Strafrecht overig

Jeugdstrafrecht. Medeplegen van poging tot doodslag. Overwegingen ten aanzien van het medeplegen…

Gerechtshof Amsterdam, 8 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 8 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
8 oktober 2026
Datum publicatie
8 oktober 2026
Zaaknummer
23-000429-26
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2893
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Jeugdstrafrecht. Medeplegen van poging tot doodslag. Overwegingen ten aanzien van het medeplegen, voorwaardelijk opzet op de dood en de vordering van de benadeelde partij. Naar het oordeel van het hof levert het handelen van de verdachte en zijn mededaders (te weten het met geschoeide voet schoppen tegen het hoofd van het slachtoffer, nadat al excessief en aanhoudend geweld daartegen is uitgeoefend) mede gezien het daardoor ontstane letsel, de omstandigheden waaronder het geweld heeft plaatsgevonden en de volgorde en de samenhang van deze geweldshandelingen een aanmerkelijke kans op het dodelijk verwonden van het slachtoffer. Gelet op de uiterlijke verschijningsvormen van hun gedragingen, hebben de verdachten deze kans ook bewust aanvaard. Veroordeling tot een voorwaardelijke jeugddetentie van 4 maanden m.a. met een proeftijd van 2 jaren, een leerstraf Tools4u Verlengd (30 uren) subsidiair 15 dagen jeugddetentie en een werkstraf voor de duur van 90 uren subsidiair 45 dagen jeugddetentie. Gedeeltelijke (en hoofdelijke) toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met toepassing van de Rotterdamse schaal en de Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW. Aansprakelijkheid ouders van de verdachte. Het hof legt de schadevergoedingsmaatregel niet op, omdat de verdachte nog geen veertien jaar oud was ten tijde van het bewezenverklaarde feit.

Procesgang

  1. Rechtbank Noord-Holland · 18 februari 2026

    ECLI:NL:RBNHO:2026:3306
  2. Gerechtshof Amsterdam · 8 oktober 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHAMS:2026:2893

    Overig

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000429-26

datum uitspraak: 8 oktober 2026

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 18 februari 2026 in de strafzaak onder parketnummer 15-215941-24 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2010,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 september 2026, en overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte en zijn raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

primair
hij op of omstreeks 26 juni 2024 te Alkmaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,

- die [slachtoffer] onder dreiging van (gebruik van) een taser naar een steeg, althans een afgelegen plek, heeft meegenomen en/of

- meermaals met gebalde vuisten in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer] heeft geslagen ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen en/of

- meermalen met kracht tegen/in/op het gezicht en/of hoofd, althans het lichaam, heeft geslagen terwijl die [slachtoffer] op de grond lag en/of

- meermalen met kracht en/of met geschoeide voet tegen/in/op het gezicht en/of het hoofd, althans het lichaam, heeft geschopt en/of getrapt terwijl [slachtoffer] op de grond lag,

- ( daarbij) 'maak hem dood, sla hem dood', althans woorden van gelijke strekking, heeft geroepen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair
hij op of omstreeks 26 juni 2024 te Alkmaar tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten

- een breuk in de voor- en zijwand van de kaak(bijholte) en/of

- een breuk in de voor- en zijwand van de voorhoofdholte(s) en/of

- een breuk in de neus, heeft toegebracht,

door

- meermaals met gebalde vuisten in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd, althans het lichaam, te slaan ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen en/of

- meermalen met kracht tegen/in/op het gezicht en/of hoofd, althans het lichaam, te slaan terwijl die [slachtoffer] op de grond lag en/of

- meermalen met kracht en/of met geschoeide voet tegen/in/op het gezicht en/of het hoofd, althans het lichaam, te schoppen en/of te trappen terwijl [slachtoffer] op de grond lag;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring, alsmede een andere strafoplegging en andere beslissingen met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde medeplegen van poging tot doodslag, waarbij zij zich mede baseert op de aangifte van [slachtoffer] , de verklaring van de verdachte bij de rechter-commissaris op 5 juli 2024, de verklaringen van de medeverdachten en het onderzoek aan de telefoons. In de visie van de advocaat-generaal volgt uit het proces-verbaal van 5 juli 2024 dat de verdachte bij de rechter-commissaris heeft bekend dat hij tegen het hoofd van de aangever heeft geschopt. Gelet op de schop tegen het hoofd en de feiten en omstandigheden waaronder dit is gebeurd heeft de verdachte voorwaardelijk opzet gehad op de dood van de aangever.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft op de zitting in hoger beroep integraal vrijspraak bepleit. Daartoe heeft hij – kort samengevat – aangevoerd dat uit de verklaring van de verdachte niet blijkt dat hij de aangever tegen het hoofd heeft geschopt en dat het dossier verder onvoldoende (steun)bewijs bevat op dit punt. De verdachte heeft bij de rechter-commissaris direct verklaard dat hij de aangever tegen zijn arm heeft geschopt toen hij zijn armen om zijn hoofd hield om zijn hoofd te beschermen. In de beantwoording van de vragen die daarop volgden verwees de verdachte telkens naar die schop. Uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] blijkt verder niet expliciet wie ‘jongen 2’ is en zijn verklaring over de harde trap tegen het gelaat van de aangever wordt niet ondersteund door andere bewijsmiddelen. De verdachte heeft de aangever alleen geslagen tegen zijn schouder en tegen zijn armen geschopt. Hij had geen (voorwaardelijk) opzet op de dood van de aangever.

Oordeel van het hof

Het hof stelt voorop dat het er met de verdachte van uit gaat dat zijn verklaring bij de rechter-commissaris ten aanzien van de door hem gegeven schop niet wezenlijk anders is dan zijn latere verklaring daaromtrent bij de rechtbank. Dit neemt niet weg dat het hof, anders dan de verdediging, komt tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde medeplegen van poging tot doodslag op grond van de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Naar het oordeel van het hof zijn de verklaringen van de aangever en de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] over de aanleiding en het toegepaste geweld aannemelijk en vinden zij onder meer steun in elkaars verklaringen, de resultaten uit het onderzoek aan de telefoon van de verdachte, de processen-verbaal bevindingen camerabeelden, de verklaring van de verdachte zelf -alles in onderling verband en samenhang bezien- en de medische rapportages.

Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast.

Op 26 juni 2024 werd de aangever [slachtoffer] in de buurt van zijn sportschool in Alkmaar opgewacht en met zijn fiets klemgereden door de broer van de verdachte, [medeverdachte 4] , en medeverdachte [medeverdachte 2] . Hij werd door hen richting een nabijgelegen steeg begeleid. In deze steeg werd de aangever opgewacht door de verdachte en de overige medeverdachten, bestaande uit een groep van circa acht personen. Na een korte woordenwisseling naar aanleiding van een conflict over een video werd de aangever aangevallen en door de groep mishandeld. Hierbij werd de aangever door diverse personen uit de groep, waaronder de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 4] , meerdere malen met kracht en gebalde vuisten tegen zijn hoofd en lichaam geslagen, totdat hij op de grond viel. Toen de aangever op de grond lag werd hij door de verdachten tegen verschillende plekken van zijn lichaam geslagen en geschopt. Uit de verklaringen van de aangever en de medeverdachten blijkt dat de aangever in ieder geval meerdere malen is geschopt tegen zijn buik, armen en hoofd. De aangever kreeg vervolgens van een van de personen uit de groep een harde (voetbal)trap tegen zijn hoofd, waardoor hij stopte met huilen. Door het geweld is de aangever buiten bewustzijn geraakt. Uit de medische rapportages volgt dat de aangever meerdere botbreuken in zijn gezicht heeft opgelopen, waaronder breuken in de kaakholte aan de voor- en zijkant, breuken in de voorhoofdsholte zowel aan de voor- als achterkant, een breuk die doorloopt naar de bodem van de rechter oogkas en een gebroken neus.

Medeplegen van poging tot doodslag

Voor een bewezenverklaring van het medeplegen van poging tot doodslag is vereist dat kan worden bewezen dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten en dat de verdachte opzet heeft gehad op de dood van de aangever, ten minste in voorwaardelijke zin, inhoudende dat moet komen vast te staan dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] zou komen te overlijden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Daarbij is allereerst van belang welke geweldshandelingen aan de verdachte kunnen worden toegeschreven.

Aandeel van de verdachte

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte de aangever naar aanleiding van een eerder conflict samen met de medeverdachten heeft opgewacht in een steeg en vervolgens meermalen met kracht tegen zijn hoofd en lichaam heeft geslagen en geschopt. Hierbij was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen hem en de medeverdachten, waarbij de verdachte en zijn broer het voortouw namen en door de medeverdachten een bijdrage werd geleverd aan het geweld. Uit de analyse van de gegevens op de telefoon van de verdachte blijkt verder dat de verdachte op 27 juni 2024 in een Whatsappgesprek met medeverdachte [medeverdachte 5] heeft gesproken over (zijn aandeel in) de mishandeling. In dit gesprek werd onder meer door medeverdachte [medeverdachte 5] gezegd dat de aangever op de grond in het bloed lag en dat hijzelf, de verdachte en de medeverdachten hem ‘’echt hebben geramd’’. De verdachte zegt in dat gesprek: ‘’Ja (..) mijn hand is helemaal verneukt.’’ en ‘’ Zag je die penalty van mij. Doordat heb ik ze neus gebroken.’’ Het hof is van oordeel dat uit de voormelde opmerkingen van de verdachte kan worden afgeleid dat de verdachte de persoon is over wie de medeverdachte [medeverdachte 1] bij de politie heeft verklaard dat hij aan kwam rennen en een harde voetbaltrap gaf tegen het hoofd van de aangever.

Voorwaardelijk opzet op de dood

Vaststaat dat de verdachte de aangever met kracht tegen zijn hoofd heeft geschopt, met geschoeide voet. Deze schop kan niet geïsoleerd worden gezien. De verdachte had de aangever voorafgaand aan voormelde schop immers al samen met de medeverdachten mishandeld. Hierbij hebben de verdachten de aangever meerdere keren met kracht en gebalde vuisten tegen zijn hoofd geslagen, totdat hij op de grond viel. Terwijl hij op de grond lag hebben de verdachten hem meerdere keren met kracht met geschoeide voet tegen zijn lichaam en hoofd geschopt. De voetbaltrap ofwel ‘penalty’ die de verdachte hem tenslotte bovenop dat geweld gaf was van zodanige aard en intensiteit dat de aangever zijn bewustzijn verloor. Dat de verdachte zich er ook van bewust was dat hij met kracht tegen het hoofd van de aangever heeft geschopt kan worden afgeleid uit de omstandigheid dat hij zelf in het telefoonverkeer tegen de medeverdachte zei dat hij met ‘die penalty’ de neus van de aangever had gebroken. Het hoofd is een kwetsbaar lichaamsdeel en het is een algemene ervaringsregel dat excessief en aanhoudend geweld daartegen zoals in deze zaak door de verdachte(n) is uitgeoefend, kan leiden tot verwondingen die de dood kunnen veroorzaken.

Het hof is gelet op wat hiervoor is overwogen dan ook van oordeel dat het handelen van de verdachte en zijn medeverdachten gelet op de mate van het geweld en het daardoor ontstane letsel, de omstandigheden waaronder het geweld heeft plaatsgevonden en de volgorde en de samenhang van deze geweldshandelingen een aanmerkelijk kans op het dodelijk verwonden van de aangever met zich heeft gebracht. Uit de aard van het hiervoor vermelde handelen van de verdachte en zijn medeverdachten, volgt, naar de uiterlijke verschijningsvormen, dat zij, tezamen en in vereniging, deze aanmerkelijke kans ook bewust hebben aanvaard.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot doodslag.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair
hij op 26 juni 2024 te Alkmaar, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, - meermaals met gebalde vuisten in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer] heeft geslagen ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen en/of

- meermalen met kracht tegen/in/op het gezicht en/of hoofd, althans het lichaam, heeft geslagen terwijl die [slachtoffer] op de grond lag en/of

- meermalen met kracht en met geschoeide voet tegen/in/op het gezicht en/of het hoofd, althans het lichaam, heeft geschopt terwijl [slachtoffer] op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het primair bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straffen

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank heeft aan het voorwaardelijk strafdeel door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) geadviseerde bijzondere voorwaarden verbonden en daarnaast aan de verdachte een leerstraf Tools4U in de verlengde variant en een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van 90 uren subsidiair 45 dagen jeugddetentie opgelegd, met aftrek van het voorarrest.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren, een leerstraf Tools4U voor 30 uren en een werkstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen jeugddetentie.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft het hof – in het geval van strafoplegging – verzocht om het rapport van de Raad en het daarin gegeven advies ten aanzien van de voorwaardelijke jeugddetentie te volgen en geen bijzondere voorwaarden meer op te leggen. De raadsman heeft het hof daarnaast verzocht om géén werkstraf op te leggen en rekening te houden met het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Oordeel van het hof

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot doodslag op een destijds twaalfjarige jongen, door hem met een groep van circa acht personen op zeer gewelddadige wijze te mishandelen, terwijl hij (weerloos) op de grond lag. Door op deze wijze te handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het minderjarige slachtoffer, die daarvan tijdens de behandeling van het hoger beroep nog steeds de negatieve gevolgen ervaart. Uit de aangifte en de vordering tot schadevergoeding blijkt dat het slachtoffer in die momenten doodsangsten heeft uitgestaan en dat hij als gevolg van het excessieve geweld van de verdachte(n) naast meerdere botbreuken in zijn gezicht ook psychisch letsel heeft opgelopen. Uit het dossier, waaronder het berichtenverkeer met een van de medeverdachten, blijkt dat de verdachte zich hier geen moment om heeft bekommerd. Het hof rekent dit de verdachte aan. Wat er ook zij van de voorgeschiedenis tussen de verdachte en (de vader van) de aangever; voor het door de verdachte en zijn medeverdachten gepleegde geweld bestaat geen enkele rechtvaardiging.

De persoon van de verdachte

Het hof heeft ten aanzien van de persoon van de verdachte gelet op het strafblad van de verdachte en stelt vast dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van toepassing is.

Verder heeft het hof kennisgenomen van het advies van de Raad van 8 september 2026, waaruit blijkt dat de Raad, anders dan in januari 2026, niet langer adviseert om aan de verdachte een maatregel Toezicht en Begeleiding dan wel bijzondere voorwaarden op te leggen. Uit het advies blijkt dat sinds deze zaak geen sprake is van recidive of andere politiecontacten. De verdachte heeft goede stappen gezet in de periode voor het hoger beroep en de Raad acht het van belang dat dat hij dit voortzet en vasthoudt. Hoewel bij de ernst van het delict volgens de Raad een jeugddetentie past, acht de Raad het niet in het belang van de verdachte om daadwerkelijk naar de jeugdgevangenis te gaan. De Raad adviseert een voorwaardelijke jeugddetentie, als stok achter de deur en een taakstraf, bestaande uit een werkstraf en een leerstraf, te weten de gedragsinterventie Tools4U met ouders. De leerstraf is volgens de Raad de meest passende consequentie, omdat is gebleken dat de verdachte veel herhaling nodig heeft om aangeleerde vaardigheden toe te passen in nieuwe situaties.

De straf

Bij het bepalen van de aan de verdachte op te leggen straf heeft het hof naast de ernst van het feit en de persoon van de verdachte gelet op straffen die in vergelijkbare zaken door rechters worden opgelegd.

Het LOVS kent geen oriëntatiepunt voor een poging tot doodslag (voor minderjarigen), maar het enigszins vergelijkbare oriëntatiepunt voor een (voltooide) zware mishandeling door middel van schoppen/trappen tegen het hoofd is reeds een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 3 maanden, waarbij het hof aantekent dat de ernst van een poging tot doodslag beduidend zwaarder wordt gewogen dan die van een poging tot zware mishandeling. Het hof acht in beginsel dan ook een onvoorwaardelijke jeugddetentie passend bij een feit zoals in deze zaak. Mede gelet op het advies van de Raad is het hof echter van oordeel dat het nu niet in het belang is van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de verdachte om naar de jeugdgevangenis te gaan en zal de jeugddetentie dan ook voorwaardelijk opleggen.

Gelet op het volstrekt doelloze en agressieve handelen van onder meer de verdachte dient in de straf tot uitdrukking te komen dat dergelijk geweld volstrekt onacceptabel is.

Het hof ziet mede daarin, anders dan de verdediging, en gelet op de ernst van het feit en het aandeel van de verdachte daarin, aanleiding om daarnaast een taakstraf in de vorm van een werkstraf alsmede een leerstraf op te leggen. Hierbij weegt voor het hof mee dat de verdachte ook ter terechtzitting in hoger beroep geen (volledige) verantwoordelijkheid heeft willen nemen voor zijn handelen en geen blijk heeft gegeven van enige empathie voor het slachtoffer.

Alles afwegend acht het hof in dit geval een oplegging van een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 4 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, een leerstraf van Tools4U (Verlengd) voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen jeugddetentie en een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 90 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 45 dagen jeugddetentie, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 54.851,47, bestaande uit € 9.851,47 ter compensatie van materiële schade en € 45.000,00 ter compensatie van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 11.018,52, waarvan € 1.018,52 ter compensatie van materiële schade en € 10.000,00 ter compensatie van immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade zal worden toegewezen conform het vonnis van de rechtbank. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de advocaat-generaal onder verwijzing naar de Rotterdamse Schaal gevorderd dat de vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van € 25.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft zich – overeenkomstig zijn pleitnotities – primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in het geval van een bewezenverklaring niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat de behandeling daarvan een onevenredige belasting vormt voor het strafproces. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de vordering geheel dan wel gedeeltelijk dient te worden afgewezen, omdat de benadeelde partij (de hoogte van) de schade onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Ten aanzien van de hoogte van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsman betoogd dat de Rotterdamse Schaal zich niet leent voor toepassing in een situatie waarin nog geen sprake is van een medische eindsituatie. De uiteindelijke (hoogte van de) immateriële schadevergoeding dient in een civiele procedure te worden vastgesteld. De raadsman heeft het hof – in het geval van toewijzing – verzocht het bedrag te matigen tot het door de rechtbank toegewezen bedrag. Aangezien niet vaststaat of sprake is van blijvend (psychisch) letsel dient aansluiting te worden gezocht bij een lagere categorie van de Rotterdamse Schaal. De verhoging vanwege ernstige verwijtbaarheid dient tenslotte achterwege te blijven, omdat de ouders risicoaansprakelijk zijn en geen schuld hebben.

De gemachtigde van de benadeelde partij heeft het hof – overeenkomstig haar pleitnotities – verzocht om de vordering integraal toe te wijzen. Het gevorderde smartengeld is redelijk, gelet op de letsels en rekening houdend met de bedragen in de Rotterdamse Schaal en de Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld.

Het hof overweegt als volgt.

Materiële schade

Het hof neemt over wat door de rechtbank ten aanzien van de materiële schade is overwogen onder overweging ‘7.3 oordeel van de rechtbank’ in het vonnis waarvan beroep. Hetgeen in hoger beroep door of namens de verdachte is aangevoerd brengt het hof niet tot een ander oordeel. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 1.018,52. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen te vermeerderen met de wettelijke rente.

Immateriële schade

Het hof acht op grond van het strafdossier, de onderbouwing van de vordering door (de gemachtigde van) de benadeelde partij en het onderzoek ter terechtzitting voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat.

Artikel 6:106 aanhef en onder b, Burgerlijk Wetboek (BW) brengt mee dat de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De benadeelde heeft in de voorliggende zaak ten gevolge van de mishandeling meerdere botbreuken in zijn gezicht opgelopen en is daarnaast ook op andere wijze in zijn persoon aangetast. Het is een feit van algemene bekendheid dat delicten als deze – medeplegen van poging tot doodslag – een ernstige inbreuk maken op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer van slachtoffers en dat slachtoffers nog geruime tijd met de psychische (en lichamelijke) gevolgen daarvan te kampen kunnen hebben. Dat geldt in het bijzonder voor deze zaak, waarin het nog zeer jonge slachtoffer in verband met de aanhoudende psychische klachten EMDR-therapie heeft ondergaan en in de toekomst mogelijk nog medisch ingrijpen noodzakelijk zal zijn in verband met de neusfractuur. Daarbij komt dat het hof uit de toelichting van de gemachtigde van de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de benadeelde partij vanwege het bewezenverklaarde handelen van de verdachte niet naar buiten durft en ondanks zijn behandeling nog altijd kampt met concentratieproblemen, nachtmerries, verhoogde alertheid en gevoelens van angst en onveiligheid. Het hof is alles in samenhang bezien daarom van oordeel dat ook een immateriële schadevergoeding moet worden toegekend.

Rotterdamse Schaal

De benadeelde partij heeft een bedrag gevorderd van € 45.000,00 ter compensatie van immateriële schade. Immateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Bij het bepalen van de (omvang van de) schadevergoeding maakt het hof gebruik van de Rotterdamse Schaal en hanteert zij de door het LOVS vastgestelde Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW (rechtspraak.nl). Bij meervoudig letsel geldt de aanbeveling om het zwaarste letsel volledig mee te tellen, het in ernst tweede letsel voor 50% en om overig of verder letsel niet als percentage mee te wegen, maar dit te betrekken als factor bij de hoogte van het smartengeld.

Primair letsel (geestelijk letsel)

Het hof beschouwt het geestelijk letsel, gezien de aanhoudende psychische klachten, als het primaire letsel. Het hof heeft ten aanzien van dit letsel, anders dan (de gemachtigde van) de benadeelde partij, aansluiting gezocht bij hoofdstuk ’14.1 Geestelijk letsel algemeen’. Hoewel de huisarts een vermoeden van PTSS kan vaststellen, is het hof van oordeel dat de officiële diagnose en behandeling volgens de criteria van de DSM-5-classificatie het domein is van een gespecialiseerde (GGZ-)professional. Bij het ontbreken van een officiële PTSS-diagnose acht het hof het om die reden meer passend om aansluiting te zoeken bij hoofdstuk ‘Geestelijk letsel algemeen’ in plaats van ‘14.2 Posttraumatische stressstoornis‘. Het hof is verder van oordeel gezien de (psychische) klachten zoals die op dit moment van het slachtoffer bekend zijn, dat de klachten tussen twee categorieën in valt, te weten categorie (b) ‘ernstig’ en (c) ‘middelzwaar’. De ondergrens van de bandbreedte van categorie (c) start bij € 4.000,00 en de ondergrens van de bandbreedte van categorie (b) bij € 13.000,00. Uit de door de benadeelde partij verstrekte stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat hoewel EMDR-therapie, coaching en diverse andere vormen van hulp zijn ingezet, de benadeelde partij nog steeds last heeft van gevoelens van angst- en onveiligheid, slaapproblemen, moeilijk kunnen ontspannen, nachtmerries en concentratieproblemen. Gelet op het voorgaande acht het hof een bedrag van € 10.000,00 redelijk en billijk. Het hof heeft daarbij als relevante factoren voor de omvang van het smartengeld onder meer meegewogen de (zeer) jonge leeftijd van het slachtoffer en de weerslag van de psychische gevolgen op zijn dagelijks leven.

Secundair letsel (lichamelijk letsel)

De verschillende breuken in het gelaat van het slachtoffer beschouwt het hof als het secundaire letsel.

Hoewel het gaat om meerdere en ernstige aangezichtsbreuken, blijkt uit de brief van KNO-arts [deskundige] van 26 juni 2024 dat de breuken grotendeels in goede stand lagen en dat operatief ingrijpen niet noodzakelijk was. Uit de brief blijkt verder dat op dit moment nog niet met zekerheid kan worden gezegd of sprake zal zijn van een scheve uitgroei van de neus en of operatief ingrijpen op een later moment nodig zal zijn. Tegen die achtergrond bezien is het hof van oordeel dat het lichamelijk letsel niet goed past in één van de specifieke categorieën genoemd in hoofdstuk 9.1. ‘schedelbeschadiging’, waarbij sprake dient te zijn van blijvende misvorming of complexe breuken waarvoor operatief ingrijpen vereist is. Het hof is op basis van wat over het lichamelijk letsel van de benadeelde partij bekend is van oordeel dat ook dit letsel, tussen twee (sub)categorieën in valt, te weten categorie I en II onder (c) ‘breuken van de neus of voorkant van het hoofd gerelateerd aan de neus’. De grens van de bandbreedte van categorie (I) start bij € 2.675,00 en de ondergrens van de bandbreedte van categorie (II) start bij € 7.500,00. Op basis van het voorgaande acht het hof ten aanzien van het lichamelijk letsel in beginsel een bedrag van € 5.000,00 billijk. Na toepassing van ‘aanbeveling 5’ om dit secundaire letsel voor 50% mee te wegen, resteert een bedrag van € 2.500,00.

Het totaalbedrag komt daarmee, vóór toepassing van een verhoging op grond van de Aanbevelingen, uit op € 12.500,00 (€ 10.000,00 + € 2.500,00).

Begroting

Ten aanzien van het totale basisbedrag van € 12.500,00 past het hof de aanbeveling toe om het bedrag te verhogen met een percentage dat ligt tussen de 10 en 25 % vanwege het ernstige verwijt dat de verdachte te maken valt met betrekking tot het toebrengen van letsel aan de benadeelde partij. Het hof zal het basisbedrag verhogen met 10 % (€ 12.500,00 x 0.10 = € 1.250,00). Het hof ziet hiertoe aanleiding, omdat uit het onderzoek ter terechtzitting en het dossier is gebleken dat de verdachte de aangever opzettelijk leed heeft toegebracht en kennelijk aanvankelijk tevreden was over het door hem toegebrachte letsel, omdat hij in zijn visie nog een rekening met de aangever had te vereffenen. Het gaat hier niet zozeer om een element van vergelding, maar om de gedachte dat mensen meer leed ervaren van opzettelijk toegebracht letsel dan van letsel als gevolg van handelen dat weliswaar verwijtbaar maar niet opzettelijk is. Dit blijkt ook expliciet uit hetgeen door de advocaat-generaal naar aanleiding van het slachtoffergesprek namens de benadeelde partij naar voren is gebracht over hoe hij het een en ander heeft ervaren.

Het hof gaat evenals de rechtbank voorbij aan de - door de gemachtigde van de benadeelde partij verzochte - toepassing van de aanbeveling om bij blijvend letsel bij kinderen jonger dan veertien jaar het smartengeld met nog eens 25% te verhogen. Op basis van de thans beschikbare informatie over het letsel kan naar het oordeel van het hof ook in hoger beroep (nog) niet worden vastgesteld dat sprake is van blijvend letsel.

Gezien het voorgaande komt het hof tot een vaststelling van een bedrag van € 13.750,00. (€ 12.500,00 + € 1250,00 verwijtbaarheidsopslag). De verdachte is tot vergoeding van de hiervoor vastgestelde schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 26 juni 2024. Voor het overige is het hof van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering. In zoverre kan de benadeelde partij in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Vordering gericht tegen de ouders (van de verdachte)

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat gelet op de artikelen 6:164 en 6:169 BW en artikel 51g, lid 4 van het Wetboek van strafvordering (hierna: Sv) de ouders van de verdachte aansprakelijk zijn voor de schade die de verdachte heeft veroorzaakt, omdat de verdachte ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit nog niet de leeftijd van veertien jaren had bereikt. Het betreft hier risicoaansprakelijkheid; de ouders zijn vervangend aansprakelijk zonder gelegenheid tot disculpatie (vgl. ECLI:NL:HR:2013: BZ8170, rov. 2.3). Het hof ziet dan ook geen aanleiding om het bedrag te matigen en zal op grond van art. 361 lid 5 Sv bevelen dat de ouders van de verdachte het toegewezen schadebedrag zullen betalen aan de benadeelde partij.

Geen schadevergoedingsmaatregel

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen. De schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr kan worden opgelegd aan verdachten die ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde feit veertien jaar of ouder waren (vgl. HR 14 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5801 rov. 3.2). Nu de verdachte ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde feit 13 jaar was, zal het hof geen schadevergoedingsmaatregel opleggen. Hoewel de ouders van de verdachte (civielrechtelijk)aansprakelijk zijn voor de schade die door de verdachte is toegebracht kan aan hen de schadevergoedingsmaatregel niet worden opgelegd op grond van art. 36f Sr, omdat de wet deze mogelijkheid niet biedt. De ouders zijn immers niet als verdachten aan te merken. Het hof zal daarom geen schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Hoofdelijkheid

Het hof stelt vast dat de verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en bepaalt dat zijn ouders naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zullen zijn voor de schade.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 45, 47, 63, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 4 (vier) maanden.

Bepaalt dat de jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 90 (negentig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen jeugddetentie.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een leerstraf, zijnde het volgen van een leerproject, te weten Tools4U Verlengd, voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen jeugddetentie.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 14.768,52 (veertienduizend zevenhonderdachtenzestig euro en tweeënvijftig cent) bestaande uit € 1.018,52 (duizend achttien euro en tweeënvijftig cent) materiële schade en € 13.750,00 (dertienduizend zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de wettelijke vertegenwoordiger(s) van de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat indien en voor zover de vertegenwoordiger(s) van verdachte of zijn mededaders aan de betalingsverplichting heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 26 juni 2024.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.J. van der Wilt, mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen en mr. D. Greven, in tegenwoordigheid van mr. S.S.I. Jackson, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 oktober 2026.

Mr. C.J. van der Wilt en mr. D. Greven zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.