Strafrecht overig
Medeplegen van om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te…
Gerechtshof Amsterdam, 23 juli 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:2235 · Gerechtshof Amsterdam · 23 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2235
Zaakgegevens
Op 23 juli 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 23 juli 2026
- Datum publicatie
- 12 augustus 2026
- Zaaknummer
- 23-001733-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2235
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Medeplegen van om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen of vervoermiddelen of stoffen of betaalmiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit. Oplegging GS 28 maanden m.a. wv. 12 maanden vw. met een PT van 2 jaren.
Procesgang
Rechtbank Noord-Holland · 8 juli 2025
ECLI:NL:RBNHO:2025:7723Gerechtshof Amsterdam · 23 juli 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHAMS:2026:2235
Overig
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001733-25
datum uitspraak: 23 juli 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 8 juli 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-298452-23 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1971,
adres: [adres 1] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
9 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Gelet op de nadere omschrijving van de tenlastelegging in eerste aanleg is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
hij op een (of meer) tijdstip(pen) op of omstreeks de periode van 6 december 2020 tot en met
9 februari 2021 te Eindhoven en/of te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (telkens),
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of het opzettelijk vervaardigen van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet,
- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door
- een (of meer) crypto telefoon(s) voorhanden te hebben gehad en/of
- op (een) cryptotelefoon(s) een SKY applicatie te installeren en/of
- als gebruiker van de SKY-account gesprekken en besprekingen gevoerd met anderen, over koffers met verdovende middelen en/of borgbetalingen en/of vluchten met Martinair en KLM en/of cargoladingen en/of data van vrachtvluchten en/of percentages en/of bedragen en/of
- foto's met daarop afbeeldingen van kiloblokken cocaïne en/of een GPS/tracker (in een kiloblok) cocaïne te hebben ontvangen en/of te hebben verstuurd en/of
- instructies te hebben doorgegeven over hoe de GPS-tracker te activeren en/of
- afspraken te hebben gemaakt en/of besprekingen gevoerd over de smokkel van verdovende middelen uit Aruba en/of vanuit Costa Rica.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof komt tot een andere bewijsoverweging en de andere strafoplegging dan de rechtbank, zodat een partiële bevestiging van het vonnis een te onoverzichtelijk samenstel van beslissingen zou opleveren.
Bewijsoverweging
Het standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich aan de hand van een schriftelijk requisitoir op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit kan worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken. Kort samengevat heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet buiten gerede twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte de gebruiker is van SKY-account [nummer 1] . Op het verweer van de raadsvrouw zal het hof hierna nader ingaan.
Het oordeel van het hof
Identificatie SKY-account [nummer 1]
In het proces-verbaal van bevindingen ‘SKY-ID: [nummer 1] in gebruik bij [verdachte] ’ van 29 november 2022 zijn de feiten en omstandigheden opgesomd op grond waarvan de politie heeft geconcludeerd dat de verdachte de gebruiker was van het SKY-account [nummer 1] (hierna ook: [nummer 1] ). Dit proces-verbaal houdt samengevat het volgende in.
Het account was gekoppeld aan IMEI-nummers [nummer 2] (van 9 oktober 2018 tot en met
29 januari 2020) en [nummer 3] (van 29 januari 2020 tot en met 9 maart 2021). De actieve periode van het account [nummer 1] was van 24 juni 2019 tot en met 9 maart 2021.
Het wachtwoord dat aan het account [nummer 1] is gekoppeld is [wachtwoord].
Het IMEI-nummer [nummer 2] heeft in de periode van 18 mei 2019 tot en met 29 januari 2020 op het meest aantal dagen gebruik gemaakt van Cell-ID's gelegen op de locatie [locatie] . Op 202 dagen werden deze Cell-ID's gebruikt. Op 106 dagen werden er Cell-ID’s in de nachtelijke uren (00:00 uur – 08:00 uur) gebruikt, waarvan 101 nachten op de bovengenoemde locatie.
Het IMEI-nummer [nummer 3] heeft in de periode van 29 januari 2020 tot en met 3 april 2021 op het meest aantal dagen gebruikt gemaakt van Cell-ID’s gelegen op de locatie [locatie] . Op 397 dagen werden deze Cell-ID’s gebruikt. Op 277 dagen werden er Cell-ID’s in de nachtelijke uren (00:00 uur – 08:00 uur) gebruikt, waarvan 267 nachten op de bovengenoemde locatie.
Het vermoeden bestaat dat het account [nummer 1] is gebruikt in combinatie met een cryptotelefoon. Op
26 januari 2021 heeft een IMSI-inzet plaatsgevonden om te achterhalen waar de cryptotelefoon zich precies bevond. Uit de IMSI-inzet bleek dat de cryptotelefoon zich op dat moment hoogstwaarschijnlijk bevond op het adres [adres 1] , het woonadres van de verdachte.
Uit onderzoek is verder gebleken dat de gebruiker van de telefoon met IMEI-nummer [nummer 3] zich op 4 maart 2021 vermoedelijk bevond op de vlucht [vlucht] van Amsterdam naar Curaçao. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij op 4 maart 2021 met de KLM van Amsterdam naar Curaçao is gevlogen.
Het hof komt op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, die in onderling verband en samenhang dienen te worden bezien, tot het oordeel dat de verdachte de gebruiker is geweest van het SKY-account [nummer 1] .
Daarbij neemt het hof in de eerste plaats in aanmerking dat aan het account [nummer 1] een wachtwoord is gekoppeld dat specifiek verwijst naar de verdachte. De letters van het wachtwoord komen immers overeen met de eerste letters van de voornamen van de kinderen van de verdachte en staan bovendien in de volgorde waarin de kinderen zijn geboren (van jongste naar oudste). Het hof gaat voorbij aan het verweer van de verdediging dat het wachtwoord niet overeenkomt met de namen van de kinderen van de verdachte. De verdediging heeft in dit verband onder meer aangevoerd dat de voornaam van de oudste dochter van de verdachte aan elkaar wordt geschreven terwijl het wachtwoord zou suggereren dat zij twee voornamen heeft. Uit het door de verdediging ter terechtzitting overgelegde uittreksel uit het bevolkingsregister leidt het hof echter af dat de naam van de oudste dochter niet aan elkaar wordt geschreven. Ook overigens acht het hof niet aannemelijk geworden dat iemand anders dan de verdachte dit specifiek naar de verdachte verwijzende wachtwoord zou hebben aangemaakt.
In de tweede plaats acht het hof van belang dat de IMEI-nummers die gekoppeld waren aan account [nummer 1] op het meest aantal dagen gebruik hebben gemaakt van Cell-ID’s gelegen op de locatie [locatie] ligt hemelsbreed op een afstand van 600 meter van de woning van de verdachte. Daaraan doet niet af dat de getuige [getuige] , de zoon van de verdachte, ter terechtzitting heeft verklaard dat zich in de tenlastegelegde periode in de directe omgeving van de woning van de verdachte onder meer een coffeeshop, lounge, nachtwinkel en verschillende ‘hangplekken’ bevonden waar (zeer) mogelijk personen kwamen met criminele contacten en waarvan iemand de gebruiker van account [nummer 1] kan zijn geweest. De IMEI-nummers die gekoppeld waren aan account [nummer 1] maakten immers ook gedurende een groot aantal dagen in de nachtelijke uren gebruik van Cell-ID’s gelegen op de locatie [locatie] . Het hof acht het niet aannemelijk dat een van de bezoekers van deze locaties daar ook zeer frequent gedurende de nachtelijke uren verbleef. Daarbij komt dat met behulp van de IMSI catcher de locatie van de cryptotelefoon nog nauwkeuriger is vastgesteld; op 26 januari 2021 bevond de cryptotelefoon zich hoogstwaarschijnlijk op [adres 1] , het woonadres van de verdachte.
Tot slot neemt het hof in aanmerking dat de gebruiker van de telefoon met IMEI-nummer [nummer 3] op 4 maart 2021 vermoedelijk passagier is geweest van de vlucht [vlucht] en de verdachte heeft verklaard dat hij op die datum met de KLM naar Curaçao is gevlogen. Dat het onderzoeksteam aanvankelijk op basis van chats het vermoeden had dat de verdachte op 4 maart 2021 naar de Dominicaanse Republiek is gevlogen doet daar niet aan af nu die vermoedens, die ten grondslag lagen aan het proces-verbaal aanvraag vordering verstrekking historische gegevens, verder geen handen en voeten hebben gekregen.
De conclusie dat de verdachte de gebruiker is geweest van het [nummer 1] wordt versterkt door de inhoud van berichten die op 18 december 2020 tussen account [nummer 1] en de gebruiker van het SKY-account [nummer 4] ( [persoon] ) zijn verzonden. Daarin wordt gesproken over een geldoverdracht van
€ 21.400,00 waarbij een token wordt gebruikt. [persoon] vraagt aan [nummer 1] of ‘iemand in Heerlen kan ophalen’ waarop [nummer 1] vraagt of ‘jou man hem niet kan zien in Eind?’ Dat kan [persoon] regelen waarop [nummer 1] antwoordt ‘adres in 10 min’ en vervolgens een afbeelding stuurt van de [winkel] gelegen aan de [adres 2] . Het hof stelt vast dat de afstand tussen de woning van de verdachte en deze [winkel] 600 meter is.
De door de raadsvrouw genoemde contra-indicaties maken voornoemd oordeel niet anders. Het niet aantreffen van een cryptotelefoon op 23 april 2024 bij de verdachte, het moment waarop de verdachte werd aangehouden en zijn woning is doorzocht, het ontbreken van geld of goederen in Nederland die duiden op opbrengsten uit illegale inkomsten en het ontbreken van relevante gegevens op de onder de verdachte in beslag genomen telefoon zijn omstandigheden die niet afdoen aan de hiervoor genoemde bevindingen op grond waarvan het hof concludeert dat de verdachte de gebruiker was van het account [nummer 1] . In het bijzonder merkt het hof nog op dat in de periode dat actief gebruik werd gemaakt van het account (van 24 juni 2019 tot en met 9 maart 2021) de verdachte vanaf 11 juni 2019 deelnam aan een penitentiair programma en zich dus niet langer (voltijds) in een penitentiaire inrichting bevond.
Het hof zal in het navolgende dan ook tot uitgangspunt nemen dat de verdachte de gebruiker was van het account [nummer 1] .
Berichtenverkeer SKY-account [nummer 1]
Uit de inhoud van de aangetroffen berichten tussen de verdachte en andere gebruikers van SKY-accounts leidt het hof het volgende af. In de periode van 6 december 2020 tot en met 9 februari 2021 heeft de verdachte veelvuldig contact gehad met onder meer de gebruikers van SKY-account [nummer 4] (zoals gezegd [persoon] ), SKY-account [nummer 5] (hierna: [nummer 5] ) en SKY-account [nummer 6] ( [naam] ). Uit die berichten kan worden afgeleid dat door de verdachte samen met anderen in deze periode drie cocaïnetransporten werden voorbereid vanuit Colombia (12 december 2020) en Aruba
(18 december 2020 en 8 februari 2021). De verdachte had bij de voorbereiding van die transporten een aanzienlijke rol. Zo had de verdachte contacten in het buitenland, gaf hij informatie over hoeveelheden cocaïne die konden worden ingevoerd en werd door de verdachte en anderen gesproken over kosten, borg en procenten waaruit het hof afleidt dat de verdachte onderhandelde over kosten en betalingsafspraken maakte. De verdachte gaf instructies ten aanzien van GPS-trackers. Door de verdachte zijn afbeeldingen verzonden en ontvangen waarop een blok cocaïne met een GPS-tracker is te zien en de verdachte verstrekte inlogcodes en wachtwoorden van deze GPS-trackers of bijbehorende apps waarmee de cocaïne kon worden gelokaliseerd. Ook communiceerde de verdachte over mogelijke data waarop de transporten konden plaatsvinden en de te gebruiken smokkelmethoden zoals cargo, full cargo, klm mix en KL cargo en het smokkelen via koffers dan wel via bloemendozen. Uit berichten kan verder worden afgeleid dat de verdachte contacten had met ‘werknemers van binnen’ en veel ervaring heeft. Zo laat de verdachte op
18 december 2021 weten: ‘ik doe deze shit al jaren’ en op 20 december 2020 verstuurt de verdachte het bericht ‘Ik heb familie daar werken, heb een team voor andere dingen daar. Heb zelf daar gewerkt. Hebt over de tijd heen cargo gewerkt (…)’ en ‘Jij weet het niet misschien maar ik weet het bro!’.
Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne in de periode van 6 december 2020 tot en met 9 februari 2021 waarbij de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met anderen. Het hof acht het tenlastegelegde feit dan ook bewezen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op tijdstippen in de periode van 6 december 2020 tot en met 9 februari 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen cocaïne
- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om die feiten te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door
- een crypto telefoon voorhanden te hebben gehad en/of
- als gebruiker van de SKY-account gesprekken en besprekingen te voeren met anderen, over koffers met verdovende middelen en/of borgbetalingen en/of vluchten met Martinair en KLM en/of cargoladingen en/of data van vrachtvluchten en/of percentages en/of bedragen en/of
- foto's met daarop afbeeldingen van kiloblokken cocaïne en/of een GPS/tracker (in een kiloblok) cocaïne te hebben ontvangen en/of te hebben verstuurd en/of
- instructies te hebben doorgegeven over hoe de GPS-tracker te activeren en/of
- afspraken te hebben gemaakt en/of besprekingen gevoerd over de smokkel van verdovende middelen.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen of vervoermiddelen of stoffen of betaalmiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 39 maanden met aftrek van voorarrest.
De raadsvrouw heeft het hof verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en om aan hem geen straf op te leggen die inhoudt dat hij opnieuw gedetineerd raakt
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met anderen gedurende een periode van een aantal maanden schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot de invoer van cocaïne binnen het grondgebied van Nederland. Dit is een zeer ernstig feit. Door de invoer van harddrugs wordt de (internationale) handel in verdovende middelen in stand gehouden. Daarbij geldt dat de verspreiding van en handel in cocaïne en – in het verlengde daarvan – het gebruik ervan, een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en onrust in de samenleving veroorzaken en veelal leiden (direct en indirect) tot diverse vormen van (eveneens zware) criminaliteit. Aan de in- en uitvoer van cocaïne zijn dan ook hoge wettelijke strafmaxima verbonden en ook handelingen die gericht zijn op de voorbereiding en het bevorderen van de in-/uitvoer van cocaïne worden met aanzienlijke straffen bedreigd. Het hof houdt in dat verband rekening met de oriëntatiepunten voor straftoemeting en met straffen die meestal worden opgelegd in soortgelijke zaken waarbij het gaat om voorbereidingshandelingen van de invoer van cocaïne of vergelijkbare stoffen.
Het hof heeft ook acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 25 juni 2026. Daaruit blijkt dat hij in 2016 ter zake van onder andere Opiumwetdelicten onherroepelijk tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren is veroordeeld. Het hof weegt dit strafblad in het nadeel van de verdachte mee.
Gelet op het voorgaande, maar met name gelet op de ernst van het feit is het hof van oordeel dat enkel kan worden volstaan met een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Met de raadsvrouw ziet het hof, in wat ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, en het tijdsverloop sinds de pleegdatum van het onderhavige feit, aanleiding om de duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf enigszins te matigen. Het hof zal dan ook bepalen dat het onvoorwaardelijk deel van de straf niet groter is dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Om desalniettemin sterk te benadrukken dat de verdachte zich verre dient te houden van zijn oude gedragingen, zal het hof als stok achter de deur het overige deel van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm opleggen met een proeftijd van drie jaren.
Het hof acht, alles afwegende, een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op artikel 10a van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c en 47 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 (achtentwintig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E. Kleene-Krom, mr. A.R.O. Mooy en mr. V.J.M. Goldschmeding, in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
23 juli 2026.
mr. V.J.M. Goldschmeding is buiten staat om dit arrest mede te ondertekenen.