Strafrecht overig
Veroordeling voor brandstichting met levensgevaar/gevaar voor goederen. Oplegging van een gevangenisstraf van…
Gerechtshof Amsterdam, 2 oktober 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:2824 · Gerechtshof Amsterdam · 2 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2824
Zaakgegevens
Op 2 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 2 oktober 2026
- Datum publicatie
- 5 oktober 2026
- Zaaknummer
- 23-001980-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2824
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling voor brandstichting met levensgevaar/gevaar voor goederen. Oplegging van een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaren en bijzondere voorwaarden.
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001980-24
datum uitspraak: 2 oktober 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 30 augustus 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-123051-24 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1973,
adres: [adres] ,
thans [PI adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 januari 2026, 18 september 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde straf, in zoverre zal het vonnis worden vernietigd, en met dien verstande dat het hof de motivering ten aanzien van de beslissing omtrent de strafbaarheid van de verdachte vervangt.
Strafbaarheid van de verdachte
De rechtbank heeft geoordeeld dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het bewezenverklaarde in zijn geheel niet kan worden toegerekend aan de verdachte.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het bewezenverklaarde in sterk verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend.
Pro Justitia rapportage
Op 8 januari 2026 is door [naam 1] , psychiater, en [naam 2] , GZ-psycholoog, gerapporteerd over de verdachte naar aanleiding van haar opname in het Pieter Baan Centrum (PBC). Zij rapporteerden het volgende.
Bij de verdachte is sprake van een ernstige depressieve stoornis met psychotische kenmerken en katatonie en daarnaast een stoornis in het gebruik van cannabis. Tijdens het verblijf in het PBC werden bij de verdachte verschijnselen van opwinding en agitatie gezien. Zij was ernstig ontremd, hyperactief, onafgestemd en impulsief. Er was voortdurend sprake van repetitief gedrag zoals perseveratie, verbigeratie en echolalie. De verdachte straalde ontreddering, wanhoop en verdriet uit, voelde zich eenzaam en ongelukkig en sprak zichzelf doorlopend devaluerend en straffend toe. De realiteitstoetsing was gestoord en er was sprake van desorganisatie in denken en gedrag. Haar denken werd gekenmerkt door stemmingscongruente wanen. Daarnaast gebruikte de verdachte jarenlang dagelijks cannabis als zelfmedicatie bij pijn en slaapproblemen. De rapporteurs concluderen dat er ook tijdens het ten laste gelegde sprake was van een psychische stoornis. Het alles overheersende ziektebeeld van de verdachte heeft de controle over haar handelen weggenomen en ontnam haar van keuzevrijheid. Zij adviseren dan ook om de verdachte het ten laste gelegde niet toe te rekenen.
Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat het aan de rechter is voorbehouden om een oordeel te vellen over de toerekenbaarheid van het strafbare feit aan de verdachte. De rechter kan zich daarbij laten voorlichten door deskundigen, maar is niet gebonden aan de door deskundigen uitgebrachte adviezen. Aan de strafrechter komt daarmee een zekere beoordelingsvrijheid toe bij het waarderen van de adviezen en het maken van een selectie uit die adviezen.
Het hof stelt op basis van het rapport van de onderzoekers op het standpunt dat er bij de verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens en dat deze stoornis ook ten tijde van het ten laste gelegde bestond. Aannemelijk is geworden dat er een causaal verband is tussen de stoornis en het strafbare feit.
Om ontoerekeningsvatbaarheid aan te kunnen nemen is de vaststelling vereist dat de ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling zodanig is dat zij aan toerekening van het strafbare feit aan de dader in de weg staan. Uit de rechtspraak kan worden afgeleid dat daarvoor als beoordelingsstandaard gehanteerd kan worden of de verdachte door een psychische stoornis of gebrekkige ontwikkeling de strekking, de wettelijke en morele ongeoorloofdheid en/of context van zijn gedraging(en) niet heeft (kunnen) begrijpen, dan wel niet in staat was om overeenkomstig dat begrip zijn wil te vormen. Deze beoordelingsstandaard behelst aldus een cognitief en een volitief element. Het cognitieve onderdeel ziet op het ontbreken van een bepaald begrip van de wederrechtelijkheid en de morele ongeoorloofdheid van de handeling respectievelijk van de handeling op zichzelf of de context ervan, terwijl het volitieve element betrekking heeft op een aangetaste wilsfunctie. Alleen als de stoornis van de verdachte tot gevolg heeft dat hij de wederrechtelijkheid en de morele ongeoorloofdheid van het feit niet kan begrijpen of, als hij die wederrechtelijkheid en die morele ongeoorloofdheid wél begrijpt maar niet in overeenstemming met dat besef kán handelen, kan ontoerekeningsvatbaarheid aan de orde zijn. ).
Bij de rechter-commissaris op 11 april 2024 heeft de verdachte de volgende verklaring afgelegd:
“Vorige keer hadden we ook brand in ons huis en ik wilde nu kijken hoe snel dat dekentje in brand zou gaan. […] Ik keek alleen hoe snel het zou gaan en ik ging het daarna doven. Ik heb het zelf gedoofd.”
Ter terechtzitting bij de rechtbank op 16 augustus 2024 heeft de verdachte de volgende verklaring afgelegd:
“Door een kortsluiting was er in januari een brand in ons huis, namelijk in de slaapkamer van mijn dochter. Op 9 april had ik een aansteker en ik wilde kijken hoe snel ik een brand aan een dekentje kon stoppen. Hoe snel ik dat uit kon krijgen. […] Ik heb het dekentje gedoofd. [..] Daarna heb ik voor een tweede keer geprobeerd hoe snel ik de brand van het dekentje kon doven.”
Het hof stelt op grond van de hierboven weergegeven verklaringen van de verdachte vast dat zij voor, tijdens en na het delict de strekking, de wettelijke en de morele ongeoorloofdheid en de context van haar gedragingen in ieder geval tot op zekere hoogte heeft kunnen begrijpen en ook tot op zekere hoogte in staat was om overeenkomstig dat begrip haar wil te vormen. Deze omstandigheden maken dat het hof het advies van de deskundigen om het feit geheel niet aan de verdachte toe te rekenen, niet zal volgen.
Het hof concludeert dat handelen van verdachte weliswaar in overwegende mate, maar niet volledig werd bepaald door haar stoornis en dat gelet daarop het bewezenverklaarde in sterk verminderde mate aan de verdachte is toe te rekenen. Die conclusie heef tot gevolg dat de verdachte wel strafbaar is, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid volledig uitsluiten.
Oplegging van straf
De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging en dat aan haar de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden (tbs voorwaarden) zal worden opgelegd.
De raadsvrouw heeft het hof verzocht om een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft brand gesticht in haar eigen woning, door met een aansteker vuur in aanraking te brengen met een deken. Dankzij het ingrijpen van haar dochter is de brand niet overgeslagen naar andere goederen in de woning en zijn er geen andere mensen gewond geraakt. Brandstichting is een zeer ernstig en gevaarlijk feit. Naast forse materiële schade kan een brand grote impact hebben op betrokkenen en omwonenden. Een brand is vaak oncontroleerbaar en de gevolgen daarvan zijn daarom onvoorspelbaar en niet zelden ook onbeheersbaar. Zonder het ingrijpen van haar dochter had het heel anders kunnen aflopen.
Persoonlijke omstandigheden
Het hof heeft kennisgenomen van het eerder genoemde rapport, waarin de onderzoekers over het recidiverisico opmerken dat bij staking van medicatie-inname de verdachte opnieuw gemakkelijk ernstig kan ontregelen en dat er een grote kans is dat dit zal leiden tot herhaling van feiten zoals ten laste gelegd. Om het recidiverisico te beperken achten rapporteurs continuering van de behandeling in een klinische setting noodzakelijk. Hoewel de verdachte geen uitgebreide voorgeschiedenis van delictgedrag kent en haar psychiatrische klachten goed behandelbaar zijn binnen de reguliere ggz, is het beeld dermate ernstig dat het gespecialiseerde behandeling behoeft om het recidiverisico te verlagen. Zij adviseerden om de verdachte zo spoedig mogelijk over te plaatsen naar een forensische kliniek om met de behandeling te starten. Onderzoekers adviseren om de behandeling vorm te geven binnen het kader van een tbs met voorwaarden.
Op 6 maart 2026 heeft de reclassering een maatregelenrapport uitgebracht en positief geadviseerd over tbs met de in dat rapport opgenomen voorwaarden en adviseert om deze dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De verdachte heeft zich bereid verklaard aan de voorwaarden mee te werken.
Op 8 juni 2026 heeft het hof de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst zodat zij kon worden opgenomen in de FPK Inforsa te Amsterdam.
Op 1 september 2026 heeft de reclassering in een nader rapport omschreven dat de verdachte zich in de kliniek goed inzet en dat de behandeling goed gestart is. Volgens de behandelaren werkt de verdachte goed mee aan de behandeling, draait zij me in de dagstructuur van de afdeling en neemt zij deel aan de groepsmomenten en de corveetaken. Zij deelt haar gedachten en gevoelens met de begeleiding en staat open voor adviezen. Uit een afgenomen risicoanalyse komt naar voren dat het recidiverisico in zorg op laag en het recidiverisico uit zorg op matig wordt ingeschat. Verder is begonnen met het afbouwen van medicatie, wat goed verloopt. Over het algemeen is zij medicatietrouw, maar soms moet ze herinnerd worden aan haar medicatie. Daarnaast is groei waargenomen in het ziekte-inzicht en is het psychiatrisch toestandsbeeld stabiel. Het behandelteam sluit niet uit dat ambulante behandeling binnen de reguliere psychiatrie voldoende is.
Op de terechtzitting in hoger beroep van 18 september 2026 heeft de reclasseringsmedewerkster bovenstaande bevindingen bevestigd en toegelicht dat zij een grote vooruitgang bij de verdachte heeft waargenomen. Wel acht zij de genoemde voorwaarden uit het rapport van 6 maart 2026 nog geïndiceerd. Op de vraag of de voorwaarden ook in het kader van bijzondere voorwaarden opgelegd zouden kunnen worden, antwoordde zij bevestigend. Haar daarnaar gevraagd gaf zij aan dat aan een eventuele voorwaardelijke straf een lange proeftijd, te weten voor de duur van 5 jaar, dient te worden gekoppeld.
Geen tbs
Het hof ziet in de vooruitgang die de verdachte in de FPK Inforsa heeft geboekt reden om af te zien van de oplegging van tbs met voorwaarden. Haar psychiatrisch toestandsbeeld is stabiel, zij is relatief medicatie-trouw en heeft stappen gemaakt in haar ziekte-inzicht. Omdat dit alles heeft geleid tot een verlaging van het recidiverisico, eist de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen en goederen niet dat de oplegging van een tbs maatregel noodzakelijk is.
Oplegging van straf
Om in voldoende mate recht te doen aan de ernst van het bewezenverklaarde feit, is naar het oordeel van het hof de oplegging van een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Daarbij houdt het hof rekening met het feit dat het hof het bewezenverklaarde de verdachte in sterk verminderde mate toerekent. Het hof ziet daarin aanleiding om een groot deel van de op te leggen gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen. Daarbij zal het hof bijzondere voorwaarden opleggen zoals in het maatregelenrapport genoemd en voor zover in dit kader mogelijk.
Dadelijk uitvoerbaar
Het hof zal de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden bevelen, omdat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een feit dat is gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Zonder onmiddellijke voortzetting van de behandeling is het hof van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Het hof baseert zich daarbij op dat wat de deskundigen in het voornoemde pro justitia rapport hebben opgenomen, te weten dat de onderzoekers inschatten dat de verdachte in de toekomst, zonder beschermende omstandigheden en intensieve zorg, met een ontbrekend ziekte-inzicht en bij staking van medicatie-inname, gemakkelijk opnieuw ernstig kan ontregelen en dat er een grote kans is dat dit zal leiden tot herhaling van feiten zoals haar thans ten laste gelegd. Het cannabisgebruik van de verdachte in het verleden is verder een risicofactor, gezien de negatieve invloed op de mentale conditie en betrokkenes neiging dit in te zetten als zelfmedicatie. Om diezelfde reden zal het hof de proeftijd op vijf jaar stellen.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaren, passend en geboden. Daarbij zal het hof bijzondere voorwaarden opleggen en bepaalt dat deze dadelijk uitvoerbaar zijn.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 9 (negen) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 5 (vijf) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
-
De veroordeelde zich na het onherroepelijk worden van dit arrest meldt bij Reclassering Nederland, en zich daarna gedurende een door de reclassering te bepalen periode, die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd en op door de reclassering te bepalen plaatsen en tijdstippen dient te blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang die instelling dat noodzakelijk acht.
-
De veroordeelde zich gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig acht onder behandeling zal stellen van de FPK Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, zulks ter bepaling door de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de huisregels en de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling zullen worden gegeven. De veroordeelde werkt mee aan een ambulant behandeltraject aansluitend aan de klinische fase. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt.
-
De veroordeelde werkt mee aan het vinden en behouden van passende huisvesting, ook als dat inhoudt beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering.
-
De veroordeelde werkt mee aan het vinden van passend werk dan wel een zinvolle dagbesteding, waarbij rekening gehouden wordt met haar draagkracht- en last.
-
De veroordeelde geeft inzage in haar financiële situatie en werkt indien door de reclassering geïndiceerd, mee aan een schuldsaneringstraject.
-
De veroordeelde gebruikt geen drugs en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.
Beveelt dat voormelde voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.R.O. Mooy, mr. A.W.T. Klappe en mr. J.F.C. Schnitzler, in tegenwoordigheid van mr. R.M. ter Horst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 oktober 2026.