Strafrecht overig
Veroordeling voor huisvredebreuk door een woning op de Waldeck Pyrmontlaan te kraken. De verdachte wordt…
Gerechtshof Amsterdam, 2 oktober 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:2828 · Gerechtshof Amsterdam · 2 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2828
Zaakgegevens
Op 2 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 2 oktober 2026
- Datum publicatie
- 5 oktober 2026
- Zaaknummer
- 23-000313-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2828
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling voor huisvredebreuk door een woning op de Waldeck Pyrmontlaan te kraken. De verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van €200,-. Ten aanzien van de daarnaast ten laste gelegde vernieling verklaart het hof de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging vanwege schending van het gelijkheidsbeginsel. Het dossier en de behandeling van de zaak hebben onvoldoende uitgewezen waarom twee verdachten niet, en zes verdachten wel zijn vervolgd voor de vernieling.
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000313-26
datum uitspraak: 2 oktober 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 februari 2026 in de strafzaak onder parketnummer 13-058056-22 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 2003,
adres: [adres 1] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting in hoger beroep van 18 september 2026 en naar aanleiding van het onderzoek op de zitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van dat wat de raadsman naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1. primair
hij op of omstreeks 5 maart 2022 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in de woning, het besloten lokaal en/of het besloten erf, aan de [adres 2] , bij [slachtoffer] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte en/of zijn mededader(s), in gebruik wederrechtelijk is/zijn binnengedrongen en/of wederrechtelijk aldaar vertoevende zich met zijn mededader(s), althans alleen, niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds heeft verwijderd;
1. subsidiair
hij op of omstreeks 5 maart 2022 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in een woning en/of gebouw gelegen aan de [adres 2] , waarvan het gebruik door de rechthebbende was beëindigd, wederrechtelijk is/zijn binnengedrongen en/of wederrechtelijk aldaar heeft vertoefd;
2.
hij op of omstreeks 5 maart 2022 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere deur(en), ra(a)m(en) en/of mu(u)r(en) en/of andere goederen in of aan het pand aan de [adres 2] , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof ten aanzien van de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging van feit 2 tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.
Ontvankelijkheid van de officier van justitie
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van feit 2. De beslissing tot het geheel niet vervolgen van twee medeverdachten voor vernieling, terwijl onder hen zelfs spuitbussen in beslag zijn genomen, kan niet los worden gezien van het wel vervolgen van verdachte en vijf andere medeverdachten. Enige onderscheidende grond is niet aantoonbaar, waardoor er sprake is van schending van het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging en/of het verbod van willekeur en/of het gelijkheidsbeginsel, aldus de raadsman.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer van de raadsman moet worden verworpen. Zij heeft daarbij verwezen naar het opportuniteitsbeginsel en de vrijheid die het Openbaar Ministerie toekomt bij de beslissing tot al dan niet vervolgen.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Feiten en omstandigheden
Op 5 maart 2022 heeft [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) aangifte gedaan van vernieling en huisvredebreuk dan wel kraken van zijn woning aan de [adres 2] in Amsterdam. [slachtoffer] was ten tijde van de verdenkingen bezig met een verbouwing van zijn woning, waardoor de woning leeg stond. Getuige [getuige] , de buurman van [slachtoffer] , stond op 5 maart 2022 voor zijn eigen woning en zag een groep van ongeveer 30 personen aan komen stormen. Een kleine groep verplaatste vervolgens de hekken die voor de woning van [slachtoffer] stonden. Volgens [getuige] betraden hierna ongeveer negen personen de woning via de zijingang. Nadat de politie ter plaatse was gekomen, zag zij dat diverse spandoeken waren bevestigd aan het pand met leuzen als ‘Niet wijken voor de rijken’ en ‘House the students squat the rich’. De politie zag ook dat vanuit de woning een persoon met groene verf twee
tekens op de gevel schilderde. Ook hoorde de politie dat uit het bewuste pand hak- en breekgeluiden kwamen. Nadat in overleg met de officier van justitie tot ontruiming was besloten, betrad de politie via een ladderwagen de vierde bouwlaag van de woning en hield vijf personen aan, waaronder verdachte. Op het dak van de woning bevonden zich nog vier personen. Deze verdachten zijn door de technische eenheid van de politie van het dak gehaald en aangehouden. Onder de medeverdachte [medeverdachte 2] zijn spuitbussen in beslag genomen. Van één van de verdachten is de identiteit nooit achterhaald, waardoor hij of zij niet is vervolgd.
Het hof leidt verder uit het dossier en het verhandelde op de zitting in hoger beroep af dat medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] beiden een strafbeschikking hebben ontvangen voor huisvredebreuk. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verzet ingesteld en is gelijktijdig met medeverdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] berecht. In hoger beroep worden deze zaken ook gelijktijdig met de zaak van de verdachte behandeld. [medeverdachte 3] heeft het eerder ingestelde verzet tegen de strafbeschikking ingetrokken. De verdachte en medeverdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] worden allen vervolgd ter zake van huisvredebreuk/kraken en vernieling. Medeverdachte [medeverdachte 2] wordt alleen vervolgd voor huisvredebreuk/kraken.
Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat de officier van justitie een ruime mate van beleidsvrijheid heeft om al dan niet tot vervolging over te gaan. De beslissing om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.
Op grond van het onderzoek op de zitting in hoger beroep is vast komen te staan dat in de zaken van de verdachte en zijn medeverdachten sprake is van eenzelfde feitencomplex. Zes van de aangehouden verdachten worden naast de beschuldiging van huisvredebreuk/kraken ook vervolgd voor vernieling, terwijl twee van de medeverdachten hier niet voor vervolgd worden. Uit het dossier volgt geen enkel verschil in gedragingen tussen de negen verdachten. Geen van de verdachten heeft een inhoudelijke verklaring afgelegd, en ook zijn er geen verklaringen van getuigen over specifieke handelingen die aan een specifieke verdachte kunnen worden toegeschreven. Naar het oordeel van het hof kan dus worden vastgesteld dat op het punt van haalbaarheid en opportuniteit sprake is van gelijksoortige gevallen. Terwijl het verschil ook niet kan worden gevonden in het wel of niet hebben van eventuele recidive, zo blijkt uit de justitiële documentatie van de verdachte en de medeverdachten.
Het verschil in de wijze van vervolging is – ook met inachtneming van het opportuniteitsbeginsel en de daarmee samenhangende discretionaire bevoegdheid van het Openbaar Ministerie – onbegrijpelijk. Daarbij betrekt het hof enerzijds dat juist bij de niet voor vernieling vervolgde verdachte spuitbussen in beslag zijn genomen, terwijl hij anderzijds vaststelt dat door de advocaat-generaal – daar specifiek naar gevraagd – geen enkele uitleg is gegeven voor de verschillen in de vervolgingsbeslissing. Feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, zijn het hof niet gebleken en door het Openbaar Ministerie dus ook niet aangevoerd.
Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van het hof dan ook niet worden gezegd dat de officier van justitie in redelijkheid tot de bestreden vervolgingsbeslissing(en) had kunnen komen. Daarmee is in onderhavige zaak sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel.
Het hof zal de officier van justitie ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde niet-ontvankelijk verklaren in zijn vervolging.
Bewijsoverweging feit 1 primair
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1 primair.
De raadsman heeft ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde betoogd dat niet kan worden bewezen dat de woning wederrechtelijk is binnengedrongen.
Het hof overweegt als volgt.
Anders dan de raadsman heeft betoogd, is het hof van oordeel dat het onder feit 1 primair tenlastegelegde kan worden bewezen. Naar het oordeel van het hof was de woning ten tijde van dit feit in gebruik bij [slachtoffer] , gelet op de verbouwing van de woning die op dat moment gaande was. Gezien de verklaring van [getuige] dat ongeveer negen personen door middel van het verplaatsen van de hekken de woning hebben betreden, in samenhang met het feit dat er daadwerkelijk negen personen zijn aangehouden in of op de woning, is het hof van oordeel dat de verdachten de woning zijn binnengedrongen.
Bewezenverklaring
Het hof acht, op basis van bovengenoemde feiten en omstandigheden, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 5 maart 2022 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen in de woning aan de [adres 2] , bij [slachtoffer] in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen.
Hetgeen onder 1 primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 400,00.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van feit 1 primair en 2 zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan huisvredebreuk. Hiermee heeft de verdachte inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van een ander. Daarnaast veroorzaken dit soort feiten een verstoring van de openbare orde en leidt dit tot gevoelens van onrust en onveiligheid bij buurtbewoners.
Het hof constateert dat de redelijke termijn in strafzaken in eerste aanleg is overschreden. Gelet op de door het hof op te leggen strafmodaliteit en de hoogte daarvan, zal het hof volstaan met constatering van de overschrijding.
Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van € 200,00 passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 30.460,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.206,15. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd.
De vordering van de benadeelde partij ziet op gestelde schade die is veroorzaakt als gevolg van het onder feit twee ten laste gelegde. Gelet op de beslissing van het hof tot niet-ontvankelijk verklaring van de officier van justitie in de vervolging van feit 2, komt het hof niet toe aan een oordeel over de vordering van de benadeelde partij. De benadeelde partij kan de vordering aanbrengen bij de burgerlijke rechter.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 47 en 138 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart de officier van justitie ter zake van het onder 2 tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 200,00 (tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van
€ 100,00 per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.W.T. Klappe, mr. A.R.O. Mooy en mr. J.F.C. Schnitzler, in tegenwoordigheid van mr. R.M. ter Horst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 oktober 2026.