Strafrecht overig
vrijspraak mishandeling beveiliger. Het hof is van oordeel dat de verdachte heeft gehandeld binnen de grenzen…
Gerechtshof Amsterdam, 15 mei 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:2237 · Gerechtshof Amsterdam · 15 mei 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2237
Zaakgegevens
Op 15 mei 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 15 mei 2026
- Datum publicatie
- 13 augustus 2026
- Zaaknummer
- 23-002618-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2237
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
vrijspraak mishandeling beveiliger. Het hof is van oordeel dat de verdachte heeft gehandeld binnen de grenzen van zijn bevoegdheid als beveiliger en dat hij uitsluitend het noodzakelijke geweld heeft toegepast om de aanhouding te verrichten. Op grond van artikel 53 van het Wetboek van strafvordering is het eenieder toegestaan om tot aanhouding over te gaan, mits sprake is van een geval van ontdekking op heterdaad en de aanhouding tot doel heeft de verdachte onverwijld over te dragen aan een opsporingsambtenaar. In het geval van een dergelijke 'burgeraanhouding' mogen die handelingen worden verricht die in de gegeven omstandigheden noodzakelijk zijn om de verdachte onder controle te krijgen, waar nodig met gepaste dwang of geweld, om hem (onverwijld) te kunnen overdragen aan een opsporingsambtenaar. De vraag welke handelingen in het geval van een dergelijke 'burgeraanhouding' mogen worden verricht om de verdachte onder controle te krijgen en hem te kunnen overdragen aan een opsporingsambtenaar dient te worden beantwoord aan de hand van de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Van de ene persoon mag in dit verband op grond van zijn hoedanigheid of bijzondere vaardigheden meer worden gevergd op het vlak van de proportionaliteit dan van een ander, waarbij de proportionaliteitseis ertoe strekt te beoordelen of het optreden niet in onredelijke verhouding staat tot het te bereiken doel.
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002618-24
datum uitspraak: 15 mei 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 28 oktober 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-001966-24 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1969,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 mei 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 20 oktober 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het eenmaal of meermalen (met kracht)
-
(vast)pakken en/of (vast)grijpen en/of (vast)gepakt (houden) en/of (vast)gegrepen (houden) van de hals/nek/keel, althans het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en/of
-
duwen van het lichaam van voornoemde [slachtoffer] op/tegen de grond;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.
Vordering van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Vrijspraak
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
Het hof stelt op grond van de inhoud van de stukken uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten vast. De verdachte was werkzaam als beveiliger bij een filiaal van [bedrijf] in Amsterdam. Nadat [slachtoffer] op 20 oktober 2023 goederen uit dat filiaal had gestolen liep de verdachte achter hem aan naar buiten. De verdachte heeft [slachtoffer] vervolgens op heterdaad aangehouden voor diefstal. In afwachting van de komst van de politie heeft de verdachte [slachtoffer] de winkel binnen gebracht. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij daarbij door [slachtoffer] bedreigd en beledigd werd. Hij hield [slachtoffer] bij het lopen vast in een houdgreep. Uit de beelden die onderdeel uitmaken van het dossier blijkt dat [slachtoffer] zich verzet tegen de aanhouding. Bij binnenkomst in dat filiaal komen beiden ten val. Op een gegeven moment komen beiden overeind en de verdachte houdt [slachtoffer] nog steeds vast en drukt hem tegen de winkelbalie. Op de beelden is te zien dat [slachtoffer] blijft bewegen, praat en met zijn hand wijst. Meerdere getuigen hebben verklaard dat [slachtoffer] op dat moment bedreigingen uitte, onder meer met steken. Na enkele ogenblikken werpt de verdachte [slachtoffer] naar de grond waarna hij op hem blijft liggen.
Het hof overweegt als volgt:
Het hof is van oordeel dat de verdachte heeft gehandeld binnen de grenzen van zijn bevoegdheid als beveiliger en dat hij uitsluitend het noodzakelijke geweld heeft toegepast om de aanhouding te verrichten. Het hof zal dit nader toelichten. Op grond van artikel 53 van het Wetboek van strafvordering is het eenieder toegestaan om tot aanhouding over te gaan, mits sprake is van een geval van ontdekking op heterdaad en de aanhouding tot doel heeft de verdachte onverwijld over te dragen aan een opsporingsambtenaar. In het geval van een dergelijke 'burgeraanhouding' mogen die handelingen worden verricht die in de gegeven omstandigheden noodzakelijk zijn om de verdachte onder controle te krijgen, waar nodig met gepaste dwang of geweld, om hem (onverwijld) te kunnen overdragen aan een opsporingsambtenaar. De vraag welke handelingen in het geval van een dergelijke 'burgeraanhouding' mogen worden verricht om de verdachte onder controle te krijgen en hem te kunnen overdragen aan een opsporingsambtenaar dient te worden beantwoord aan de hand van de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Van de ene persoon mag in dit verband op grond van zijn hoedanigheid of bijzondere vaardigheden meer worden gevergd op het vlak van de proportionaliteit dan van een ander, waarbij de proportionaliteitseis ertoe strekt te beoordelen of het optreden niet in onredelijke verhouding staat tot het te bereiken doel.
Naar het oordeel van het hof is er sprake van een doorlopende en samenhangende situatie vanaf het moment dat [slachtoffer] buiten de [bedrijf] werd aangesproken door de verdachte, tot en met het moment binnen in het filiaal van [bedrijf] waarbij [slachtoffer] door de verdachte naar de grond werd gebracht en de verdachte boven op hem is gaan liggen. Gelet op de voortdurende weerstand van [slachtoffer] , zoals beschreven in het proces-verbaal beschrijving camerabeelden, en de bedreigingen die hij heeft geuit, is het hof gebleken van de noodzaak om de situatie, door middel van het vastpakken, vasthouden en op de grond duwen en houden van [slachtoffer] , onder controle te krijgen, om [slachtoffer] vervolgens te kunnen overdragen aan de politie. Het hof acht het daarbij door de verdachte toegepaste geweld onder de gegeven omstandigheden proportioneel. De verdachte heeft gehandeld binnen de grenzen van zijn bevoegdheid als beveiliger en heeft uitsluitend het noodzakelijke geweld toegepast om de aanhouding te verrichten en [slachtoffer] in afwachting van de komst van de politie onder controle te houden. Het hof is van oordeel dat verdachte hier gebruik heeft gemaakt van proportioneel geweld jegens [slachtoffer] . Dat verdachte bij [slachtoffer] een zogenaamde nekklem zou hebben aangelegd is het hof niet gebleken. Onder deze omstandigheden kan het handelen van de verdachte dan ook niet als wederrechtelijk worden aangemerkt. Dit betekent dat de verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.R.O. Mooy, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. A.M.A. Keulen, in tegenwoordigheid van mr. N.R.H. Marsera en mr. P.E. de Wildt griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 mei 2026.
mr. A.R.O. Mooy, mr. A.M.A. Keulen en mr. P.E. de Wildt zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]