Strafrecht overig
Vrijspraak straatintimidatie. Bepaling van de straf in de zin van artikel 423, vierde lid, Wetboek van…
Gerechtshof Amsterdam, 29 september 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:2863 · Gerechtshof Amsterdam · 29 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2863
Zaakgegevens
Op 29 september 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 29 september 2026
- Datum publicatie
- 6 oktober 2026
- Zaaknummer
- 23-000374-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2863
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vrijspraak straatintimidatie. Bepaling van de straf in de zin van artikel 423, vierde lid, Wetboek van Strafvordering.
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000374-26
datum uitspraak: 29 september 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 10 februari 2026 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-221768-25 (zaak A) en 13-238437-25 (zaak B) tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2009,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting in hoger beroep van 15 september 2026 en in eerste aanleg.
De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van dat wat aan hem in zaak A onder 1 is ten laste gelegd en heeft hem veroordeeld voor dat wat in zaak A onder 2 en in zaak B aan hem ten laste is gelegd. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis en het hoger beroep bij akte beperkt tot zaak B.
Het hoger beroep is dus alleen gericht tegen de in het vonnis opgenomen beslissing ten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde.
Het voorgaande betekent dat het in zaak A bewezenverklaarde niet in hoger beroep voorligt en het hof geen oordeel geeft over de beslissingen ten aanzien van dat feit. Wel zal het hof in geval van vernietiging toepassing dienen te geven aan artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en dus een straf bepalen voor dat feit.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:
Zaak B met parketnummer 13-238437-25 :
hij op of omstreeks 3 augustus 2025 te Amsterdam in het openbaar een ander, te weten [slachtoffer], indringend seksueel heeft benaderd, door middel van een of meer opmerkingen, en/of aanrakingen op een wijze die vreesaanjagend, vernederend, kwestend en/of onterend was te achten, door die [slachtoffer] een klap tegen haar rug en/of schouder te geven en door uitlatingen naar die [slachtoffer] te maken inhoudende 'lekkerding' en/of 'hoer'.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de kinderrechter.
Vrijspraak
Het hof is van oordeel dat op basis van het procesdossier en het verhandelde ter zitting niet met de voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan dat wat hem in zaak B met parketnummer 13-238437-25 ten laste is gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
Bepaling van de straf in de zin van artikel 423, vierde lid, Wetboek van Strafvordering (Sv)
Omdat het hoger beroep enkel is gericht tegen het in zaak B tenlastegelegde, zal het hof overeenkomstig het bepaalde in het vierde lid van artikel 423 Sv de straf bepalen ten aanzien van het in zaak A, onder 2, bewezenverklaarde misdrijf, te weten het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.
De rechtbank heeft verdachte voor het in zaak A onder 2 en het in zaak B bewezenverklaarde een werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar opgelegd. Het hof bepaalt de straf voor zaak A, onder feit 2, - gelet op de strafoplegging door de rechtbank - op een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 58 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 29 dagen jeugddetentie, met een proeftijd van één jaar. Aan deze proeftijd worden, in tegenstelling tot de rechtbank had beslist bij de strafoplegging voor de zaken A en B, geen bijzondere voorwaarden gekoppeld, omdat aan de verdachte in een andere strafzaak tegen hem, die bij vonnis van 14 juli 2026 onherroepelijk is geworden, inmiddels ook al bijzondere voorwaarden zijn opgelegd.
De straf is bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte, ten tijde van het vonnis van de politierechter, en gezien de verhouding van het in zaak A, onder 2, bewezenverklaarde tot het in zaak B tenlastegelegde.
Aanvullende toepasselijke wetsartikelen
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 13-238437-25 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Bepaalt de straf voor het door de kinderrechter in zaak A onder 2 bewezenverklaarde op een werkstraf voor de duur 58 (achtenvijftig) uren subsidiair 29 (negenentwintig) dagen, en bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen, mr. A.W.T. Klappe en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 september 2026.
mr. A. Dantuma-Hieronymus en mr. S. den Hartog zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.