Strafrecht overig

Verduistering. Bevestiging met dien verstande dat het hof de bewijsmotivering tav het subsidiair…

Gerechtshof Amsterdam, 4 februari 2026

Zaakgegevens

Op 4 februari 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
4 februari 2026
Datum publicatie
5 juni 2026
Zaaknummer
23-000798-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:1570
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verduistering. Bevestiging met dien verstande dat het hof de bewijsmotivering tav het subsidiair bewezenverklaarde vervangt. Toepassing kader dat volgt uit HR-jurisprudentie. Het hof neemt aan dat de verdachte de intentie had het geld voor zichzelf te houden, waarmee sprake is van een bewuste en wederrechtelijke toe-eigening.

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000798-25

datum uitspraak: 4 februari 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 26 maart 2025 in de strafzaak onder parketnummer

13-257964-24 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1984,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof de bewijsmotivering ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit vervangt door de onderstaande.

Bewijsoverweging subsidiaire feit

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde feit.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat de bewijsmiddelen onvoldoende zijn om tot een bewezenverklaring te komen. De verdachte verklaart dat hij direct naar buiten is gegaan en het geld terug heeft gegeven aan – kennelijk – de verkeerde persoon.

Het hof stelt op basis van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast.

De aangever heeft 500 euro gepind bij de geldautomaat in de [winkel] , maar dacht dat dit niet lukte en liep weg voordat het geld uit de automaat kwam. Thuis ontdekte hij dat het geld wel van zijn rekening was afgeschreven. Op de camerabeelden van de [winkel] is te zien dat, op het moment dat de aangever weg loopt, de verdachte naar voren stapt richting de automaat, er iets uithaalt dat op briefgeld lijkt, dit in zijn linkerborstzak stopt en de rits dicht doet. De manager van de [winkel] heeft naar aanleiding van het bekijken van de camerabeelden contact gezocht met de verdachte en heeft een afspraak met hem gemaakt om het geld terug te geven. De verdachte is hierop niet verschenen en heeft het geld niet teruggegeven.

Het hof stelt voorop dat uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het enkele feit dat de vinder van een goed het niet onmiddellijk teruggeeft, nog niet noodzakelijkerwijs verduistering oplevert. Voor verduistering is vereist dat de vinder de bedoeling heeft om het goed niet terug te geven en het goed voor zichzelf te behouden, zodat sprake is van een bewuste toe-eigening.

Op basis van de camerabeelden staat vast dat de verdachte het geld uit de geldautomaat heeft gehaald, in zijn linkerborstzak heeft gestopt en de rits dicht heeft gedaan. Uit twee processen-verbaal van bevindingen blijkt dat de manager van de [winkel] heeft geprobeerd te bemiddelen door een afspraak met de verdachte te maken om het geld terug te geven, maar de verdachte is hierop niet komen opdagen. Deze omstandigheden wijzen op een duidelijke onwil om het geld terug te geven. Het hof neemt dan ook aan dat de verdachte de intentie had het geld voor zichzelf te houden, waarmee sprake is van een bewuste en wederrechtelijke toe-eigening.

Het verweer van de verdachte, dat hij naar buiten is gegaan en het geld – kennelijk – aan de verkeerde persoon heeft gegeven, wordt door het hof in het licht van het voorgaande onaannemelijk geacht. De verdachte heeft niet kunnen aangeven aan wie hij het bedrag van 500 euro zou hebben gegeven en ook niet of hij heeft geverifieerd dat het daarbij om de rechthebbende ging. Het zou bovendien in de rede hebben gelegen dat de verdachte, als hij het geld werkelijk terug had willen geven, daarvoor meteen achter de aangever aan zou zijn gelopen. Ook overigens biedt de inhoud van het dossier geen steun aan de verklaring van de verdachte, zodat het hof zijn verweer tegen de bewuste en wederrechtelijke toe-eigening van het bedrag van 500 euro verwerpt.

Het hof is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Plaisier, mr. E.J Hofstee en mr. J.J. Roos, in tegenwoordigheid van mr. J.P.M. Veerman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 februari 2026.