Strafrecht overig
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het telen van 948 hennepplanten en ruim vier kilogram hennep…
Gerechtshof Amsterdam, 2 juli 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:2117 · Gerechtshof Amsterdam · 2 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2117
Zaakgegevens
Op 2 juli 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 2 juli 2026
- Datum publicatie
- 29 juli 2026
- Zaaknummer
- 23-002126-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2117
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het telen van 948 hennepplanten en ruim vier kilogram hennep. Oplegging van een taakstraf van 120 uren.
Procesgang
Rechtbank Amsterdam · 2 september 2025
ECLI:NL:RBAMS:2025:7519Gerechtshof Amsterdam · 2 juli 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHAMS:2026:2117
Overig
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-002126-25 (strafzaak)
Datum uitspraak: 2 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 september 2025 in de strafzaak onder parketnummer 13-297858-22 tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1977 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
adres: [adres 1] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 mei 2026 en 18 juni 2026 en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en haar raadsman naar voren hebben gebracht.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is door rechtbank vrijgesproken van hetgeen aan haar onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is dus mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak van feit 2.
Tenlastelegging
Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging – en voor zover in hoger beroep nog aan de orde – is aan de verdachte ten laste gelegd dat:
feit 1 primair
zij op of omstreeks 8 juni 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 2] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 948 hennepplanten en/of 4.336,76 gram hennep, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 1 subsidiair
een of meer onbekend gebleven personen op of omstreeks 8 juni 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 2] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 948 hennepplanten en/of 4.336,76 gram hennep, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op of omstreeks 8 juni 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal om proces-economische redenen worden vernietigd.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, te weten het telen van hennep. De verklaring van de verdachte dat zij niets met de kwekerij te maken heeft en in eerste instantie heeft bekend omdat zij is bedreigd, is onvoldoende aannemelijk geworden. Volgens de advocaat-generaal is geen sprake van medeplegen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. De bekennende verklaring die de verdachte in eerste instantie heeft afgelegd is ongeloofwaardig, onder meer omdat het voor de verdachte fysiek onmogelijk was om de betreffende hennepkwekerij op te zetten. Daarnaast heeft de verdachte later consistent en gedetailleerd verklaard en wordt deze verklaring gedeeltelijk ondersteund door verklaringen van haar echtgenoot en haar buren. Dat de verdachte in het pand woonde en op 8 juni 2020 bij het pand aanwezig was, is onvoldoende voor een bewezenverklaring. Indien het hof de verdachte niet zal vrijspreken van het onder 1 primair tenlastegelegde telen van hennep, is hooguit sprake van medeplichtigheid.
Oordeel van het hof
Uit het dossier blijkt dat er op 8 juni 2020 in een bedrijfspand aan de [adres 2] een hennepkwekerij met 948 hennepplanten en 4.336,76 gram hennep is aangetroffen. Op het moment van binnentreden was de verdachte in het bedrijfspand aanwezig. Zij heeft op dat moment verklaard de eigenaar van de hennepkwekerij te zijn. In haar politieverhoor op 9 juni 2020 heeft de verdachte verklaard een hennepkwekerij te hebben om het maken van een film te kunnen bekostigen.
De verdachte heeft vervolgens in een politieverhoor op 27 januari 2025 een verklaring afgelegd die erop neerkomt dat haar eerdere verklaringen niet de waarheid zijn, dat zij het pand waarin de hennepkwekerij is aangetroffen, heeft onderverhuurd aan ene [persoon] en dat deze verantwoordelijk was voor de hennepkwekerij. [persoon] zou haar hebben bedreigd als zij dat zou vertellen en daarom heeft zij een ander verhaal tegen de politie verteld. Die verklaring heeft zij tijdens de zittingen in eerste aanleg en in hoger beroep herhaald, waarbij zij onder meer heeft verwezen naar de getuigenverklaringen van haar buren.
Het hof acht deze verklaringen – te weten dat deze [persoon] verantwoordelijk was voor de hennepkwekerij en dat zij door hem is bedreigd – niet geloofwaardig, gelet op de volgende feiten en omstandigheden:
-
de verdachte was ten tijde van de inval op 8 juni 2020 aanwezig in het bedrijfspand, wees de verbalisanten vrijwel direct naar de plek waar de hennepkwekerij was gelokaliseerd in het pand, verklaarde dat zij de eigenaar was van de hennepkwekerij en die had opgezet;
-
de verdachte heeft de dag erna, op 9 juni 2020, een gedetailleerde verklaring afgelegd over de gang van zaken in de hennepkwekerij, passend bij haar verklaring dat de hennepkwekerij van haar was. Zo heeft zij bijvoorbeeld verklaard over de financiële reden ervoor (ze had geld nodig voor het maken van een film) maar ook over ‘residu’, de prijs per kilogram die zij voor de planten heeft gekregen, dat zij zuiveringssoda heeft gebruikt om de planten tegen schimmel te behandelen en welk soort hennepplanten het waren. Dat zij dergelijke kennis heeft opgedaan via een vriendin, zoals de verdachte heeft verklaard, acht het hof, mede in het licht van het voorgaande, ongeloofwaardig;
-
de verdachte heeft op 14 mei 2021, bijna een jaar na de inval, wederom verklaard dat zij de eigenaar van de kwekerij was;
-
de door de verdachte overgelegde kopie van het paspoort van [persoon] is door de politie gecontroleerd in de systemen en [persoon] blijkt niet te bestaan;
-
van enig bewijs van de bedreigingen door deze [persoon] (of een ander persoon) is in het geheel niet gebleken, anders dan dat de verdachte dit heeft verklaard.
Het hof is van oordeel dat de getuigenverklaringen niet meebrengen dat de eerdere bekennende verklaring van de verdachte niet juist zou zijn of dat aan de juistheid daarvan moet worden getwijfeld. Wat de buren hebben verklaard sluit die verklaring immers niet uit. Ook indien iemand anders of anderen bij de hennepkwekerij betrokken waren, volgt daaruit niet dat de verdachte geen rol bij de hennepkwekerij kan hebben gehad. Hetgeen de echtgenoot over de bedreiging heeft verklaard, betreft enkel hetgeen hij van de verdachte heeft vernomen, hij heeft in dat verband geen eigen waarnemingen gedaan. Voornoemde feiten en omstandigheden maken dat het hof het door de verdediging geschetste scenario niet aannemelijk vindt. Bij die stand van zaken gaat het hof ervan uit dat het de verdachte zelf is geweest die de hennepkwekerij heeft opgezet en geëxploiteerd.
Vrijspraak medeplegen
Weliswaar zijn er in het dossier aanwijzingen te vinden dat ook een ander of anderen betrokkenheid heeft of hebben gehad bij de hennepkwekerij, maar het hof is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is waaruit volgt dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander.
Eindoordeel
Gelet op het voorgaande acht het hof het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. De verdachte zal (partieel) worden vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op 8 juni 2020 te Amsterdam opzettelijk heeft geteeld, in een pand aan de [adres 2] , 948 hennepplanten en 4.336,76 gram hennep.
Hetgeen onder 1 primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals weergegeven in de bij dit arrest gevoegde bijlage.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van de verdachte
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat zij heeft gehandeld vanuit een overmachtsituatie.
Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Het beroep op psychische overmacht wordt verworpen.
Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van onder 1 primair bewezenverklaarde uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechtbank is opgelegd, gelet op de forse overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg.
De raadsman heeft verzocht, indien het hof medeplichtigheid bewezen acht, daar rekening mee te houden bij het opleggen van een straf.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het telen van 948 hennepplanten en ruim vier kilogram hennep. Het gebruik van hennep kan schadelijke gevolgen meebrengen voor de gezondheid van gebruikers. Bovendien leidt de teelt van hennep veelal tot overlast voor buurtbewoners, en gaat deze niet zelden gepaard met andere vormen van criminaliteit.
Bij het bepalen van de op te leggen straf(fen) heeft het hof gelet op straffen die doorgaans in het geval van een hennepkwekerij plegen te worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daar wordt in het geval van een hennepkwekerij met 500 tot 1.000 hennepplanten een taakstraf van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden genoemd. Het oriëntatiepunt gaat uit van een verdachte die voor dit delict een ‘first offender’ is. Uit het strafblad van de verdachte van 5 juni 2026 blijkt dat zij niet eerder voor een ander strafbaar feit is veroordeeld.
Het hof acht in beginsel, alles afwegende en rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de ouderdom van de feiten, een taakstraf van 140 uren passend en geboden.
Het hof stelt evenwel vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in eerste aanleg is overschreden. De verdachte is op 9 juni 2020 in verzekering gesteld en de rechtbank heeft op 2 september 2025 vonnis gewezen, zodat de redelijke termijn in eerste aanleg met ongeveer drie jaar en drie maanden is overschreden. Het hof zal vanwege deze termijnoverschrijding 20 uren taakstraf in mindering brengen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.E. Dijkers, mr. A.M. Koolen-Zwijnenburg en mr. L. Daum, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 juli 2026.
Mr. Daum en mr. Gielen zijn niet in de gelegenheid dit arrest te ondertekenen.