Strafrecht overig
Bankhelpdeskfraude (diefstal door middel van een valse sleutel) in vereniging. (Medeplegen van) witwassen…
Gerechtshof Amsterdam, 17 september 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:2663 · Gerechtshof Amsterdam · 17 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2663
Zaakgegevens
Op 17 september 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 17 september 2026
- Datum publicatie
- 17 september 2026
- Zaaknummer
- 23-000456-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2663
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bankhelpdeskfraude (diefstal door middel van een valse sleutel) in vereniging. (Medeplegen van) witwassen. Slachtoffers op (hoge) leeftijd. Overschrijding van de redelijke termijn.
Procesgang
Rechtbank Noord-Holland · 14 februari 2024
ECLI:NL:RBNHO:2024:1424Gerechtshof Amsterdam · 17 september 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHAMS:2026:2663
Overig
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000456-24
datum uitspraak: 17 september 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 14 februari 2024 in de strafzaak onder de parketnummers 15-010107-21, 15-113964-18 (TUL) en de vordering tot herroeping van de Voorwaardelijke Invrijheidstelling (VI) (15/010107-21) tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 september 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof de bewijsoverwegingen onder 3.3.3. en 3.3.4. in het vonnis (met betrekking tot het onder 1 en 3 tenlastegelegde) zal aanvullen en die onder 3.3.5. (met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde) zal vervangen.
Aanvullende bewijsoverwegingen
Ten aanzien van het onder 1 en 3 tenlastegelegde
Onder 3.3.3. en 3.3.4. van het vonnis
In aanvulling op de feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de verdachte de persoon is die de geldopnames met de pinpas van de aangever [aangever] heeft verricht – welke conclusie door het hof wordt overgenomen –, overweegt het hof het volgende:
Dat verdachte degene is die met de pinpas van aangever [aangever] heeft gepind, leidt het hof temeer af uit het gegeven dat blijkens de camerabeelden van Cameratoezicht Alkmaar deze persoon op het moment van het opnemen van het geld om 12.06 uur in het gezelschap was van de medeverdachte [medeverdachte], terwijl de verdachte heeft verklaard dat hij – later – die dag in het gezelschap van [medeverdachte] cadeaukaarten bij de [winkel 1] heeft ingewisseld. De verdachte en zijn mededaders hadden daarenboven de cadeaukaarten, die waren aangeschaft met de pinpas van [aangever] en al waren geblokkeerd, onder zich.
Voor zover de raadsman in hoger beroep heeft betoogd dat de schoenen van de verdachte niet onderscheidend genoeg zijn, en op grond van enkel de schoenen niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de persoon is die de geldopnames met de pinpas van [aangever] heeft verricht, benadrukt het hof dat het geheel van de kleding en de gedragingen van de persoon die de geldopnames heeft verricht én de persoon in de [winkel 1] in onderlinge samenhang moet worden bezien. De verdachte heeft verklaard dat hij de persoon in de [winkel 1] is. In combinatie met de feiten en omstandigheden in het vonnis en de hiervoor vermelde aanvullingen daarop, leidt het hof, evenals de rechtbank, af dat de persoon in de [winkel 1] één en dezelfde persoon is als degene die bij de pinautomaat de geldopname heeft verricht en bij de [winkel 2] de [winkel 1] cadeaukaarten heeft aangekocht. Met andere woorden luidt de slotsom dat de verdachte de persoon is die de pintransacties met de pinpas van [aangever] heeft verricht.
De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan het onder 1 en 3 tenlastegelegde.
Vervangende bewijsoverweging
Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde
Onder 3.3.5. van het vonnis
Het hof stelt, net zoals de rechtbank, op grond van het dossier vast dat de onder de verdachte aangetroffen VVV-bonnen zijn aangeschaft met de pinpas van het slachtoffer [slachtoffer] en dat vier van deze bonnen op 20 april 2021 in de woning van de verdachte zijn aangetroffen. Het staat dus vast dat de verdachte VVV-bonnen voorhanden heeft gehad, die verkregen zijn door oplichting/diefstal met een valse sleutel. Dat de verdachte, zoals eerder op 14 oktober 2020 en onder 1 en 3 bewezen wordt geacht, zich al dan niet tezamen met anderen heeft schuldig gemaakt aan de oplichting van [slachtoffer] dan wel de VVV-bonnen heeft verkregen door middel van diefstal met valse sleutel van geldbedragen van [slachtoffer] , is niet aan hem ten laste gelegd en ook niet uit het dossier gebleken.
Uit het voorhanden hebben van deze (criminele) VVV-bonnen volgt het vermoeden dat verdachte zich aan witwassen heeft schuldig gemaakt. Op de vraag hoe hij de VVV-bonnen heeft verworven heeft de verdachte gesteld deze via [website] te hebben gekocht tegen een lagere prijs dan de intrinsieke waarde van de bonnen. Deze – in hoger beroep herhaalde – verklaring van de verdachte acht het hof niet geloofwaardig.
Ten eerste heeft de verdachte niets kunnen verklaren over de uitvoering van de [website] -transactie. Ten tweede is het onaannemelijk dat VVV-bonnen (die uit hun aard anoniem zijn) tegen een lagere prijs dan de intrinsieke waarde worden aangeboden. De verklaring van de verdachte is aldus geen weerlegging van het gegeven dat de VVV-bonnen een criminele herkomst hebben en dat de verdachte daarmee niet bekend was.
Derhalve acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat het niet anders kan zijn dan dat de VVV-bonnen onmiddellijk of middellijk afkomstig zijn uit enig misdrijf en dat de verdachte dit wist.
Oplegging van straf
De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 190 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 160 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De raadsman heeft verzocht een lagere straf op te leggen dan de rechtbank heeft gedaan, mede gelet op de bepleite vrijspraak ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde, en rekening te houden met de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal door middel van een valse sleutel. Deze diefstal heeft hij samen met een ander gepleegd en is begaan met pinpassen van ouderen, die hen op slinkse wijze afhandig zijn gemaakt. Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het (medeplegen van) witwassen van [winkel 1] - en VVV-kaarten die met afhandig gemaakte bankpassen zijn betaald. Het hof neemt het de verdachte kwalijk dat hij willens en wetens met een pinpas van een ander geld heeft opgenomen zonder stil te staan bij de gevolgen voor de slachtoffers. Hoewel niet is gebleken dat hij degene is geweest die de slachtoffers de pinpassen afhandig heeft gemaakt, heeft hij wel met deze pinpassen diverse keren grote geldbedragen opgenomen. De ouderen die hiervan slachtoffer zijn geworden waren op (hoge) leeftijd. Voor hen bestaat de impact niet alleen uit financiële schade, maar met name ook uit gevoelens van onveiligheid en wantrouwen. De verdachte heeft zich enkel laten leiden door zijn eigen financiële gewin. De verdachte heeft zelf tijdens het onderzoek ter terechtzitting beaamd dat dit ernstige delicten zijn, gepleegd tegen een meer dan gemiddeld te beschermen groep mensen uit de samenleving.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 26 augustus 2026 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt.
Het hof acht in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 210 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Gelet op het tijdsverloop vanaf de aanvang van deze strafzaak tot de huidige behandeling in hoger beroep dient bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf rekening te worden gehouden met het recht op berechting binnen een redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Naar het oordeel van het hof is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg met ongeveer tien maanden en een overschrijding in hoger beroep met ongeveer zeven maanden, terwijl die overschrijdingen niet aan de verdachte te wijten zijn. Om die reden zal het hof de op te leggen gevangenisstraf matigen tot de duur van 185 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Alhoewel de feiten geruime tijd geleden hebben plaatsgevonden, is het hof van oordeel dat gelet op de aard en de ernst van de onderhavige feiten en omstandigheden niet kan worden volstaan met een lagere gevangenisstraf, zoals door de raadsman is verzocht. Een andere modaliteit dan de hiervoor genoemde onvoorwaardelijke vrijheidsstraf acht het hof niet passend.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57, 311 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van gevangenisstraf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 185 dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Plaisier, mr. L.F. Roseval en mr. D.A.G. van Toor, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 september 2026.
Mr. Van Toor is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.