Strafrecht overig

Besturen van een personenauto onder invloed van cannabis. Bespreking van een verweer tot…

Gerechtshof Amsterdam, 7 september 2026

Zaakgegevens

Op 7 september 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
7 september 2026
Datum publicatie
1 oktober 2026
Zaaknummer
23-000760-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2820
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Besturen van een personenauto onder invloed van cannabis. Bespreking van een verweer tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in het kader van de recidiveregeling ex artikel 123b WVW 1994. Oplegging van een voorwaardelijke geldboete van € 450,- en een voorwaardelijke rijontzegging van twee maanden.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-000760-25

Datum uitspraak: 7 september 2026

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 18 maart 2025 in de strafzaak onder parketnummer 96-183763-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 augustus 2026 en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 4 augustus 2023 te Zaandam, gemeente Zaanstad een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 6,6 microgram THC per liter bloed bedroeg, in elk geval een gehalte hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal om proceseconomische redenen worden vernietigd.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging wegens strijd met de beginselen van een goede procesorde, het ne bis in idem beginsel en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). Naar aanleiding van de recidiveregeling zal het rijbewijs van de verdachte bij een onherroepelijke veroordeling in de onderhavige zaak van rechtswege zijn geldigheid verliezen. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte – te weten schulden tot bijna 30.000 euro en de omstandigheid dat zijn rijbewijs noodzakelijk is voor zijn werk – maken dat de recidiveregeling tot dermate zwaarwegende, onredelijke en buitenproportionele gevolgen leidt, dat die regeling in ieder geval in dat licht bezien neerkomt op een straf (‘criminal charge’). De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte naar aanleiding van de aanhouding reeds een onderzoek naar de geschiktheid opgelegd heeft gekregen en geschikt is verklaard. Daarnaast is van belang dat inmiddels is besloten dat artikel 123b van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) zal komen te vervallen.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van schending van het ne bis in idem beginsel, omdat uit vaste jurisprudentie blijkt dat de recidiveregeling geen tweede vervolging inhoudt en dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging. Dat de recidiveregeling mogelijk wordt afgeschaft of aangepast doet daaraan niet af.

Oordeel van het hof

Beginselen van een goede procesorde en het ne bis in idem beginsel

In artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan, leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde (vgl. HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280). Zo’n uitzonderlijk geval doet zich bijvoorbeeld voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het feit dat de verdachte een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid (positief) heeft afgerond en dat bij een onherroepelijke veroordeling zijn rijbewijs op grond van artikel 123b WVW 1994 van rechtswege zal komen te vervallen, niet maakt dat sprake is van een aperte onevenredige vervolgingsbeslissing en daarmee van een vervolging in strijd met beginselen van een goede procesorde (vgl. HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:401). Daarbij merkt het hof ten overvloede op dat uit het strafblad van de verdachte en zijn toelichting daarop tijdens de zitting in hoger beroep, volgt dat hij ook op 22 november 2023 in aanraking is gekomen met de politie vanwege de verdenking van overtreding van – kort gezegd – art. 8 vijfde lid WVW 1994 en dat de verdediging desgevraagd kenbaar maakte niet te weten of het eerdere onderzoek naar de rijgeschiktheid plaatsvond naar aanleiding van dat feit, of vanwege het onderhavige feit (of beide feiten).

Het hof is bovendien van oordeel dat uit het wetsvoorstel ‘Wet verbetering aanpak rijden onder invloed’ niet voortvloeit dat thans anders zou moeten worden geoordeeld. Daarbij is van belang dat uit (de toelichting op) dit wetsvoorstel blijkt dat geen sprake is van een gewijzigd inzicht van de wetgever ter zake, maar dat de achtergrond van de aanpassing is gelegen in de bedoeling te komen tot een effectiever en eenvoudiger stelsel.

Voor zover de raadsvrouw heeft aangevoerd dat de recidiveregeling als sanctie moet worden beschouwd en dat daarom sprake is van strijd met het ne bis in idem beginsel, vindt die stelling blijkens bestendige rechtspraak van de Hoge Raad evenmin steun in het recht (vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2350). De toepassing van artikel 123b WVW 1994 is het directe gevolg van het onherroepelijk worden van een veroordeling van de verdachte voor het hieronder bewezenverklaarde feit, en houdt niet een tweede vervolging in ter zake hetzelfde feit. Van strijd met het ne bis in idem beginsel is daarom geen sprake.

Gelet op het voorgaande wordt het verweer van de raadsvrouw verworpen.

Artikel 47 van het Handvest

De verdediging heeft zich voorts beroepen op artikel 47 van het Handvest. Op grond van deze bepaling heeft eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte. Nu het gevolg van art. 123b WVW 1994 van rechtswege intreedt, en daartegen geen rechtsmiddel openstaat, is sprake van schending van het Unierecht, in het bijzonder van artikel 7 van Richtlijn 2006/126/EG van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs dat onder meer gaat over de geldigheid van rijbewijzen, aldus de raadsvrouw.

Het hof stelt voorop dat de in artikel 51, eerste lid, van het Handvest bedoelde werkingssfeer van het Handvest zich uitstrekt tot de lidstaten uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Bij (de toepassing van) artikel 123b WVW 1994 is daarvan geen sprake.

De richtlijn beoogt een op Europees niveau geharmoniseerd kader voor het rijbewijs tot stand te brengen. Zij bevat weliswaar bepalingen over de beperking, schorsing, intrekking, geldigheid en nietigverklaring van de rijbevoegdheid, maar daaruit volgt niet dat iedere nationale regeling die gevolgen heeft voor de geldigheid van een rijbewijs, uitvoering geeft aan het Unierecht. De in artikel 123b WVW 1994 neergelegde recidiveregeling valt buiten het door de richtlijn bestreken kader.

Ook uit de wetsgeschiedenis volgt niet dat artikel 123b WVW 1994 strekt tot uitvoering van Richtlijn 2006/126/EG betreffende het rijbewijs (Kamerstukken II, 2005–2006, 30 324, nr. 3). De in artikel 123b WVW 1994 neergelegde recidiveregeling is ingevoerd als een nationale regeling voor ernstige verkeersdelicten. Zij vindt haar oorsprong in het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 24 oktober 2008 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de invoering van een recidiveregeling voor ernstige verkeersdelicten (puntenstelsel). Dat de Wegenverkeerswet 1994 daarnaast bepalingen bevat die raken aan Unierechtelijke regelgeving op het terrein van het rijbewijs, brengt niet mee dat iedere regeling van de WVW 1994, en in het bijzonder artikel 123b WVW 1994, daarmee binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt.

Het verweer wordt verworpen.

Ook het beroep van de raadsvrouw op de rechtspraak over het alcoholslotprogramma slaagt niet, zoals hiervoor reed overwogen. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2350, overwogen dat die vergelijking niet opgaat, reeds omdat het bij het alcoholslotprogramma ging om de situatie waarin, nadat de verplichting tot deelname aan dat programma was opgelegd, een strafvervolging ter zake van hetzelfde feit plaatsvond, terwijl het verlies van de geldigheid van het rijbewijs op grond van artikel 123b WVW 1994 van rechtswege intreedt als rechtstreeks gevolg van het onherroepelijk worden van de tweede veroordeling.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 4 augustus 2023 te Zaandam, gemeente Zaanstad, een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 6,6 microgram THC per liter bloed bedroeg.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straffen

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 850,00 met een proeftijd van twee jaren en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De raadsvrouw heeft – indien het hof tot een bewezenverklaring komt – primair verzocht de zaak af te doen met artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en subsidiair te volstaan met een voorwaardelijke geldboete. De verdachte heeft verzocht rekening te houden met het feit dat hij nu al meer dan een jaar clean is.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft deelgenomen aan het verkeer terwijl hij onder invloed was van cannabis. Met zijn gedrag heeft de verdachte zijn eigen veiligheid, maar ook die van andere weggebruikers, in gevaar gebracht. Uit het strafblad van de verdachte van 7 augustus 2026 blijkt dat de verdachte zich eerder schuldig heeft gemaakt aan een soortgelijk feit (rijden onder invloed van alcohol, deze veroordeling is onherroepelijk geworden op 21 april 2023).

Bij het bepalen van de op te leggen straf(fen) heeft het hof gelet op straffen die doorgaans in soortgelijke zaken worden opgelegd en op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daar wordt voor het rijden onder invloed van een auto in het geval van recidive als straffencombinatie genoemd een geldboete van € 450,00 en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van twee maanden.

Het hof houdt ten voordele van de verdachte echter rekening met de het feit dat het rijbewijs van de verdachte op grond van artikel 123b WVW 1994 zijn geldigheid verliest als de veroordeling van de verdachte voor het bewezenverklaarde feit onherroepelijk wordt. Daarin ziet het hof aanleiding om in plaats van een onvoorwaardelijke geldboete, een geheel voorwaardelijke geldboete op te leggen. Daarnaast zal het hof de verdachte een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen, om hem er extra van te doordringen dat hij niet aan het verkeer deelneemt als hij (te veel) alcohol of drugs heeft gebruikt.

Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke geldboete van € 450,00 en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van twee maanden passend en geboden. Het hof ziet in hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd geen aanleiding artikel 9a Sr toe te passen dan wel te volstaan met alleen een voorwaardelijke geldboete.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 63 (oud) van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 450,00 (vierhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.F.J.M. de Werd, mr. T. de Bont en mr. J. Boksem, in tegenwoordigheid van

mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 september 2026.