Strafrecht overig
De verdachte is vrijgesproken van verkrachting en feitelijke aanranding. Vernietiging vonnis eerste aanleg…
Gerechtshof Amsterdam, 21 augustus 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:2347 · Gerechtshof Amsterdam · 21 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2347
Zaakgegevens
Op 21 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 21 augustus 2026
- Datum publicatie
- 21 augustus 2026
- Zaaknummer
- 23-001740-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2347
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De verdachte is vrijgesproken van verkrachting en feitelijke aanranding. Vernietiging vonnis eerste aanleg vanwege aanvullingen in het strafdossier in hoger beroep die het hof bij de beoordeling van de bewijsvraag heeft betrokken. Beslissing ten aanzien van twee voorwaardelijke verzoeken van de verdediging.
Procesgang
Rechtbank Noord-Holland · 8 juli 2025
ECLI:NL:RBNHO:2025:7944Gerechtshof Amsterdam · 21 augustus 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHAMS:2026:2347
Overig
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001740-25
datum uitspraak: 21 augustus 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 8 juli 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-358054-24 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 augustus 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, zijn raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2023 tot en met 1 juli 2023 te Heerhugowaard, gemeente Dijk en Waard, althans in Nederland met [slachtoffer] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening en/of verstandelijke handicap leed dat deze niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het brengen van een of meer vingers in de vagina van voornoemde [slachtoffer] ;
2.
hij op of omstreeks 28 juni 2023 te Heerhugowaard, gemeente Dijk en Waard, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het pakken van de hand/arm van die [slachtoffer] en/of haar hand op/om zijn, verdachtes, penis te leggen/doen en/of (vervolgens) met haar hand/arm aftrekkende bewegingen te maken en bestaande dat geweld of die feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid uit:
- het met die [slachtoffer] - die in verwarde toestand was - (bloot) onder de douche te gaan en/of
- achter die [slachtoffer] te gaan staan en/of
- ( vervolgens) onverhoeds de hand/arm van die [slachtoffer] te pakken en/of haar hand op/om zijn verdachtes penis te leggen/doen en/of
- ( vervolgens) met haar hand (die om zijn verdachtes penis zat) aftrekkende bewegingen te maken.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, vanwege aanvullingen op het strafdossier in hoger beroep die het hof bij de beoordeling van de bewijsvraag heeft betrokken.
Vordering van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering, dat hij zal meewerken aan behandeling (in overleg met de reclassering) en dat hij zal meewerken aan urinecontroles. Daarnaast heeft zij geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
Vrijspraak
De rechtbank heeft de verdachte in eerste aanleg integraal vrijgesproken.
Volgens de advocaat-generaal kan het onder feit 1 tenlastegelegde in de vorm van het meermalen seksueel binnendringen van het lichaam van een onmachtige wettig en overtuigend bewezen worden verklaard en dient de verdachte van het onder feit 2 tenlastegelegde te worden vrijgesproken.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van zowel het onder feit 1 als het onder feit 2 tenlastegelegde, nu voldoende wettig en overtuigend bewijs ontbreekt.
Feiten
Het hof stelt – voor enige context – vast dat de verdachte en de aangeefster bijna acht jaar een relatie hebben gehad en samen met hun twee kinderen in Heerhugowaard woonden. Zowel de aangeefster als de verdachte heeft verklaard dat de relatie op een gegeven moment verslechterde en meerdere keren is beëindigd. Over de datum waarop de relatie definitief is beëindigd verklaren zij verschillend. Wel staat vast dat zij op het moment van de ten laste gelegde feiten nog samen in één huis woonden en ook nog samen in één bed sliepen.
Vrijspraak feit 1
Met de raadsman is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen de verdachte onder feit 1 ten laste is gelegd, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Het in het dossier aanwezige bewijs voor de onder dit feit ten laste gelegde gedragingen (het met de vingers binnendringen van het lichaam van aangeefster door de verdachte terwijl zij sliep) – dat wil zeggen de aangifte, de opgenomen gesprekken tussen de aangeefster en de verdachte en de getuigenverklaring van [getuige] – zijn alle te herleiden tot één bron: de verdachte. Uit de verklaring van de aangeefster volgt dat zij last had van nachtmerries over misbruik door haar stiefvader in haar kinderjaren en dat de verdachte, na urenlang doorvragen door de aangeefster, heeft toegegeven dat hij (tijdens haar slaap) zijn vingers bij haar naar binnen heeft gebracht om te controleren of ze seks met een andere man had gehad. Het hof leidt hieruit af dat de aangeefster de beschuldiging van seksueel binnendringen door de verdachte tijdens haar slaap baseert op hetgeen de verdachte hierover, na een indringende ondervraging, tegen haar heeft gezegd en (vrijwel) niet op eigen bevindingen. De voor de verdachte belastende onderdelen van de getuigenverklaring van [getuige] zijn (ook) terug te voeren op hetgeen de verdachte en de aangeefster – nog steeds op basis van de bekentenis van de verdachte – tegen haar hebben gezegd.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep consistent verklaard dat hij weliswaar met zijn vingers bij de aangeefster naar binnen is geweest om te controleren of zij ook met een andere man seks had, maar dat hij dat alleen deed tijdens het ‘voorspel’ en niet terwijl zij sliep. Hij heeft naar eigen zeggen eerder toegegeven dat hij dit wel tijdens haar slaap heeft gedaan, omdat hij dacht er goed aan te doen haar niet tegen te spreken, omdat hij naar eigen zeggen wanhopig was en alles wilde doen om de relatie met de aangeefster te redden en haar niet kwijt te raken. In het licht van hetgeen de verdachte tegen de aangeefster en getuige [getuige] heeft gezegd, zijn bedenkingen bij die verklaring van de verdachte gerechtvaardigd. Dat neemt echter niet weg dat de verdachte geen overtuigende bekennende verklaring heeft afgelegd, er geen (steun)bewijs uit andere bron dan de verdachte zelf voorhanden is en de verklaring van de verdachte niet zodanig ongeloofwaardig of in strijd met de inhoud van het dossier is, dat die terzijde kan worden geschoven. Dit alles leidt tot de slotsom dat niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft gepleegd, zodat hij hiervan zal worden vrijgesproken.
Vrijspraak feit 2
Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen onder feit 2 ten laste is gelegd, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. Dit oordeel behoeft geen nadere motivering.
Beslissing over de voorwaardelijke verzoeken van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep een tweetal voorwaardelijke verzoeken gedaan, voor het geval het hof tot een bewezenverklaring komt. De raadsman heeft voor twee doeleinden verzocht een deskundige te benoemen. Ten eerste voor nader onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster. Ten tweede voor nader onderzoek naar de inhoud van de geluidsopnames. Nu het hof de verdachte zal vrijspreken van de aan hem ten laste gelegde feiten, komt het hof niet toe aan beoordeling van de verzoeken.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.329,48. De benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk in de vordering verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom niet in de vordering worden ontvangen.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.
Bepaalt dat de verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.T.C. de Vries, mr. W.S. Ludwig en mr. H.A. Stalenhoef, in tegenwoordigheid van mr. F. Kruiswijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 augustus 2026.
Mr. W.S. Ludwig is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]