Strafrecht overig

Bevestiging van vonnis (vrijspraak), maar het hof gebruikt een andere motivering. Er is voldoende wettig…

Gerechtshof Amsterdam, 29 juli 2026

Zaakgegevens

Op 29 juli 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
29 juli 2026
Datum publicatie
29 juli 2026
Zaaknummer
23-001049-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2114
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bevestiging van vonnis (vrijspraak), maar het hof gebruikt een andere motivering. Er is voldoende wettig bewijs voor mishandeling (in de vorm van huiselijk geweld), maar het hof heeft onder meer vanwege later afgelegde verklaringen niet de overtuiging gekregen dat het zo is gegaan als verklaard in de eerste verhoren.

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001049-25

datum uitspraak: 29 juli 2026

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 17 april 2025 in de strafzaak onder parketnummer
13-323576-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,

adres: [adres] .

1 Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
1 juli 2026 en 29 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw van de verdachte naar voren heeft gebracht.

2 Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit daarom bevestigen, met dien verstande dat het hof de motivering van de vrijspraak zal vervangen door de navolgende motivering.

3 Vrijspraak

3.1.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. De partner van de verdachte, [slachtoffer] (verder: [slachtoffer] ), heeft kort na het feit op het politiebureau en in de ambulance belastende verklaringen afgelegd, die voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Deze verklaringen worden gesteund door onder meer de hevige emoties die [slachtoffer] tijdens het afleggen van de verklaringen toonde en het lichamelijke letsel dat hierbij past. De latere verklaringen van [slachtoffer] , waarin zij terugkomt van haar eerdere belastende verklaringen, zijn niet aannemelijk en daaraan moet geen bewijswaarde worden toegekend. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van
50 dagen, waarvan 23 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken. De belastende verklaringen die [slachtoffer] in de ambulance (het hof begrijpt: en op het politiebureau) heeft afgelegd dient niet voor het bewijs te worden gebezigd, omdat zij daar in latere verklaringen van terug is gekomen. Indien die belastende verklaringen wel voor het bewijs worden gebruikt, wordt er vanwege onvoldoende steunbewijs niet voldaan aan het bewijsminimum genoemd in artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Ook verzet het recht op een eerlijk proces als genoemd in artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) zich tegen het gebruik van de belastende verklaringen voor het bewijs.

3.3.

Overwegingen van het hof

3.3.1.

Feiten en omstandigheden

[slachtoffer] is kort na het tenlastegelegde incident met haar moeder en broer het politiebureau binnengelopen en heeft toen tegenover een politieambtenaar (hierna: verbalisant) verklaard dat zij thuis door haar man is mishandeld op de wijze die is tenlastegelegd. De verbalisant verklaarde dat [slachtoffer] een erg emotionele indruk maakte en dat hij bij haar meerdere blauwe plekken zag. Daarop is [slachtoffer] in een ambulance naar het ziekenhuis vervoerd en in de ambulance heeft zij tegenover een meerijdende politieambtenaar opnieuw verklaard over de mishandelingen die de verdachte gepleegd zou hebben. Hiervan zijn processen-verbaal van bevindingen opgemaakt. Uit een rapport van de GGD, gebaseerd op de foto’s die kort na het tenlastegelegde incident door verbalisanten zijn gemaakt, blijkt dat er letsel bij [slachtoffer] is aangetroffen, waaronder bloeduitstortingen op haar armen en benen en verkleuringen in haar gezicht.

In latere verklaringen is [slachtoffer] teruggekomen van haar belastende verklaringen. De dag volgend op het tenlastegelegde feit verklaarde zij dat zij geen aangifte durfde te doen omdat zij ontzettend bang was voor wat er zou gebeuren. Enkele dagen daarna is [slachtoffer] nogmaals tweemaal verhoord door de politie, waarbij zij verklaarde dat de verdachte geen geweld heeft gepleegd en zij daarom geen aangifte wilde doen. Over het waargenomen letsel verklaarde zij in die verklaringen en in haar latere verklaring als getuige bij de rechter-commissaris wisselend: dat zij per ongeluk letsel heeft opgelopen bij het sparren met kickboksen, dat zij letsel heeft opgelopen tijdens een ruzie met iemand anders binnen de familie, en dat zij zelf van de trap is gevallen toen bij haar de emoties hoog op waren gelopen na een (woordelijke) ruzie met de verdachte. [slachtoffer] verklaarde ook wisselend over of de verdachte aanwezig was toen zij van de trap viel. Zij heeft geen aangifte willen doen.

3.3.2.

Wettig bewijs

Het hof ziet in de manier waarop de verklaringen van [slachtoffer] op het politiebureau en in de ambulance tot stand zijn gekomen geen aanleiding om de hiervoor genoemde processen-verbaal van bevindingen bij voorbaat niet voor het bewijs te bezigen. Dat de verklaringen niet in een verhoorkamer zijn opgenomen en [slachtoffer] de verklaringen niet heeft ondertekend, maakt niet dat aan die verklaringen geen bewijswaarde kan worden toegekend. Zij betreffen immers op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal en er is geen aanleiding om te veronderstellen dat de verbalisanten iets anders hebben opgeschreven dan wat [slachtoffer] heeft verklaard. Met het gebruik hiervan wordt het recht op een eerlijk proces als genoemd in artikel 6 EVRM niet geschonden. Wel dient – zoals met elke getuigenverklaring het geval is – met behoedzaamheid met de inhoud van de processen-verbaal worden omgegaan. Hierbij kan ook waarde worden gehecht aan de verklaringen die [slachtoffer] later heeft afgelegd, zoals het hof verderop zal bespreken.

Het hof overweegt dat de twee belastende verklaringen van [slachtoffer] steun vinden in de zeer emotionele staat waarin [slachtoffer] zich tijdens het afleggen daarvan bevond en het bij [slachtoffer] waargenomen letsel, dat naar het oordeel van het hof kan passen bij de tenlastegelegde handelingen. In zoverre komt het hof tot het oordeel dat sprake is van voldoende wettig bewijs.

3.3.3.

Overtuigend bewijs

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het bewijs ook voldoende overtuigend is. Het hof overweegt daartoe dat [slachtoffer] , zoals onder 3.3.1. is overwogen, na het afleggen van haar eerste twee verklaringen steeds heeft aangegeven dat de verdachte haar in weerwil van de eerdere verklaringen niet heeft mishandeld en dat het bij haar waargenomen letsel op een andere wijze is ontstaan. Daarbij kan niet worden uitgesloten dat het letsel is ontstaan door een val van de trap, zoals [slachtoffer] later heeft verklaard. Ook heeft zij in de latere verklaringen verklaard dat haar hevige emoties op het politiebureau werden veroorzaakt door een ruzie in de echtelijke sfeer over app- en belcontact dat de verdachte had met een andere vrouw. Gelet op het voorgaande en in acht nemend dat in het dossier geen overige bewijsmiddelen aanwezig zijn die het onderscheid kunnen maken tussen de verklaringen die inhouden dat sprake was van een mishandeling enerzijds en een ongeluk anderzijds, komt het hof tot de conclusie dat het niet de overtuiging heeft gekregen dat [slachtoffer] het letsel heeft opgelopen op de wijze waarop zij in haar eerste verhoren heeft verklaard.

4 BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.T.C. de Vries, mr. N. van der Wijngaart en mr. J.H. van der Werff, in tegenwoordigheid van mr. C.H. Sillen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
29 juli 2026.