Strafrecht overig
Jeugd. Strafzaak. Voorhanden hebben balletjespistool. Bevestiging vonnis waarvan beroep m.d.v. dat het hof…
Gerechtshof Amsterdam, 22 september 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:2713 · Gerechtshof Amsterdam · 22 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2713
Zaakgegevens
Op 22 september 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 22 september 2026
- Datum publicatie
- 23 september 2026
- Zaaknummer
- 23-000497-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2713
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Jeugd. Strafzaak. Voorhanden hebben balletjespistool. Bevestiging vonnis waarvan beroep m.d.v. dat het hof t.a.v. van het bewijs een bewijsoverweging toevoegt en de strafmotivering van de rechtbank aanvult. Werkstraf 30 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 dagen jeugddetentie.
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000497-26
datum uitspraak: 22 september 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 23 februari 2026 in de strafzaak onder parketnummer 13-115800-25 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2010,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 september 2026 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis en zal dit daarom bevestigen met dien verstande dat het hof ten aanzien van het bewijs de navolgende bewijsoverweging toevoegt en de strafmotivering van de rechtbank aanvult.
Bewijsoverweging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft zij – kort gezegd – aangevoerd dat in het dossier overtuigend bewijs ontbreekt dat de verdachte het balletjespistool voorhanden heeft gehad. Gezien de ontkennende verklaring van de verdachte en de omstandigheid dat uit de verklaringen van de verbalisanten onvoldoende duidelijk wordt waar en hoe het balletjespistool precies is gevallen, vindt de verdediging de processen-verbaal niet voldoende redengevend voor een bewezenverklaring. Niet kan worden uitgesloten dat het wapen er al lag of dat de medeverdachte een tweede wapen bij zich had.
Het hof overweegt hierover als volgt.
De verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] hebben hun auto ter hoogte van het verkeerslicht voor fietsers, voor de fatbike van de verdachten geplaatst om hen te laten stoppen. Op het moment dat verbalisant [verbalisant 3] uit de auto stapte en zich kenbaar had gemaakt als politieagent zag hij dat de verdachten hem aankeken. Hierop probeerde verbalisant [verbalisant 3] de verdachte, die als bijrijder achterop de fatbike zat, vast te pakken, waarop de verdachte zich losrukte en wegrende in de richting van het Hogeboomspad. Tegelijkertijd zag de verbalisant dat de medeverdachte een u-turn maakte en over het fietspad wegfietste in de richting van het Hogeboomspad. Verbalisant [verbalisant 3] ging vervolgens te voet achter de verdachten aan. Hij zag dat de afstand tussen de medeverdachte en de verdachte groter werd, omdat de medeverdachte sneller was op de fiets.
Na ruim dertig meter hoorde verbalisant [verbalisant 3] een voorwerp op het fietspad vallen. Toen hij keek in de richting van het voorwerp zag hij een handvuurwapen gelijkend voorwerp (hierna: balletjespistool), zwart van kleur, op het fietspad vallen. De verbalisant heeft vervolgens een waarschuwingsschot gelost met zijn dienstwapen en is bij het balletjespistool blijven staan. [verbalisant 3] zag dat de verdachte bleef doorrennen en enkele meters verder door verbalisant [verbalisant 1] werd aangehouden. Het balletjespistool lag volgens verbalisant [verbalisant 3] dichter in de buurt van de verdachte dan de medeverdachte. Verbalisant [verbalisant 3] heeft verder verklaard dat de afstand tussen hem en de verdachte korter was dan de afstand tussen hem en de medeverdachte, waardoor hij de val van het balletjespistool niet had kunnen horen als dit in de buurt van de medeverdachte was geweest. Uit het verschil in afstand tussen de medeverdachte die op de fiets wegfietste en de verdachte, die er al rennend vandoor ging en zich dus dichter bij verbalisant [verbalisant 3] bevond, kon verbalisant [verbalisant 3] naar het oordeel van het hof opmaken dat het de verdachte is geweest die het balletjespistool liet vallen, dan wel dat het uit zijn kleding is gevallen.
De andersluidende verklaringen van de verdachte dat het balletjespistool wat afstand betreft tussen hem en de medeverdachte inlag zodat ook de medeverdachte het balletjespistool heeft kunnen laten vallen, dan wel dat het balletjespistool mogelijk al op het fietspad lag, acht het hof in het licht van het voorgaande niet aannemelijk. Het hof betrekt daarbij dat verbalisant [verbalisant 1] heeft opgeschreven dat hij de verdachte bij zijn aanhouding hoorde roepen: “het is nep, het is nep”. De verbalisant heeft deze verklaring van de verdachte op ambtsbelofte opgeschreven en het hof ziet geen reden om aan de verklaring van de verbalisant te twijfelen.
Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte op 7 maart 2025 het balletjespistool in Amsterdam voorhanden heeft gehad.
Aanvulling van de strafmotivering
De kinderrechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 30 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 dagen jeugddetentie.
De raadsvrouw heeft het hof – in het geval van een bewezenverklaring – verzocht om aan de verdachte een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen. Daartoe heeft zij onder meer aangevoerd dat de taakstraf waarschijnlijk niet uitvoerbaar is gelet op de omstandigheid dat de verdachte binnenkort bij zijn vader in Spanje gaat wonen. Een mogelijke omzetting van de taakstraf is niet in het belang van de verdachte. Tenslotte heeft de raadsvrouw het hof verzocht om in het voordeel van de verdachte rekening te houden met de omstandigheid dat hij zich wil richten op zijn verhuizing naar en verdere schoolgang in Spanje.
Het hof overweegt als volgt.
De zittingsvertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, mevrouw [deskundige] , heeft ter terechtzitting in hoger beroep – kort samengevat – opnieuw geadviseerd om bij een bewezenverklaring aan de verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen in de vorm van een werkstraf. De Raad is van mening dat het volledig uitvoeren van de straf een passende consequentie is voor zijn gedrag. Hoewel er nog wachtlijsten zijn in het oppakken van de taakstraffen kan er intern worden gekeken naar de executiemogelijkheden.
Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op de eerder genoemde adviezen en omstandigheden. In wat de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht over de aanstaande verhuizing van de verdachte, ziet het hof, gelet op de ernst van het feit, geen aanleiding om een andere straf op te leggen dan door de kinderrechter is opgelegd. Omdat de verdachte op de zitting in hoger beroep heeft aangegeven dat hij in de zomervakanties bij zijn moeder in Nederland zal zijn, gaat het hof ervanuit dat hij in goed overleg met de jeugdreclassering in staat zal zijn om dan de aan hem opgelegde werkstraf naar behoren uit te voeren.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. V.J.M. Goldschmeding, mr. R.A.E. van Noort, mr. A.W.T. Klappe, in tegenwoordigheid van mr. S.S.I. Jackson, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 september 2026.
Mr. V.J.M. Goldschemding is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.