Strafrecht overig
Mega Canard. Ontneming. Verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven de eerder…
ECLI:NL:GHAMS:2025:1848 · Gerechtshof Amsterdam · 10 juni 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2025-1848
Zaakgegevens
Op 10 juni 2025 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 10 juni 2025
- Datum publicatie
- 15 juli 2025
- Zaaknummer
- 23-003381-21
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2025:1848
Samenvatting
Mega Canard. Ontneming. Verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven de eerder opgegeven bezwaren tegen het vonnis niet langer te willen handhaven. Betrokkene niet-ontvankelijk in hoger beroep.
Procesgang
Rechtbank Amsterdam · 6 december 2021
ECLI:NL:RBAMS:2021:7388Gerechtshof Amsterdam · 10 juni 2025deze uitspraak
ECLI:NL:GHAMS:2025:1848
Overig
Uitspraak
Inhoudsopgave
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003381-21
datum uitspraak: 10 juni 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de meervoudige economische kamer van de rechtbank Amsterdam van 6 december 2021 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-994023-19 tegen de betrokkene
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,
adres: [adres] .
Procesgang
Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van € 138.011,67 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene is bij vonnis van de meervoudige economische kamer van de rechtbank Amsterdam van 6 december 2021 in de strafzaak veroordeeld ter zake van het feitelijk leidinggeven aan medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 5 van de Meststoffenwet, begaan door een rechtspersoon.
Voorts heeft de meervoudige economische kamer van de rechtbank Amsterdam bij vonnis van
6 december 2021 in de ontnemingszaak de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 69.005,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen laatstgenoemd vonnis.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 juni 2025.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot ontvankelijk verklaring van de betrokkene in het hoger beroep en daarmee tot verdere behandeling van de zaak, en van hetgeen de betrokkene en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De betrokkene en zijn raadsman hebben ter terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven de eerder opgegeven bezwaren tegen het vonnis niet langer te willen handhaven.
Nu ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig nader onderzoek van de zaak, zal het gerechtshof de betrokkene, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep. Het door de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep gestelde belang, gelegen in de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de betalingsverplichting, in het bijzonder de toegepaste matiging vanwege de persoonlijke en zakelijke gevolgen van de strafzaak voor de betrokkene, leidt niet tot een ander oordeel, indachtig de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. M. Senden, in tegenwoordigheid van mr. M. Boelens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 juni 2025.