Strafrecht overig
Bevestiging vonnis, met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de…
Gerechtshof Amsterdam, 9 juli 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:1969 · Gerechtshof Amsterdam · 9 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-1969
Zaakgegevens
Op 9 juli 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 9 juli 2026
- Datum publicatie
- 20 juli 2026
- Zaaknummer
- 23-002195-23
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:1969
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bevestiging vonnis, met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en met dien verstande dat het hof de bewijsmotivering ten aanzien van de bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling vervangt.
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002195-23
datum uitspraak: 9 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam, gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 12 juli 2023 in de strafzaak onder parketnummer
13-100216-23 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof de bewijsmotivering ten aanzien van de onder feit 1 primair bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling vervangt.
Bewijsmotivering poging zware mishandeling
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van de poging tot zware mishandeling. Hiertoe voert hij aan dat de verdachte zich bedreigd voelde door de aangever vanwege een situatie die kort voor het incident plaatvond. Het doel van de verdachte was enkel het afschrikken van de aangever, die zittend op een motorscooter achter hem stond. Er was daarmee geen sprake van vol opzet. Daarnaast is onduidelijk wat de afstand was tussen de auto en de motorscooter, en daarmee ook wat de snelheid was waarmee achteruit is gereden. Nu bovendien geen sprake was van ernstig letsel, is onvoldoende informatie aanwezig om vast te stellen dat sprake was van voorwaardelijk opzet op (het toebrengen van) zwaar letsel.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het alternatieve scenario dat de verdachte schetst, waarin hij zag dat zijn ex-vriendin door een jongen werd lastiggevallen en hij haar probeerde te helpen, waarna de jongen een mes pakte en achterop de motorscooter van aangever sprong en hem, verdachte, achtervolgde, ongeloofwaardig is. Uit het dossier lijkt naar voren te komen dat de verdachte zijn ex-vriendin niet kon loslaten. Toen de auto van de verdachte en de motorscooter van aangever stil kwamen te staan heeft de verdachte zijn auto, een voertuig dat onder omstandigheden de kracht heeft van een moordwapen, ingezet om de aangever angst aan de jagen door op hem in te rijden, waarbij hij hem daadwerkelijk heeft geraakt. Hiermee heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling.
Het hof overweegt als volgt.
Naar aanleiding van een incident dat kort voor de aanrijding plaatsvond en waarvan de exacte toedracht onduidelijk is gebleven, is de aangever op zijn motorscooter een paar meter achter de personenauto van de verdachte stil komen te staan. De verdachte verklaart ter zitting in hoger beroep dat hij vervolgens achteruit gereden is, omdat hij de aangever wilde afschrikken met zijn auto; daarbij heeft hij aangever geraakt. De aangever verklaart dat de verdachte in volle vaart achteruit reed en dat zijn been klem kwam te zitten tussen de twee voertuigen. Het dossier bevat een proces-verbaal van bevindingen, waarin een verbalisant kort na het incident omschrijft dat de aangever letsel aan zijn scheenbeen heeft. Ook bevat het dossier een letselverklaring van een dag na de aanrijding, waarin omschreven staat dat de aangever meerdere schaafwonden op zijn onderbeen en drukpijn op zijn scheenbeen heeft. Op foto’s die zich in het dossier bevinden is het letsel zichtbaar, alsmede de schade aan de motorscooter van aangever.
Vast is komen te staan dat de verdachte achteruit op de aangever in is gereden en dat hij hem hierbij heeft geraakt. Het hof overweegt dat een auto een zwaar en krachtig voertuig is dat bij een botsing met een persoon ernstig letsel kan veroorzaken. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte, door dit handelen, minst genomen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij hiermee zwaar lichamelijk letsel zou veroorzaken bij de aangever, waardoor een poging tot zware mishandeling bewezen kan worden verklaard.
Oplegging van straffen
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 weken met aftrek van voorarrest, waarvan 8 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair en het onder 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 160 uren met aftrek van voorarrest, te vervangen door 80 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 weken, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de advocaat-generaal een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid gevorderd voor de duur van 2 jaren, met een proeftijd van 2 jaren.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van het slachtoffer, door met zijn personenauto achteruit in te rijden op de aangever, die op een motorscooter zat. Het slachtoffer heeft hierdoor letsel aan zijn onderbeen en schade aan de motorscooter opgelopen. Dat de verwondingen niet ernstiger zijn is niet aan de verdachte te danken. Met zijn handelen heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en de verkeersveiligheid aangetast.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte inzicht gegeven in de problemen waarmee hij ten tijde van het plegen van het strafbare feit kampte. Inmiddels woont hij samen en werkt als machinist in loondienst, een baan waar hij zijn rijbewijs voor nodig heeft. Hij zegt gestopt te zijn met middelengebruik en gokken; ook staat hij onder bewind, waardoor ook zijn schulden worden afgelost. De verdachte wil deze positieve lijn doorzetten.
Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 11 juni 2026 is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld voor geweldsdelicten, bedreiging en verkeersfeiten. Hoewel zijn meest recente veroordelingen nog niet van heel lang geleden zijn, zijn de feiten waarvoor hij daarbij is veroordeeld wel al van iets langer geleden. Dat bevestigt in zekere zin de stelling van de verdachte dat hij zijn leven een positieve wending heeft gegeven en een stabieler leven is gaan leiden. Dat is echter nog maar pril.
De gedragingen van de verdachte en zijn strafblad rechtvaardigen in beginsel de oplegging van een gevangenisstraf.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens in hoger beroep met ruim 11 maanden is overschreden. Immers, het hoger beroep is op 25 juli 2023 ingesteld, terwijl het hof pas nu arrest wijst. Het hof zal deze overschrijding van de redelijke termijn in het voordeel van de verdachte verdisconteren in de strafmodaliteit. Daarnaast betrekt het hof in de aard en omvang van de op te leggen straf de (zij het prille) omslag die de verdachte in zijn leven lijkt te hebben gemaakt. Het hof wil die niet doorbreken met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid, waardoor de verdachte zijn nieuwe baan niet langer kan uitvoeren. Wel wil het hof de verdachte een stevige waarschuwing meegeven voor het geval hij, ondanks zijn goede voornemens, toch weer de fout ingaat. Het hof zal daarom aan de verdachte een taakstraf, een voorwaardelijke gevangenisstraf en voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen, zoals hieronder aangegeven.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 9.544,91, waarvan € 4.549,91 ter zake van materiële schade en
€ 5.000,00 ter zake van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.500,00 voor immateriële schade, en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd. De advocaat van de benadeelde partij heeft het gevorderde bedrag aan immateriële schade ter terechtzitting verlaagd naar € 1.500,00. Het gevorderde bedrag aan materiële schade is gelijk gebleven aan de oorspronkelijke vordering (€ 4.549,91).
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schadevergoeding dient te worden afgewezen, omdat hij de onderbouwing daarvan te laat heeft ontvangen, die vrijwel onleesbaar is, en het gevorderde bedrag bovendien te hoog is. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding voert hij aan dat onbekend is hoe het herstel van de benadeelde verlopen is en de onderbouwing van het gevorderde bedrag te summier is. Hooguit kan een bedrag van € 250,- worden toegewezen.
Het hof overweegt als volgt.
Materiële schade
Het hof stelt voorop dat de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde onderbouwing van de schade al in eerste aanleg beschikbaar was, maar toen kennelijk abusievelijk niet in het dossier terecht is gekomen. Die onderbouwing beslaat één kantje en is voldoende leesbaar. Partijen hebben daarvan dus tijdig en voldoende kennis van kunnen nemen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte materiële schade heeft geleden. Omdat bij gebrek aan nadere onderbouwing op dat punt onvoldoende duidelijk is hoe de gevorderde materiële schade zich verhoudt tot de actuele waarde van de motorscooter begroot het hof de materiële schade aan de motorscooter op € 3.000,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Voor het overige is het hof van oordeel dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
Artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) brengt mee dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dat is hier het geval.
Bij het naar billijkheid vaststellen van de omvang van de immateriële schade heeft het hof gelet op de aard en de ernst van de normschending en het letsel, de verwachting van het herstel en bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Het hof heeft bij de begroting van de schade de Rotterdamse Schaal als uitgangspunt genomen. Alles afwegend begroot het hof de omvang van de immateriële schade op € 1.200,00. Voor het overige zal de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 57, 63, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 (honderdzestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 80 (tachtig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.
Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.200,00 (vierduizend tweehonderd euro), bestaande uit € 3.000,00 (drieduizend euro) materiële schade en € 1.200,00 (duizend tweehonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.200,00 (vierduizend tweehonderd euro), bestaande uit € 3.000,00 (drieduizend euro) materiële schade en € 1.200,00 (duizend tweehonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 42 (tweeënveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 14 april 2023.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.A.C. Koster, mr. N. van der Wijngaart en mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen, in tegenwoordigheid van mr. S.K. van Eck, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 juli 2026.
=========================================================================
proces-verbaal uitspraak
_______________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002195-23
Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 9 juli 2026.
Tegenwoordig zijn:
mr. P.J. van Eekeren, raadsheer,
B.F.A. van Drie, griffier.
Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. E. Lodder, advocaat-generaal.
De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.
De verdachte is wel / niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
Raadsman/raadsvrouw is wel / niet aanwezig.
(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:
De raadsheer spreekt het arrest uit.
De raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld. (indien de VTE is verschenen)
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.