te vervoeren;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeteren. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering.
Vordering van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 450,00 subsidiair 9 dagen hechtenis, waarvan € 150,00 subsidiair
3 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Vrijspraak
Het hof is van oordeel dat uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is komen vast te staan dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem is tenlastegelegd. Nu naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen de verdachte primair en subsidiair is tenlastegelegd, zal de verdachte hiervan worden vrijgesproken.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Lolkema, mr. S.M. Milani en mr. P.C. Verloop, in tegenwoordigheid van
mr. S. Egidi, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
14 juni 2022.
Mr. P.C. Verloop is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.