Strafrecht overig
Artikel 6 WVW 1994. De verdachte heeft zich aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam gedragen…
Gerechtshof Amsterdam, 21 juli 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:2862 · Gerechtshof Amsterdam · 21 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2862
Zaakgegevens
Op 21 juli 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 21 juli 2026
- Datum publicatie
- 6 oktober 2026
- Zaaknummer
- 23-001096-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2862
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Artikel 6 WVW 1994. De verdachte heeft zich aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam gedragen. Het opgelopen letsel door het slachtoffer heeft geleid tot tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden. Het hof legt aan de verdachte een rijontzegging voor de duur van zes maanden op.
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001096-25
datum uitspraak: 21 juli 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 april 2025 in de strafzaak onder parketnummer 13-028659-24 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1962,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
7 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 25 januari 2024 te [plaats 1] , gemeente Uithoorn, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de [plaats 2] , zich zodanig, te weten zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,
waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten nekklachten, hoofdpijn en/of een hersenschudding, werd toegebracht, in elk geval zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,
bestaande dat gedrag hieruit:
verdachte heeft gereden over de [plaats 2] , gaande in de richting van de N231,
terwijl verdachte reed met een snelheid die (veel) hoger was dan de ter plaatse toegestane snelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een snelheid die (veel) te hoog was voor een veilig verkeer ter plaatse,
terwijl voor verdachte een voertuig reed, te weten het voertuig dat bestuurd werd door voornoemde [slachtoffer] ,
verdachte heeft niet of in onvoldoende mate gelet op het direct voor hem gelegen weggedeelte van die [plaats 2] en/of verdachte heeft de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig, in strijd met het gestelde in artikel 19 van Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, niet zodanig geregeld dat hij, verdachte in staat was dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die [plaats 2] kon overzien en waarover deze vrij was,
verdachte is (vervolgens) tegen [slachtoffer] , aangereden en en/of aangebotst, althans met die [slachtoffer] in botsing gekomen,
ten gevolge waarvan die [slachtoffer] voren omschreven zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair
hij op of omstreeks 25 januari 2024 te [plaats 1] , gemeente Uithoorn, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de [plaats 2] , zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd
bestaande dat gedrag hieruit:
verdachte heeft gereden over de [plaats 2] , gaande in de richting van de N231,
terwijl verdachte reed met een snelheid die (veel) hoger was dan de ter plaatse toegestane snelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een snelheid die (veel) te hoog was voor een veilig verkeer ter plaatse,
terwijl voor verdachte een voertuig reed, te weten het voertuig dat bestuurd werd door voornoemde [slachtoffer] ,
verdachte heeft niet of in onvoldoende mate gelet op het direct voor hem gelegen weggedeelte van die [plaats 2] en/of verdachte heeft de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig, in strijd met het gestelde in artikel 19 van Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, niet zodanig geregeld dat hij, verdachte in staat was dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die [plaats 2] kon overzien en waarover deze vrij was,
verdachte is (vervolgens) tegen [slachtoffer] , aangereden en en/of aangebotst, althans met die [slachtoffer] in botsing gekomen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.
Bewijsoverweging
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Volgens de advocaat-generaal heeft de verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam gedragen, waardoor een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Als gevolg van dit ongeval heeft het slachtoffer lichamelijk letsel opgelopen, dat weliswaar niet kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel, maar wel heeft geleid tot tijdelijke ziekte en verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. Daartoe heeft hij – kort gezegd – aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat het slachtoffer zodanig letsel heeft opgelopen dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel dan wel van lichamelijk letsel waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. De raadsman heeft in dat verband gesteld dat er geen hersenschudding is gediagnosticeerd en dat enkel nek- en hoofdpijn onvoldoende is om aan de drempel van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) te voldoen. De in hoger beroep gevoegde stukken brengen daarin volgens de raadsman geen verandering. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte schuld in de zin van artikel 6 WVW heeft gehad aan het verkeersongeval. Volgens de raadsman is de enkele overschrijding van de maximumsnelheid met 32 kilometer per uur, gelet op de aard en de concrete ernst daarvan, onvoldoende om te kunnen spreken van de voor artikel 6 WVW vereiste mate van schuld. Ook bezien in samenhang met het niet tijdig remmen door de verdachte, kan volgens de raadsman niet worden vastgesteld dat sprake is van schuld in de zin van voornoemd artikel.
Het hof overweegt als volgt.
Schuld
Bij de vraag of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW komt het aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet valt in zijn algemeenheid aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van aanmerkelijke onoplettendheid en/of onachtzaamheid en dus van schuld ex artikel 6 WVW. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan.
Vaststaat dat de verdachte op 25 januari 2024 in een zeer geëmotioneerde toestand in zijn auto is gestapt, nadat hij van zijn huisarts te horen had gekregen dat bepaalde medicatie niet langer zou worden voorgeschreven. Tijdens de rit heeft de verdachte, naar eigen zeggen, meermalen gas gegeven en vervolgens weer afgeremd. Daarbij heeft hij de voor hem rijdende auto van het slachtoffer niet tijdig opgemerkt. Toen hij die auto alsnog zag, heeft hij nog geprobeerd te remmen, maar kon hij een aanrijding met de achterzijde daarvan niet meer voorkomen. Uit het (herzien) rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 14 juli 2025 volgt dat de ‘botssnelheid’ tussen de 82 en 111 km/u heeft gelegen, terwijl ter plaatse een maximumsnelheid van 50 km/u gold. Uit ditzelfde rapport volgt dat het slachtoffer vlak voor de botsing 50 km/u reed.
Het hof is van oordeel dat de verdachte zich onder deze omstandigheden aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gedragen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verdachte, terwijl hij zich in een zeer geëmotioneerde toestand bevond, met een aanzienlijk hogere snelheid heeft gereden dan was toegestaan, meermalen heeft geaccelereerd en afgeremd en onvoldoende aandacht heeft gehad voor de verkeerssituatie vóór hem, waardoor hij de voor hem rijdende auto niet tijdig heeft opgemerkt. Deze gedragingen, in onderling verband en samenhang bezien, leveren schuld op in de zin van artikel 6 WVW.
Letsel
Vervolgens komt de vraag aan de orde of het letsel als zwaar lichamelijk letsel, dan wel als tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden moet worden aangemerkt. Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat op basis van de voorhanden zijnde gegevens niet met een voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel zoals bedoeld in artikel 6 WVW. Wel is het hof van oordeel dat het opgelopen letsel heeft geleid tot tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat uit de bewijsmiddelen volgt dat het slachtoffer ten gevolge van het opgelopen letsel (waaronder een hersenschudding) haar werkzaamheden pas ongeveer twee maanden na het ongeval gedeeltelijk heeft kunnen hervatten, deze vervolgens geleidelijk heeft opgebouwd en pas in september 2024 weer volledig heeft kunnen verrichten. Het hof acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat het letsel heeft geleid tot tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.
Het hof komt dan ook tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
primair
hij op 25 januari 2024 te [plaats 1] , gemeente Uithoorn, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de [plaats 2] , zich zodanig, te weten aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,
bestaande dat gedrag hieruit:
verdachte heeft gereden over de [plaats 2] , gaande in de richting van de N231,
terwijl verdachte reed met een snelheid die veel hoger was dan de ter plaatse toegestane snelheid van 50 kilometer per uur,
terwijl voor verdachte een voertuig reed, te weten het voertuig dat bestuurd werd door voornoemde [slachtoffer] ,
verdachte heeft in onvoldoende mate gelet op het direct voor hem gelegen weggedeelte van die [plaats 2] en verdachte heeft de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig, in strijd met het gestelde in artikel 19 van Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, niet zodanig geregeld dat hij, verdachte, in staat was dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die [plaats 2] kon overzien en waarover deze vrij was,
verdachte is vervolgens tegen [slachtoffer] aangereden
ten gevolge waarvan die [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het primair bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg subsidiair bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 1.000,00, te vervangen door 20 dagen hechtenis en met aftrek van voorarrest. Daarnaast is aan de verdachte een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 1 jaar.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden, met aftrek van de tijd waarin het rijbewijs reeds ingevorderd is geweest.
De raadsman heeft het hof verzocht om, in geval van een veroordeling, aansluiting te zoeken bij de eis van de advocaat-generaal.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zicht schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 6 WVW. De verdachte was in de periode van de aanrijding al geruime tijd depressief, had zware rugklachten en was afhankelijk van medicatie. Toen hij telefonisch van zijn huisarts te horen kreeg dat hij een bepaald medicijn niet langer voorgeschreven kreeg, was de verdachte radeloos, boos, verdrietig en in de war. Er spookten serieuze zelfmoordgedachten door zijn hoofd. De verdachte besloot naar zijn echtgenote te rijden. Hij is hevig geëmotioneerd in zijn auto gestapt, heeft veel te hard gereden (minstens 82 km/u op een weg waar 50 km/u was toegestaan) en is vervolgens op zijn rijdende voorganger geklapt.
Het slachtoffer heeft het er gelukkig levend vanaf gebracht, maar de gevolgen zijn desalniettemin zeer groot voor haar en haar naasten. Op indringende wijze heeft zij op zitting in hoger beroep uitgelegd dat zij nog altijd – ruim 2,5 jaar na de aanrijding – last heeft van de gevolgen. Ze kampt nog steeds met klachten ten gevolge van de hersenschudding die zij heeft opgelopen. Op momenten dat zij moe is, heeft zij last van lichtflitsen. Het slachtoffer verwacht niet dat dit in de toekomst nog zal verbeteren. Ook heeft zij een aantal maanden niet (volledig) kunnen werken en loopt zij op lange werkdagen eerder tegen haar grenzen aan. De gevolgen strekken zich ook uit naar haar gezinsleven, zowel in praktische als emotionele zin. Zo kost het huishouden en de zorg voor haar kinderen haar veel meer planning en moeite. Daarnaast heeft de aanrijding binnen haar gezin gezorgd voor angst dat hun moeder/partner ineens iets zou overkomen, een besef dat ook bij het slachtoffer zelf is binnengekomen. Die emoties wegen des te zwaarder, omdat haar partner en zijn kinderen hun (eerdere) partner/moeder al hebben verloren.
De verdachte heeft zich van meet af aan schuldbewust opgesteld en zich op verschillende manieren bereid getoond het slachtoffer te willen helpen en schadeloos te willen stellen. Hij neemt het zichzelf zeer kwalijk wat er is gebeurd en heeft ook op zitting zijn spijt aan het slachtoffer betuigd. Ondanks dat zijn depressiviteit na de aanrijding is verdwenen, heeft ook hij nog altijd last van de door hem veroorzaakte aanrijding en de nasleep daarvan. Hij is nog dagelijks bezig met het ongeluk en denkt veel aan de gevolgen voor het slachtoffer. De verdachte heeft 5 dagen op het politiebureau vastgezeten en heeft daarna 14 dagen in een hotel verbleven, omdat hij verkeerd had begrepen dat hij niet naar huis mocht vanwege de schorsingsvoorwaarden. Gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft de verdachte gemotiveerd en goed meegewerkt met de reclassering en een behandeling bij Family Supporters afgerond. De periode op het politiebureau, toen hij dringend psychische hulp wilde, heeft de verdachte ervaren als het diepste punt in zijn leven. Deze periode heeft flinke sporen achtergelaten; nog elke ochtend wordt hij angstig wakker met het gevoel dat hij had in de cel. Direct na de aanrijding is het rijbewijs van de verdachte ingenomen voor een periode van 6 maanden.
In de regel worden voor dit soort overtredingen van art. 6 WVW flinke straffen opgelegd. Het hof is echter van oordeel dat de bijzondere omstandigheden van het geval, zoals hiervoor geschetst, maken dat er geen meerwaarde is in het opleggen van een (extra) straf. Dit is ook het standpunt van de advocaat-generaal, die enkel de oplegging van een rijontzegging voor van 6 maanden heeft geëist. Deze periode is gelijk aan de duur van de periode dat het rijbewijs van de verdachte al was ingenomen door de officier van justitie. Het hof is van oordeel dat dit in deze zaak een passende straf is. Het hof merkt daarbij nog op dat het geen aanleiding ziet voor een deels voorwaardelijke straf. Op grond van hetgeen ter terechtzitting is besproken en blijkt uit het strafdossier – waaronder het strafblad van de verdachte –, gaat het hof ervan uit dat dit een eenmalige, zeer ernstige, misstap is geweest van de verdachte. Het hof zal al met al volstaan met de oplegging van een rijontzegging voor de duur van 6 maanden. De tijd dat het rijbewijs van de verdachte als ingevorderd is geweest, zal daarvan worden afgetrokken.
Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.
Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. T. de Bont, mr. E.J Hofstee en mr. J.F.C. Schnitzler, in tegenwoordigheid van
mr. A.C. Vermeijden, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 juli 2026.
mr. J.F.C. Schnitzler is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.