Strafrecht overig

Medeplichtigheid aan een gewapende overval, waarbij het slachtoffer werd beroofd van zijn Rolex-horloge. De…

Gerechtshof Amsterdam, 13 mei 2026

Zaakgegevens

Op 13 mei 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
13 mei 2026
Datum publicatie
28 juli 2026
Zaaknummer
23-002412-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2081
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplichtigheid aan een gewapende overval, waarbij het slachtoffer werd beroofd van zijn Rolex-horloge. De verdachte wordt vrijgesproken van het medeplegen, maar wel is sprake van medeplichtigheid. Hij heeft een essentiële bijdrage geleverd aan de overval, door ervoor te zorgen dat er een voorverkenning kon plaatsvinden en voorafgaand aan de overval de medeverdachten tot twee keer toe naar het te overvallen kantoor te rijden waarbij hij in de nabijheid van het kantoor de auto heeft geparkeerd en uiteindelijk als bestuurder van die auto de vlucht mogelijk heeft gemaakt voor de medeverdachten. Het hof gaat daarom voorbij aan de verklaring dat hij niet betrokken is geweest. Het hof ziet geen aanleiding af te wijken van het advies van de reclassering om het volwassenenstrafrecht toe te passen en ziet in de persoonlijkheid van de verdachte evenmin aanleiding voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Oplegging GS 16 maanden, wv 10 mnd vw, m.a. + bijz vw + PT 2 jaren.

Procesgang

  1. Rechtbank Noord-Holland · 6 oktober 2025

    ECLI:NL:RBNHO:2025:11671
  2. Gerechtshof Amsterdam · 13 mei 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHAMS:2026:2081

    Overig

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002412-25

datum uitspraak: 13 mei 2026

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 6 oktober 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-215833-23 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005,

adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

primair
hij, op of omstreeks 17 augustus 2023 te Haarlem, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een horloge (merk: Rolex), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:

- een vuurwapen, althans, een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer] te richten en/of aan hem te tonen en/of (vervolgens) het vuurwapen door te laden en/of

- voornoemd horloge van de pols van die [slachtoffer] te halen;

subsidiair
[medeverdachte] en/of een/meer onbekend gebleven personen, op of omstreeks 17 augustus 2023 te Haarlem, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een horloge (merk: Rolex), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan [medeverdachte] en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:

- een vuurwapen op die [slachtoffer] te richten en/of (vervolgens) het vuurwapen door te laden en/of

- voornoemd horloge van de pols van die [slachtoffer] te halen

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 17 augustus 2023 te Haarlem opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door

- [medeverdachte] en/of zijn mededader(s) naar het pand gelegen aan de [adres 2] te vervoeren en/of

-aldaar op de uitkijk te staan en/of gereed te staan om zo [medeverdachte] en/of zijn mededader(s) te kunnen assisteren bij een snelle vlucht en/of

- [medeverdachte] en/of zijn mededader(s) en/of het horloge, toebehorende aan die [slachtoffer] , vanaf die locatie weer te vervoeren naar een andere (onbekend gebleven) locatie.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig haar schriftelijke requisitoir – gerekwireerd tot een vrijspraak van het primair tenlastegelegde, omdat onvoldoende kan worden bewezen dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde medeplichtigheid aan de gewapende overval wel kan worden bewezen. Daartoe heeft zij aangevoerd dat sprake is van dubbel opzet, omdat de verdachte wist wat zijn medeverdachten van plan waren en zijn handelen gericht was op het ondersteunen van hen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig haar pleitnotities – op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken. Primair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat op basis van het dossier en de stellige ontkenning van de verdachte niet kan worden vastgesteld dat de verdachte betrokken is geweest bij de overval. Ten aanzien van het primair tenlastegelegde heeft zij aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om te kunnen vaststellen dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft zij bepleit dat de verdachte evenmin als medeplichtige kan worden veroordeeld. Er is geen sprake van dubbel opzet, omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte op de hoogte was van het voornemen van de medeverdachten om een gewapende overval te plegen en dat hij hieraan een bijdrage heeft willen leveren door het uitlenen van zijn auto en (mogelijk) telefoon, aldus de raadsvrouw.

Oordeel van het hof

Het hof verenigt zich grotendeels met de overwegingen van de rechtbank, zoals opgenomen op pagina’s 2 tot en met 6 van het vonnis, en neemt die over. Op onderdelen past het hof die overwegingen aan.

Feiten en omstandigheden

Op 17 augustus 2023 heeft [slachtoffer] (hierna: de aangever) aangifte gedaan van

diefstal van zijn Rolex-horloge op diezelfde dag. Hij verklaart dat twee mannen rond 12:20 uur zijn kantoor in Haarlem binnenkwamen. De ene man richtte een vuurwapen op de aangever en laadde het vuurwapen door. De andere man haalde ondertussen het horloge van de pols van de aangever. Vervolgens verlieten de twee mannen het kantoor weer.

De verklaring van de aangever dat zijn horloge is gestolen en dat hij daarbij is bedreigd, vindt geen directe bevestiging in andere bewijsmiddelen. Wel bevat het dossier een proces-verbaal waaruit blijkt dat het betreffende horloge een aantal maanden later is aangetroffen bij de doorzoeking van een woning (van een ander dan de aangever) in Amsterdam. Dit ondersteunt de verklaring van de aangever dat het horloge op 17 augustus 2023 is gestolen. Ten aanzien van de verklaring van de aangever over het gebruik van een vuurwapen, overweegt het hof als volgt. Het dossier bevat geen aanwijzingen voor het gebruik van fysiek geweld tegen de aangever. De twee personen zijn – zo volgt uit de camerabeelden – slechts één minuut in het kantoorpand van de aangever geweest. In die minuut zijn zij in het pand een trap op en af gegaan naar de verdieping waar de aangever zich bevond en hebben ze het horloge van de pols van de aangever gehaald. Dit betekent dat de diefstal heel snel heeft kunnen plaatsvinden. Deze situatie past bij een diefstal waarbij een aangever dusdanig wordt bedreigd dat hij geen weerstand biedt tegen overvallers.

Gelet op het vorenstaande acht het hof de verklaring van de aangever betrouwbaar en zal het hof uitgaan van de juistheid van die verklaring: onder bedreiging van een vuurwapen is zijn horloge gestolen.

Betrokkenheid van de verdachte

Bij beantwoording van de vraag of de verdachte zich als medepleger of medeplichtige schuldig heeft gemaakt aan de overval op de aangever, heeft het hof gekeken naar de voor het bewijs te gebruiken dossierstukken met betrekking tot 1) door de verdachten gebruikte

telefoonnummers en auto, 2) camerabeelden en het aantreffen van de verdachten en 3)

reisbewegingen. Het gaat hierbij specifiek om 16 en 17 augustus 2023. In het navolgende zal

het hof nader op deze bewijsmiddelen ingaan en daaraan haar conclusies verbinden.

Ad 1 - Door de verdachten gebruikte telefoonnummers en auto

In het dossier bevinden zich bewijsmiddelen die zien op reisbewegingen van de auto met kenteken [kenteken] en van telefoons met de volgende telefoonnummers:

• [telefoonnummer 1] (hierna: [telefoonnummer 1] ),

• [telefoonnummer 2] (hierna: [telefoonnummer 2] ) en

• [telefoonnummer 3] (hierna: [telefoonnummer 3] ).

Voordat op de reisbewegingen wordt ingegaan, beoordeelt het hof eerst of deze auto en telefoonnummers door de verdachte (hierna: [verdachte] ) of zijn medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) werden gebruikt.

[verdachte] heeft verklaard dat hij de gebruiker is van de auto met kenteken [kenteken] . De auto met kenteken [kenteken] is op 17 augustus 2023 rond 14:00 uur staande gehouden. [verdachte] was op dat moment de bestuurder van deze auto. Hieruit leidt het hof af dat [verdachte] op 16 en 17 augustus 2023 de gebruiker van deze auto was.

Op 16 augustus 2023 is bij taxidienst Bolt een taxi van Spijkenisse naar Haarlem geboekt. Nummer [telefoonnummer 1] is het bij die boeking gebruikte telefoonnummer. De bij de boeking gebruikte naam ‘ [medeverdachte] ’ is één van de bijnamen van [medeverdachte] . [medeverdachte] heeft verklaard dat hij op 16 augustus 2023 met een taxi van Spijkenisse naar Haarlem is gereisd. Hieruit leidt het hof af dat [medeverdachte] op 16 en 17 augustus 2023 de gebruiker van dit nummer was.

Nummer [telefoonnummer 2] reist op 16 augustus 2023, op hetzelfde moment als nummer [telefoonnummer 1] en genoemde taxi, van Spijkenisse naar Haarlem. Bovendien volgt uit onderzoek door de politie dat dit nummer in het verleden is gekoppeld aan de naam ‘ [medeverdachte] ’ en dat het nummer met name zendmasten aanstraalt die dekking geven aan het woonadres van [medeverdachte] . Hieruit leidt het hof af dat [medeverdachte] op 16 en 17 augustus 2023 ook de gebruiker van dit nummer was.

Nummer [telefoonnummer 3] staat geregistreerd op het woonadres van [verdachte] . Het nummer staat op naam van diens moeder, maar zij is volgens [verdachte] niet de gebruiker van het nummer. Uit onderzoek door de politie volgt dat dit nummer in het verleden is gekoppeld aan de naam ‘ [naam] ’. Een onder [verdachte] inbeslaggenomen telefoon is onder meer op 16 en 17 augustus 2023 gebruikt met nummer [telefoonnummer 3] . Hieruit leidt het hof af dat [verdachte] op 16 en 17 augustus 2023 de gebruiker van dit nummer was.

Samengevat gaat het hof er in het navolgende van uit dat [verdachte] de gebruiker was van de auto met kenteken [kenteken] en telefoonnummer [telefoonnummer 3] en dat [medeverdachte] de gebruiker was van telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] .

Ad 2 - Camerabeelden en aantreffen verdachten

Beelden van verschillende camera’s in de omgeving van de plaats delict zijn door de politie uitgekeken. Uit de daarover opgemaakte processen-verbaal leidt het hof het volgende af.

Ongeveer een half uur voor de overval rijdt de auto van [verdachte] door de straat van het kantoor van aangever. Een kwartier later wordt de auto geparkeerd op ongeveer 750 meter van het kantoor. Daar stappen drie personen uit de auto. Het signalement van twee van hen komt overeen met de latere overvallers. Bijzonder opvallend is dat zowel één van de overvallers als de bijrijder in de auto van [verdachte] een lichtblauw kledingstuk draagt onder zijn donkerkleurige jas. De bestuurder van de auto draagt een wit (het hof begrijpt: lichtgekleurd) vest. De auto rijdt om 12:12 uur weg van de parkeerplaats, in de richting van het kantoor van de aangever.

Gelet op deze bevindingen, in onderlinge samenhang bezien, komt het hof tot de conclusie dat twee personen zich heel kort voor de overval in de auto van [verdachte] bevonden. Een derde persoon was de bestuurder van die auto. Ongeveer anderhalf uur na de overval, rond 14:00 uur, is de auto van [verdachte] in Spijkenisse staande gehouden. Deze locatie is ongeveer één uur en tien minuten rijden vanaf de plaats delict. [verdachte] is op dat moment de bestuurder van de auto. Hij draagt een grijskleurig (het hof begrijpt: lichtgekleurd) vest. In de auto zitten nog drie personen, waaronder [medeverdachte] . [medeverdachte] heeft donkere kleding aan.

Ad 3 - Reisbewegingen

Hiervoor onder ad 1 is het hof tot de conclusie gekomen dat [verdachte] de gebruiker was van telefoonnummer [telefoonnummer 3] en de auto met kenteken [kenteken] en dat [medeverdachte] de gebruiker was van telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] . De politie heeft onderzoek gedaan naar de reisbewegingen van deze telefoonnummers en auto op 16 en 17 augustus 2023. Uit de daarover opgemaakte processen-verbaal leidt het hof het volgende af.

Op de ochtend van 16 augustus 2023 belt [medeverdachte] naar [verdachte] . Daarna reist [medeverdachte] naar Haarlem. Hij is daar in ieder geval tussen 11:23 uur en 15:30 uur. Vanuit Haarlem belt [medeverdachte] om 12:10 uur en om 12:42 uur naar [verdachte] . Kort hierna reist [verdachte] ook naar Haarlem. Tussen 13:58 uur en 14:15 uur maken de nummers van [verdachte] en [medeverdachte] gebruik van dezelfde zendmast. [verdachte] en [medeverdachte] hebben vervolgens tot 19:11 uur geen telefonisch contact meer. Om 15:02 en 15:18 uur straalt het nummer van [verdachte] zendmasten aan in de directe omgeving

van de plaats delict. Vervolgens reizen [medeverdachte] en [verdachte] gelijktijdig en via dezelfde route naar Spijkenisse. Uit deze feiten en omstandigheden leidt het hof af dat [verdachte] en [medeverdachte] elkaar in Haarlem hebben ontmoet, vervolgens naar de omgeving van het kantoor van de aangever zijn gereden en daarna samen weer richting huis zijn gereden.

Op de ochtend van 17 augustus 2023 hebben [verdachte] en [medeverdachte] meerdere keren telefonisch contact. Zij zijn dan allebei nog in Spijkenisse. Vervolgens rijdt de auto van [verdachte] vanuit omgeving Rotterdam naar Haarlem, om enkele minuten voor de overval op ongeveer 70 meter van de plaats delict gezien te worden. Na de overval rijdt de auto via Amsterdam terug naar Spijkenisse. Zoals hiervoor al vermeld, is de auto van [verdachte] rond 14:00 uur in Spijkenisse staande gehouden en bevonden [verdachte] en [medeverdachte] zich toen in die auto. De op 17 augustus 2023 door de auto van [verdachte] afgelegde route is identiek aan de route die de auto op 16 augustus 2023 heeft afgelegd.

Gelet op bovenstaande bevindingen, in onderlinge samenhang bezien, komt het hof – net zoals de rechtbank – tot de conclusie dat de verdachte een rol heeft gespeeld bij de overval op de aangever. De verdachte is degene die in zijn auto met de twee overvallers naar Haarlem is gereden.

Juridische duiding van de rol van de verdachte bij de overval

Op 16 augustus 2023, één dag voor de overval, zijn [verdachte] en [medeverdachte] samen in Haarlem, in de directe omgeving van het kantoorpand waar de overval zal plaatsvinden. Voorafgaand aan hun bezoek aan Haarlem, hebben zij telefonisch contact. Gelijktijdig en via dezelfde route reizen zij van Haarlem weer naar hun woonplaats Spijkenisse. Het hof overweegt dat deze gang van zaken, mede gelet op de gang van zaken de dag erna, niet anders kan worden geïnterpreteerd dan als een voorverkenning van de omgeving van het te overvallen kantoor. Deze voorverkenning voeren in ieder geval [verdachte] en [medeverdachte] gezamenlijk uit.

Op de ochtend van 17 augustus 2023 hebben [verdachte] en [medeverdachte] opnieuw telefonisch contact. [verdachte] en [medeverdachte] zijn vervolgens samen met in ieder geval één andere persoon in Haarlem. Zij verplaatsen zich in de auto van [verdachte] , die door [verdachte] wordt bestuurd. Nadat zij door de straat van het te overvallen kantoor zijn gereden, parkeert [verdachte] de auto in de buurt van het kantoor. De drie mannen stappen uit, om vervolgens enkele minuten later weer in te stappen en richting het kantoor te rijden. [verdachte] is ook dan de bestuurder. Vervolgens vindt de overval plaats, waarbij [medeverdachte] één van de twee personen is die het kantoor binnen gaan en de aangever met een vuurwapen bedreigen en bestelen van zijn horloge. In de auto van [verdachte] rijden zij weer terug richting Spijkenisse.

Vrijspraak primair tenlastegelegde

Anders dan de rechtbank en met de advocaat-generaal en de raadsvrouw is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten niet is komen vast te staan.

Het hof stelt allereerst vast dat het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband worden gebracht (vervoer naar en van de plaats van het misdrijf). Ook in die omstandigheden kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, maar de materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan wel van voldoende gewicht moeten zijn. De voorverkenning door [verdachte] en [medeverdachte] op 16 augustus 2023 in combinatie met de aanwezigheid van [verdachte] in de auto op 17 augustus 2023 is daarvoor onvoldoende. Evenmin volgen uit het dossier voldoende aanknopingspunten waaruit volgt dat de intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is om hem als medepleger te duiden. Daarbij speelt met name dat het hof niet heeft kunnen vaststellen dat sprake is van een inwisselbaarheid van de rollen van de verdachte en de medeverdachten. Nu de bijdrage van de verdachte aan het primair tenlastegelegde van onvoldoende gewicht is om hem als medepleger aan te merken, zal de verdachte van dit primaire feit worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring subsidiair tenlastegelegde

Uit de vastgestelde feiten en omstandigheden, in samenhang bezien, leidt het hof af dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte wist dat de medeverdachten het kantoor van de aangever gingen overvallen. Hij heeft een essentiële bijdrage geleverd aan de overval, door ervoor te zorgen dat er een voorverkenning kon plaatsvinden en voorafgaand aan de overval de medeverdachten tot twee keer toe naar het te overvallen kantoor te rijden waarbij hij in de nabijheid van het kantoor de auto heeft geparkeerd en uiteindelijk als bestuurder van die auto de vlucht mogelijk heeft gemaakt voor de medeverdachten. Aldus bezien is de verdachte bij die overval opzettelijk behulpzaam geweest, waarbij zijn opzet dus zowel was gericht op zijn eigen bijdrage als op de overval die hij daarmee heeft ondersteund.

Conclusie

Gelet op het voorgaande acht het hof de subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid aan de gewapende overval bewezen. Het hof gaat dus voorbij aan de verklaring van de verdachte die kort gezegd inhoudt dat hij niet betrokken is geweest bij de overval, dat hij zijn telefoon en auto uitleent aan anderen en dat hij niet in Haarlem is geweest op 16 en 17 augustus 2023. Voor deze verklaring heeft de verdachte geen onderbouwing gegeven en de verklaring wordt door de bewijsmiddelen weerlegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


[medeverdachte] en onbekend gebleven persoon, op 17 augustus 2023 te Haarlem, tezamen en in vereniging met anderen, een horloge (merk: Rolex), dat aan [slachtoffer] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:

- een vuurwapen op die [slachtoffer] te richten en vervolgens het vuurwapen door te laden en

- voornoemd horloge van de pols van die [slachtoffer] te halen

bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 17 augustus 2023 te Haarlem opzettelijk behulpzaam is geweest door

- [medeverdachte] en zijn mededader naar het pand gelegen aan de [adres 3] te vervoeren en gereed te staan om zo [medeverdachte] en zijn mededader te kunnen assisteren bij een snelle vlucht en

- [medeverdachte] en zijn mededader en het horloge, toebehorende aan die [slachtoffer] , vanaf die locatie weer te vervoeren naar een andere (onbekend gebleven) locatie.

Hetgeen subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:

medeplichtigheid aan diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het primair bewezenverklaarde met toepassing van het jeugdstrafrecht veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van zes maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijke strafdeel heeft de rechtbank – kort gezegd – een aantal door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbonden.

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep opnieuw op het standpunt gesteld dat het sanctiestrafrecht voor volwassenen (hierna: volwassenenstrafrecht) moet worden toegepast. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat het door de rechtbank gebruikte rapport van mijnreclassering.nl van 5 februari 2024 niet bruikbaar is voor de beoordeling van de vraag welk strafregime toegepast moet worden, omdat dit rapport is opgemaakt ten behoeve van een andere strafzaak van de verdachte en de rapporteur nog geen kennis had van het feit waar het in deze zaak over gaat. Daartegenover staan twee rapporten van de reclassering Nederland van 25 februari 2025 respectievelijk 29 april 2026, waarin telkens wordt aangegeven dat zij geen redenen zien voor toepassing van het jeugdstrafrecht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van twee jaren en met de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd, met uitzondering van het contactverbod. Daarnaast heeft zij de oplegging van een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest (te weten 45 dagen) en een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis gevorderd.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep in geval van een bewezenverklaring verzocht om – overeenkomstig het advies van mijnreclassering.nl van 5 februari 2024 – het jeugdstrafrecht toe te passen en een jeugddetentie op te leggen op de manier waarop de rechtbank dat heeft gedaan. De raadsvrouw heeft daarbij ook gewezen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het tijdsverloop. In het geval het hof besluit tot toepassing van het volwassenenstrafrecht heeft de raadsvrouw verzocht om oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf met een behandelverplichting als bijzondere voorwaarde en eventueel in combinatie met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Ernst van het feit

De verdachte is medeplichtig geweest aan een diefstal met geweld. Twee

medeverdachten zijn op klaarlichte dag een kantoor binnengegaan en hebben de daar aanwezige aangever onder bedreiging van een vuurwapen beroofd van zijn dure horloge. De verdachte heeft samen met in ieder geval één van hen een dag eerder de omgeving van het kantoor verkend en heeft op de dag van de diefstal de medeverdachten naar het kantoor gebracht en is samen met hen weer vertrokken.

Uit het handelen van de verdachte leidt het hof af dat hij geen enkel respect heeft voor de spullen van anderen en dat hij niet stilstaat bij de psychische en financiële gevolgen die dergelijke gewelddadige handelingen (kunnen) hebben voor de aangever. Voor de aangever moet deze beroving een angstaanjagende gebeurtenis zijn geweest. Het valt te verwachten dat hij hiervan nog geruime tijd de nadelige (psychische) gevolgen zal ondervinden. De verdachte en zijn mededaders hebben kennelijk hun ogen gesloten voor dergelijke gevolgen en alleen gedacht aan eigen gewin. Bovendien wakkert een dergelijk feit gevoelens van angst en onveiligheid onder burgers aan.

Persoon van de verdachte

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft het hof kennisgenomen van het rapport van de reclassering van 29 april 2026, een e-mail van de reclassering van 30 april 2026 en van wat door de raadsvrouw en de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht.

Het toe te passen sanctiestelsel

Ten aanzien van de vraag of het jeugdstrafrecht moet worden toegepast, overweegt het hof als volgt. De verdachte was ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit 18 jaar oud. Uitgangspunt is dat jongvolwassenen van 18 jaar en ouder veroordeeld worden volgens het reguliere (meerderjarigen)strafrecht. De wet biedt de mogelijkheid om jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar te sanctioneren op grond van het jeugdstrafrecht. In artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is bepaald dat de rechter, indien hij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van een jongvolwassen dader – op het moment van berechting – of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, het jeugdstrafrecht kan toepassen. Dit is een uitzondering op de regel en daarvoor dienen dus goede gronden te bestaan.

De reclassering Nederland adviseert in het rapport van 29 april 2026 en de aanvullende e-mail van 30 april 2026 om het volwassenenstrafrecht toe te passen. De verdachte komt niet kinderlijker over dan zijn kalenderleeftijd, hij heeft geen gebrekkige plannings- en organisatievaardigheden en hij schat de risico's van zijn handelen vergeleken met leeftijdgenoten voldoende in. Er lijkt ook geen sprake van impulsiviteit en een gezinsgerichte c.q. pedagogische aanpak wordt tevens niet noodzakelijk geacht. Betrokkene woont nog bij zijn moeder, maar heeft geen interventie nodig die alleen via het jeugdstrafrecht beschikbaar is. Daarnaast kan vanuit de volwassenreclassering de JoVo methodiek worden ingezet. Door middel van de JoVo methodiek wordt gewerkt aan persoonlijke levensdoelen, de begeleiding is outreachend en gericht op de ontwikkelingstaken en de vaardigheden die voor de transitie naar volwassenheid nodig zijn. Daarnaast was reeds sprake van een lopend traject bij de volwassenenreclassering gedurende het schorsingstoezicht.

Het hof stelt voorop dat het toepasselijke sanctierecht in het geval van verdachten die ten tijde van het bewezenverklaarde in de leeftijdscategorie 18 tot en met 23 jaar vielen ex nunc moet worden beoordeeld. Het gaat er bij het opleggen van een straf of maatregel aan deze verdachten namelijk om of er op het moment van oplegging redenen zijn om een pedagogische insteek te kiezen (het jeugdsanctierecht) of een andere (meer punitieve) insteek die doorgaans voor volwassenen wordt gehanteerd. Dit kan betekenen dat in de rechtbankfase een andere weging plaatsvindt dan bij het hof, niet in de laatste plaats omdat recente ontwikkelingen in het leven van de verdachte – waarover in de fase van het hoger beroep ook nog nieuwe rapporten kunnen worden opgemaakt, zoals in deze zaak het geval is - daarbij een rol spelen.

Het hof ziet geen aanleiding af te wijken van het advies van de reclassering om het volwassenenstrafrecht toe te passen en ziet in de persoonlijkheid van de verdachte evenmin aanleiding voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Ook de omstandigheden waaronder het feit is begaan geven daartoe geen aanleiding. Het hof zal daarom anders dan de rechtbank geen toepassing geven aan artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht en het volwassenenstrafrecht toepassen.

Strafoplegging

Gezien de ernst van het bewezenverklaarde feit acht het hof een forse onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf in beginsel gerechtvaardigd. Het hof heeft gelet op de straffen die in de regel worden opgelegd bij overvallen op bedrijven die gepaard zijn gegaan met licht geweld/bedreiging en die hun weerslag hebben gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt een gevangenisstraf van twee jaren genoemd. Deze straf is ook aan de medeverdachte [medeverdachte] opgelegd. Het hof zal deze straf als uitgangspunt nemen. Omdat sprake is van medeplichtigheid, is er aanleiding om die duur met een derde te verminderen.

In het voordeel van de verdachte houdt het hof rekening met zijn persoonlijke omstandigheden, zoals die ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. De verdachte draagt de zorg voor zijn moeder, die ernstig ziek is en binnenkort een operatie zal ondergaan. Daarnaast weegt het hof mee dat de verdachte zich in de periode waarin hij was geschorst zich goed aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden. Het hof zal gelet hierop een groot deel van de gevangenisstraf als voorwaardelijk strafdeel opleggen. Een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf tezamen met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, zoals door de raadsvrouw verzocht, doet geen recht aan de ernst van het feit.

Alles afwegende, acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) maanden, waarvan tien (10) maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van twee jaren passend en geboden. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal het hof de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd verbinden, met uitzondering van het contactverbod.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 48 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat:

  • de verdachte zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren. De verdachte werkt mee aan het toezicht en de begeleiding door de reclassering, zolang de reclassering dat nodig vindt. Hieronder valt ook het meewerken aan huisbezoeken;

  • de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen en/of begeleiden door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling

nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat betrokkene voorgeschreven medicatie zal gebruiken.

- de verdachte zich inspant om een zinvolle dagbesteding te verkrijgen en te behouden. Daarnaast spant hij zich in om zijn financiën op orde te brengen en te houden. De verdachte dient stukken te overleggen waaruit dit blijkt en/of in te stemmen dat de reclassering overleg heeft met de betreffende contactpersonen van zijn opleiding en/of werk indien de reclassering dat noodzakelijk acht. Indien de reclassering het nodig vindt, zal betrokkene aangemeld worden bij een instelling voor maatschappelijke ondersteuning voor begeleiding bij deze praktische zaken.

Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;

Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.J. van der Wilt, mr. N.R.A. Meerbeek en mr. L.M.G. de Weerd, in tegenwoordigheid van mr. C.E. Dongelmans, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 mei 2026.

mr. L.M.G. de Weerd en mr. C.E. Dongelmans zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.