Strafrecht overig

Poging tot doodslag op partner en ongeboren vrucht.

Gerechtshof Amsterdam, 8 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 8 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
8 oktober 2026
Datum publicatie
12 oktober 2026
Zaaknummer
23-002757-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2903
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Poging tot doodslag op partner en ongeboren vrucht.

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002757-24

datum uitspraak: 8 oktober 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 november 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-097606-24 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum 1] 1980,

gedetineerd in [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
24 september 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en diens raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

feit 1 primair
hij op of omstreeks 19 maart 2024 te Amsterdam , in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, eenmaal of meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in en/of in de richting van het bovenlichaam, althans het lichaam, van voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 maart 2024 te Amsterdam , in elk geval in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meer steekwonden in het bovenlichaam, althans het lichaam, heeft toegebracht door: eenmaal of meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in en/of in de richting van het bovenlichaam, althans het lichaam, van voornoemde [slachtoffer] te steken;

feit 2 primair
hij op of omstreeks 19 maart 2024 te Amsterdam , in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om het ongeboren kind van [slachtoffer] , een vrucht die naar redelijkerwijs verwacht mag worden in staat was buiten het moederlichaam in leven te blijven, opzettelijk van het leven te beroven, eenmaal of meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in en/of in de richting van het bovenlichaam, althans het lichaam, van voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 maart 2024 te Amsterdam , in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om het ongeboren kind van [slachtoffer] , een vrucht die naar redelijkerwijs verwacht mag worden in staat was buiten het moederlichaam in leven te blijven, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, eenmaal of meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in en/of in de richting van het bovenlichaam, althans het lichaam, van voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waartegen beroep

Het vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot (deels) andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Bewijsoverwegingen

Inleiding

Op 19 maart 2024 werd de destijds 31 weken zwangere vrouw van de verdachte (hierna: [slachtoffer] ) door de politie met meerdere steekverwondingen in hun woning aangetroffen, nadat de verdachte zelf 112 had gebeld en had gemeld dat hij zichzelf en zijn vrouw had gestoken met een mes. De moeder van de verdachte heeft tegen de politie ter plaatse verklaard dat de verdachte ook haar had gebeld en ditzelfde had meegedeeld. De verdachte was zelf ook gewond. [slachtoffer] heeft verklaard dat de verdachte haar meermalen heeft gestoken terwijl hij onder invloed was van drugs. Hij deed volgens haar heel vreemd en wild, sprong op haar en stak haar uit het niets meermalen rond haar schouder en bovenarm, aan de
voor- en achterkant.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte – net als in eerste aanleg – verklaard zich niet meer te kunnen herinneren dat hij zijn vrouw of zichzelf heeft gestoken. Hij herinnert zich nog wel dat hij die dag in zijn auto, nadat hij deze bij zijn woning had geparkeerd, bijna een halve gram cocaïne had gerookt. In de auto werd hij al psychotisch en hoorde een piep in zijn oren. Hij is vervolgens zijn woning binnengegaan, waar hij een discussie met zijn vrouw kreeg omdat hij had gebruikt. Hij zag iemand in de woonkamer en werd hier angstig van. De verdachte herinnert zich nog dat hij in de keuken een glas water en een keukenmes heeft gepakt en is teruggegaan naar de woonkamer. Vanaf dat moment weet de verdachte niet meer wat er is gebeurd. Zijn eerstvolgende herinnering is dat hijzelf en zijn vrouw allebei gewond waren, dat hij een mes in zijn handen had en dat hij onder het bloed zat.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 en 2 primair tenlastegelegde pogingen tot doodslag op verdachtes echtgenote en hun ongeboren kind bewezen kunnen worden verklaard.

De verdediging heeft in hoger beroep geen grieven meer gericht tegen de bewezenverklaring.

Het hof oordeelt als volgt.

Feit 1, poging tot doodslag [slachtoffer]
Het hof acht net als de rechtbank de onder 1 primair tenlastegelegde poging tot doodslag op de vrouw van de verdachte bewezen.


Het hof stelt vast dat de verdachte zijn vrouw meermalen heeft gestoken. De verklaring van [slachtoffer] wordt ondersteund door het door de politie bij haar waargenomen letsel en de beschadigingen aan haar kleding. Ook wordt dit ondersteund door de verklaring van de verdachte zelf dat hij een mes in zijn handen had en de bevindingen waaruit volgt dat hij dit zelf heeft meegedeeld aan de meldkamer en zijn moeder.

Niet gebleken is dat de verdachte ook echt de bedoeling heeft gehad zijn vrouw te doden en dat hij daarop dus vol opzet had. Wel acht het hof bewezen dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij zou komen te overlijden door zijn handelen, gelet op het volgende.

Bij aankomst in de woning trof de politie naast de verdachte een mes aan. De verdachte heeft hierover verklaard dat hij dit in zijn hand had vanaf het moment dat hij weer herinneringen heeft. Er is ook geen ander mes aangetroffen. Gelet hierop concludeert het hof dat dit het mes is geweest waarmee de verdachte moet hebben gestoken. Op basis van de foto van het mes dat de verdachte heeft vastgehad, kan worden vastgesteld dat dit een scherp en puntig mes was met een lemmet van 21 centimeter lang, geschikt om diep te raken en – zoals ook is gebeurd – kleding en huid mee te doorboren. Verbalisant [naam 0] beschrijft dat [slachtoffer] meerdere steekwonden had van circa drie centimeter. In het shirt van [slachtoffer] zaten meerdere bebloede gaten, waaronder een bebloed gat vlak onder de kraag, in het borst-/halsgebied. De politie spreekt van een ‘vrij grote steekwond’ in de linkerborststreek waarvan het door de politie ter plaatse nodig werd geacht die af te plakken met ‘chest seal’. De verdachte heeft zelf ook verklaard dat hij een wond van [slachtoffer] voorafgaand aan de komst van de politie dichtgedrukt heeft. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in de hals- en borststreek vitale delen van het lichaam bevinden en ook dat veel bloedverlies uiteindelijk tot de dood kan leiden. [slachtoffer] heeft verklaard dat het leek alsof de verdachte op haar sprong en dat hij heel wild deed. Zij verweerde zich en heeft verklaard niet te weten waar hij haar anders zou hebben gestoken. Het hof concludeert dat sprake was van een hectische situatie waarbij de verdachte ongeremd handelde. Het voorgaande maakt dat de kans dat [slachtoffer] door het scherpe mes op een vitale plek en daarmee dodelijk zou worden geraakt, aanmerkelijk was. Door zo te handelen, kan het niet anders dan dat de verdachte die kans ook heeft aanvaard.

Feit 2, poging tot doodslag ongeboren kind

Het hof acht daarnaast – net als de rechtbank – de onder 2 primair tenlastegelegde poging tot doodslag op het ongeboren kind van [slachtoffer] en de verdachte bewezen.

Een ongeboren kind wordt op grond van artikel 82a van het Wetboek van Strafrecht (hierna ook: Sr) aangemerkt als ‘een ander’ die van het leven kan worden beroofd, zodra die vrucht als levensvatbaar kan worden beschouwd. Daarvan is op grond van algemene ervaringsregels in beginsel sprake bij een zwangerschapsduur vanaf 24 weken. Uit het dossier blijkt dat [slachtoffer] 31 weken zwanger was. De verdachte was van die zwangerschapsduur ook op de hoogte, hetgeen hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft bevestigd.

Ook hier concludeert het hof dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte vol opzet heeft gehad op het mogelijke overlijden van zijn ongeboren kind. De verdachte heeft verklaard dat het kind door hem juist erg gewenst was. Wel heeft hij door zijn vrouw potentieel dodelijk te verwonden, zoals hiervoor is toegelicht, ook de aanmerkelijke kans aanvaard dat hun ongeboren kind zou komen te overlijden. Het hof verwijst naar de algemene ervaringsregel dat een ongeboren kind zonder medisch ingrijpen spoedig na het overlijden van een moeder ook het leven zal laten (vgl. in dit kader ook ECLI:NL:HR:2021:1747).

Meerdaadse samenloop
Anders dan de rechtbank, is het hof van oordeel dat sprake is van twee zelfstandige vervullingen van de delictsomschrijving, nu het twee slachtoffers betreft. Daarom is geen sprake van eendaadse, maar van meerdaadse samenloop.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1 primair
hij op 19 maart 2024 te Amsterdam , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen met een mes in en in de richting van het bovenlichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2 primair
hij op 19 maart 2024 te Amsterdam , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om het ongeboren kind van [slachtoffer] , een vrucht die naar redelijkerwijs verwacht mag worden in staat was buiten het moederlichaam in leven te blijven, opzettelijk van het leven te beroven, meermalen met een mes in en in de richting van het bovenlichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen onder 1 primair en 2 primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden zoals die in de bewijsmiddelen zijn vervat in Bijlage I.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf en maatregelen

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft, rekening houdend met verminderde toerekeningsvatbaarheid, gevorderd de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 72 maanden en de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met dwangverpleging nu het herhalingsgevaar bij oplegging van TBS met voorwaarden volgens haar onvoldoende kan worden ingeperkt. Daarnaast heeft de
advocaat-generaal gevorderd dat een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) wordt opgelegd om op deze manier ook na de TBS-maatregel langdurig toezicht te kunnen realiseren.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht aan de verdachte geen TBS met dwangverpleging, maar TBS met voorwaarden opgevolgd door een GVM op te leggen en heeft daarbij gewezen op het advies van de psycholoog en psychiater. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorige maatregel van TBS met voorwaarden in januari 2023 te vroeg is beëindigd en dat de verdachte is teruggevallen omdat er toen in het geheel geen vangnet meer was. De verdediging heeft verder verzocht om de duur van de gevangenisstraf zo te bepalen dat een naadloze overgang naar een kliniek kan worden bewerkstelligd.

Oordeel van het hof

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Ernst feiten

De verdachte heeft het leven van zijn zwangere vrouw en hun ongeboren kind op het spel gezet door zijn vrouw meermalen met een mes in haar bovenlichaam te steken. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij een bijna een halve gram cocaïne heeft gerookt, terwijl hij wist dat er een grote kan zou bestaan dat hij hierdoor, zoals ook eerder is gebeurd, paranoïde zou worden en psychotisch zou ontregelen. Zo heeft de verdachte niet alleen de keuze gemaakt om cocaïne te snuiven, maar ook om dit te gaan roken, een vorm waarvan hij heeft verklaard te weten dat het ‘dan misgaat’. Om te kunnen roken had hij de benodigdheden (eerder) aangeschaft, zoals een lepel, ammoniak en aansteker. Vervolgens is hij zijn woning binnengegaan, waar zijn zwangere vrouw en ook hun tweejarige dochtertje aanwezig waren. Wat er is gebeurd, is zeer ingrijpend en beangstigend geweest. Gelukkig heeft zijn vrouw het overleefd en is hun kind gezond ter wereld gekomen. Het hof betrekt bij de ernst van het handelen van de verdachte evenwel dat de afloop ook veel ernstiger had kunnen zijn.

Recidive
Uit zijn strafblad van 7 september 2026 volgt dat de verdachte veelvuldig voor geweldsdelicten is veroordeeld, bij herhaling ook tot (deels voorwaardelijke) gevangenisstraffen. Hij kreeg eerder een maatregel van TBS met voorwaarden opgelegd voor een dubbele poging tot doodslag, welke maatregel in januari 2023 is beëindigd. Uit het vonnis in deze zaak uit 2018 volgt dat de verdachte toen onder invloed van drugs uit het niets twee willekeurige voorbijgangers op straat heeft neergestoken, met ernstig letsel tot gevolg.

Advies Pro Justitia-deskundigen
Over de verdachte is een dubbel persoonlijkheidsonderzoek opgesteld door psychiater drs. [naam 1] en psycholoog mr. drs. [naam 2] . De conclusie van de deskundigen is eensluidend: het gevaar voor herhaling wordt hoog geacht, geadviseerd wordt de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten en aan hem een maatregel van TBS met voorwaarden op te leggen, al dan niet in combinatie met een GVM.


De psycholoog heeft in zijn rapport beschreven dat de verdachte al veelvuldig is behandeld voor zijn psychische problematiek, waaronder zijn verslavingsproblematiek. In 2009 werd hij voor het eerst klinisch behandeld voor agressieregulatieproblematiek. In 2011 is hij in de Piet Roordakliniek behandeld, waarbij middelenproblematiek en een antisociale persoonlijkheidsstoornis werden vastgesteld. Na negen maanden is de verdachte toen voortijdig met de behandeling gestopt omdat hij vond dat het goed met hem ging. Hij kreeg echter al snel een ernstige terugval in middelengebruik en is toen weer in deze kliniek opgenomen, welke behandeling in januari 2013 werd afgerond. Tijdens een poliklinische vervolgbehandeling viel de verdachte weer terug in middelengebruik, maar hij bleef de behandeling volgen. In 2017 viel de verdachte weer fors terug in middelengebruik en kreeg hij een maatregel TBS met voorwaarden opgelegd, welke begin 2023 is geëindigd.

De psycholoog heeft geconcludeerd dat bij de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde sprake was van een ernstige stoornis in cocaïne- en alcoholgebruik, een psychotische stoornis door cocaïne, van beperkte intellectuele capaciteiten op het grensgebied van zwakbegaafdheid en licht verstandelijk beperkt niveau, dit alles ingebed in een persoonlijkheid met antisociale trekken. Er is sprake van realiteitsverstoringen waarbij hij paranoïde, waanachtige gedachten kan ervaren en ook visuele hallucinaties kan ontwikkelen. Dit lijkt hij alleen te ervaren in combinatie met cocaïnegebruik en met name wanneer hij cocaïne rookt. De verdachte kan dan angstig en boos worden en agressief gedrag vertonen. Met name de stoornis in cocaïnegebruik heeft doorgewerkt op zijn gedrag ten tijde van het bewezenverklaarde, maar indirect hebben ook de beperkte intellectuele capaciteiten een rol gespeeld. De psycholoog acht de verdachte niet in staat om tot langere periodes van abstinentie te komen. Ook na meerdere klinische opnames en een TBS-maatregel laat hij nog steeds in beperkte mate een doorleefd besef zien met betrekking tot zijn cocaïneverslaving. Hij kan zich, zeker zolang hij zich in een gesloten setting bevindt, ogenschijnlijk goed aan voorwaarden houden, maar intrinsiek is hij onvoldoende overtuigd van de ernst van zijn cocaïnegebruik. De behandeling dient volgens de psycholoog binnen een TBS met voorwaarden opnieuw klinisch aan te vangen en er dient in de afrondende fase met name oog te zijn voor risicomanagement en terugvalpreventie.

Ter terechtzitting heeft de psycholoog hieraan toegevoegd dat bij risicomanagement en terugvalpreventie wordt gedoeld op het mobiliseren van het netwerk van de verdachte en toezicht, zodat direct kan worden gesignaleerd dat weer sprake is van middelengebruik door een melding van bijvoorbeeld de familie, of het constateren hiervan met urinecontroles. Dit zal vermoedelijk altijd nodig blijven. TBS met dwangverpleging wordt niet geadviseerd omdat er vanuit gedragskundig oogpunt weinig meerwaarde te verwachten is van een klinische behandeling, omdat dit al vaak is geprobeerd. De problematiek kan als chronisch worden beschouwd. De meerwaarde van TBS met dwangverpleging zou dus bestaan uit beveiliging van de samenleving. De psycholoog heeft benadrukt dat de resocialisatie gezien het herhalingsgevaar in erg kleine stappen moet plaatsvinden.
De psychiater heeft in haar rapport geconcludeerd dat bij de verdachte sprake is van zwakbegaafdheid, ernstige stoornissen in het gebruik van cocaïne en alcohol en een psychotische stoornis door cocaïnegebruik. Ook is sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met resistente narcistische trekken. Er is opnieuw intensieve behandeling en begeleiding noodzakelijk. De vraag is wel of de verdachte voldoende leerbaar is gezien zijn lange verleden met hulpverlening en zijn cognitieve beperking die niet te veranderen is. Er zal een lange adem nodig zijn en er moet gewaakt worden voor schijnaanpassing. Gezien de ernst en chroniciteit van de problematiek en het hoge recidiverisico is een TBS-maatregel aangewezen. De reden dat geen TBS met dwangverpleging wordt geadviseerd maar TBS met voorwaarden, is dat niet de verwachting is dat een langdurige klinische behandeling tot gedragsverandering zal leiden. Er moet juist na een klinische start stapsgewijs worden toegewerkt naar resocialisatie, met duidelijk risicomanagement.

Op de zitting heeft de psychiater hieraan toegevoegd dat de verdachte naar verwachting weer goed zal functioneren in een klinische setting, maar vooral buiten moet laten zien dat hij kan afzien van middelengebruik. Dat hij nog eens gaat terugvallen, acht de psychiater een gegeven. Binnen de eerdere
TBS-maatregel lijkt te snel te zijn afgeschaald, omdat het goed leek te gaan met de verdachte. Bij de verdachte bestaat een risico van zelfoverschatting en – door hoe hij zich presenteert – overschatting. De psychiater verwacht dat van een kader waarbinnen de verdachte zoveel mogelijk ‘gestut’ wordt, ook voldoende preventief effect zal uitgaan, in die zin dat de verdachte toch iets minder snel aan zijn zucht naar middelen zal toegeven.

Advies reclassering
De reclassering heeft in de rapporten van 9 augustus 2024 en 27 november 2025 geconcludeerd dat sprake is van een patroon van geweldsfeiten. De reclassering ziet geen mogelijkheden om binnen het kader van een nieuwe TBS met voorwaarden te komen tot langdurige gedragsverandering en verkleining van het recidiverisico. Het ernstige verslavingsprobleem, de risicovolle thuissituatie, schijnaanpassing en het ontbreken van probleembesef spelen hierbij een rol. Zowel het sociaal wenselijke gedrag, de zwakbegaafdheid, het niet-herkennen van de antisociale persoonlijkheidsstoornis en de wil van de verdachte om snel bij zijn vrouw en kinderen terug te keren, bemoeilijken de behandeling en maken dat de verdachte mogelijk niet kan profiteren van het behandelaanbod. Het huidige, hoge gevarenrisico voor zijn familieleden en personen in het algemeen, maken dat de reclassering TBS met dwangverpleging het meest passend vindt.

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de reclassering nader toegelicht dat de verdachte gezien de hardnekkigheid van zijn problematiek en het hoge herhalingsgevaar langdurig onder intensief toezicht moet komen te staan binnen een steviger kader. De verdachte is in het verleden al op alle mogelijke manieren behandeld; enkel een behandeling in een TBS-kliniek heeft nog niet plaatsgevonden. Ook als wel snel sprake zou kunnen zijn van resocialisatie, biedt het kader van de voorwaardelijke beëindiging van de TBS-maatregel volgens de reclassering meer – noodzakelijke – waarborgen dan het kader van TBS met voorwaarden, omdat er dan in veel kleinere stappen kan worden geresocialiseerd en de voorwaardelijke beëindiging onbeperkt kan worden verlengd. De reclassering heeft er ook op gewezen dat de psycholoog en de psychiater het mobiliseren van het netwerk als kernvoorwaarde stellen, maar dat het netwerk van de verdachte daarvoor onvoldoende bereikbaar en betrouwbaar kan worden geacht en terugkeren naar zijn gezin niet aan de orde moet zijn. De reclassering acht de verdachte zelf ook onvoldoende in staat zich aan de afspraken te houden, ondanks zijn bereidheid daartoe, zodat een voorwaardelijk kader niet passend wordt gevonden.


Verminderd toerekeningsvatbaar
Het hof concludeert dat de verdachte de feiten onder invloed van een psychotisch toestandsbeeld heeft gepleegd, waarbij aannemelijk is dat zijn wil door die psychose werd bepaald. Wel acht het hof de verdachte in een bepaalde mate verantwoordelijk voor het ontstaan van die psychose, en wel door het drugsgebruik dat hiertoe heeft geleid. Zoals hiervoor omschreven concludeert het hof dat de verdachte op verschillende momenten anders had kunnen en moeten kiezen. Het drugsgebruik is gelet op wat de deskundigen daarover hebben gerapporteerd, echter ook weer deels het gevolg van zijn verslavingsstoornis en beperkte intellectuele vaardigheden, wat het voor de verdachte moeilijk maakt om weerstand te bieden aan de zucht naar drugs.

Alles afwegende concludeert het hof – net als de deskundigen – dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

Oplegging gevangenisstraf en overschrijding redelijke termijn
De ernst van de feiten en persoon van de verdachte maken dat een gevangenisstraf op zijn plaats is. Het hof legt een gevangenisstraf op die lager is dan de eis van de advocaat-generaal, gelet op de verminderde toerekeningsvatbaarheid en het feit dat er ook een TBS-maatregel zal worden opgelegd. Het hof houdt tevens rekening met een overschrijding van de redelijke termijn met ruim zes maanden in hoger beroep en ziet daarin aanleiding om in plaats van een gevangenisstraf van 4,5 jaar (54 maanden) een gevangenisstraf van 48 maanden (4 jaar) op te leggen.

Oplegging van de maatregel TBS met dwangverpleging

Het hof constateert dat de verdachte al veelvuldig, ook klinisch, is behandeld in het verleden.
Slechts ongeveer één maand nadat de vorige TBS met voorwaarden is beëindigd, is de verdachte weer cocaïne gaan gebruiken. Ook tijdens eerdere behandelingen en tijdens de vorige TBS-maatregel is er sprake geweest van terugval in cocaïnegebruik.

Uit een in hoger beroep aan het dossier toegevoegd proces-verbaal blijkt dat er een paar weken voor het bewezenverklaarde, in februari 2024, ook al door de broer van de verdachte tegen de politie is verklaard dat de verdachte die nacht zijn vrouw met een mes zou hebben bedreigd, dat de verdachte de woning vervolgens zou hebben verlaten met een hakmes, dat de broer van de verdachte vreesde voor het leven van [slachtoffer] en dat hij bang was dat de verdachte haar in de buik zou steken. Een paar weken later zou het dus ook daadwerkelijk misgaan.

Hoewel de verdachte wel degelijk blijk geeft van ziektebesef en zich ook gemotiveerd toont om zich aan voorwaarden te houden en zich te laten behandelen, moet tegelijkertijd worden geconstateerd dat vele eerdere behandeltrajecten – ook klinisch – er niet toe hebben geleid dat de verdachte niet terugvalt, met alle gevolgen van dien. Het hof concludeert dat het risico op nieuwe terugval in middelengebruik en op herhaling van een ernstig geweldsfeit hoog is en dat de problematiek die daaraan ten grondslag ligt, een complex en chronisch karakter heeft. De deskundigen hebben ter terechtzitting aangegeven dat een terugval in cocaïnegebruik bij de verdachte vermoedelijk nooit te voorkomen is, maar door toezicht en urinecontroles wel kan worden geconstateerd, waarop vervolgens kan worden ingegrepen door bijvoorbeeld een time-out in een kliniek. Het hof constateert echter dat de verdachte op 19 maart 2024 binnen zeer korte tijd na het drugsgebruik zodanig is ontregeld dat hij de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd. Dat had door een toezicht of urinecontrole niet tijdig kunnen worden voorkomen. Ook zwaarwegend acht het hof dat de reclassering, die een maatregel van TBS met voorwaarden zou moeten uitvoeren, binnen dit kader het herhalingsgevaar niet tot een aanvaardbaar risico zegt te kunnen terugdringen omdat aan de door de deskundigen geformuleerde randvoorwaarden niet kan worden voldaan.

Het hof acht het advies van de deskundigen vanuit gedragskundig oogpunt begrijpelijk, maar laat gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de recidive en de eerdere TBS met voorwaarden en klinische behandelingen die de verdachte heeft ondergaan het belang van de veiligheid van de samenleving prevaleren. Het hof acht het risico op herhaling bij oplegging van nog een maatregel van
TBS met voorwaarden onaanvaardbaar hoog. Hierbij heeft het hof mede gelet op de wetsgeschiedenis, waaruit naar voren komt dat TBS met voorwaarden kan worden opgelegd aan een verdachte bij wie het recidivegevaar weliswaar het opleggen van TBS rechtvaardigt maar die als niet te gevaarlijk moet worden beschouwd en die een betrouwbare bereidheid tot medewerking heeft getoond. Ook moet de verwachting zijn dat er geen sprake zal zijn van blijvende delictgevaarlijkheid. Indien het recidivegevaar onvoldoende afgewend kan worden door het stellen van voorwaarden dan wel wanneer verdachte zich niet bereid toont tot medewerking aan de voorwaarden of niet in staat is (bijvoorbeeld vanuit de geconstateerde stoornis) om aan de voorwaarden te voldoen, zal gekozen moeten worden voor TBS met dwangverpleging. Het hof acht de genoemde contra-indicaties hier, gelet op het voorgaande, aanwezig. Het recidivegevaar is te hoog en de verdachte kan ondanks zijn motivatie onvoldoende in staat worden geacht langere tijd abstinent te blijven, met een blijvende delictgevaarlijkheid tot gevolg. Om die reden zal het hof afwijken van het advies van de psycholoog en psychiater en zal aan de verdachte de maatregel van TBS met dwangverpleging worden opgelegd.

Aan de wettelijke criteria voor oplegging van de maatregel wordt, zoals ter terechtzitting in hoger beroep ook niet ter discussie stond, voldaan.

TBS ongemaximeerd
Het hof stelt vast dat de maatregel van TBS met dwangverpleging wordt opgelegd wegens een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en om die reden niet beperkt is tot een periode van maximaal vier jaren.

GVM
Gelet op de ernst en hardnekkigheid van de door de deskundigen als chronisch bestempelde problematiek, is het hof van oordeel dat de reële kans aanwezig is dat het recidiverisico ook na afloop van de TBS-maatregel zonder nader toezicht niet tot een aanvaardbaar niveau is teruggedrongen en dat het dus van belang is dat er langdurig maatwerk kan worden geleverd in de benodigde vorm van toezicht, bijvoorbeeld met urinecontroles. Het hof is daarom van oordeel dat het noodzakelijk is om de verdachte ook de GVM als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen. Hiermee wordt de mogelijkheid gecreëerd om de verdachte ook na de TBS-maatregel, als dat op dat moment nog nodig blijkt, onder toezicht te stellen. Het hof acht dit in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen. Aan de wettelijke criteria wordt, zoals ook niet ter discussie stond in hoger beroep, voldaan.
Resumé
Het hof acht, alles afwegende, de oplegging van een gevangenisstraf van vier jaar, de maatregel van TBS met dwangverpleging en de GVM passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 37a, 37b, 38z, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waartegen beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam , waarin zitting hadden mr. K.J. Veenstra, mr. A.C. Bijlsma en mr. M.J.A. Colijn, in tegenwoordigheid van
mr. B.K.M. Pouw, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
8 oktober 2026.

De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen

BIJLAGE I: Bewijsmiddelen


1. Een proces-verbaal van bevindingen van 19 maart 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam 5] en [naam 4] , doorgenummerde pagina’s 10 tot en met 13.


Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van voornoemde verbalisanten:

Op 19 maart 2024 kregen wij, verbalisanten, de opdracht om te gaan naar de [adres 2] ter hoogte van huisnummer [huisnummer] in [plaats] . Aldaar zou een man hebben ingebeld, dat hij zijn vrouw en zichzelf had gestoken met een mes.

Ik keek naar binnen en zag direct in de hal een vrouw liggen met steekwonden bij haar schouders en bebloede kleding. Op deze vrouw zag ik een man zitten, die de wonden probeerde dicht te houden. Ik zag direct naast de man een mes op de grond liggen. Ik zag dat het een vleesmes betrof met een zwart handvat. Ik zag dat het mes ongeveer 30 centimeter groot was.

De man bleek later te zijn, genaamd: [verdachte] , [verdachte] , geboren [geboortedatum 1] 1980 in [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ). De vrouw in de hal bleek later te zijn genaamd: [slachtoffer] , geboren [geboortedatum 2] 1991 in [geboorteplaats 2] ( [geboorteland] ).

Ik, verbalisant [naam 5] , sprak met de getuige [getuige] . Dit betrof de moeder van de verdachte [verdachte] . Ik hoorde [getuige] aan mij desgevraagd het volgende verklaren in woorden van gelijke strekking: “Ik werd gebeld door mijn zoon [verdachte] . Ik nam de telefoon op en hoorde hem zeggen dat hij zijn vriendin en zichzelf heeft neergestoken.”

2. Een proces-verbaal van bevindingen van 20 maart 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam 6] en [naam 7] , doorgenummerde pagina’s 18 tot en met 20.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als mededeling van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Wij zagen dat de vrouw bloed rond haar linkerborst had. Ik zag dat de vrouw vier steekwonden op de linkerkant van haar lichaam had. Ik zag dat de steekwonden circa drie centimeter waren.

3. Een proces-verbaal van bevindingen van 19 maart 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 8] , doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 2.


Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:

Ik zag dat het slachtoffer een vrij grote steekwond had en heb deze middels een Chestseal afgeplakt.

4. Een proces-verbaal van bevindingen van 19 maart 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam 9] en [naam 10] , doorgenummerde pagina’s 7 tot en met 8.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten:

Er is een doorzoeking gehouden in de woning. Er is in de woning één mes, waar vermoedelijk mee gestoken is, inbeslaggenomen.

5. Een proces-verbaal van bevindingen van 20 maart 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam 11] en [naam 12] , doorgenummerde pagina’s 23 tot en met 24.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van voornoemde verbalisanten en de op 20 maart 2024 tegenover voornoemde verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer] :

Op 20 maart 2024 waren wij belast met het opnemen van een verklaring van slachtoffer [slachtoffer] in het Amsterdam UMC. Wij hoorden dat [slachtoffer] het volgende vertelde: Ik ben gisteren gestoken door mijn man. Daarom lig ik nu in het ziekenhuis. Ik ben op dit moment
31 weken zwanger.

6. Een proces-verbaal van bevindingen van 17 april 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 13] , doorgenummerde pagina’s 30 tot en met 31.

Dit proces-verbaal houdt onder meer, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, in als de op 17 april 2024 tegenover voornoemde verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer] :

Op 19 maart hoorde ik de voordeur opengaan en kwam [verdachte] binnen. Hij deed heel vreemd en wild. Hij rende naar de keuken toe en pakte een mes. Hij kwam snel naar mij toe, hij rende niet, maar het leek alsof hij op mij sprong. Hij stak mij vanuit het niets 6 keer rondom mijn linkerschouder. Ik probeerde mij te verweren, daarom stak hij mij in mijn schouder. Als ik dat niet had gedaan, weet ik niet waar hij mij had gestoken.

7. Een proces-verbaal van bevindingen van 4 april 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 13] , doorgenummerde pagina’s 38 tot en met 45, inclusief fotobijlagen.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar, zakelijk weergegeven:

De bovenkleding van [slachtoffer] is onderzocht op beschadigingen als gevolg van het steken met een mes. Op de voorzijde vlak onder de kraak aan de linkerzijde, is een gat te zien. Het gat is omgeven door een bloedvlek. Op de voorzijde van de linkermouw, ter hoogte van de bovenarm, is een gat te zien. Het gat is omgeven door een bloedvlek. Op de achterzijde van de linkermouw, ter hoogte van de schouder, is een gat te zien. Het gat is omgeven door een bloedvlek.

8. Een proces-verbaal van bevindingen van 3 april 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam 14] en [naam 15] , doorgenummerde pagina’s 46 tot en met 85, inclusief fotobijlagen.

Dit proces-verbaal bevat onder meer de volgende foto:

Op de foto is een scherp en puntig mes te zien, met een lemmet van ongeveer 21 centimeter lang.

9. De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 24 september 2026.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik werd wakker met een mes in mijn hand. Ik heb met schone handdoeken haar wond dichtgedrukt.

Mijn vrouw was hoogzwanger, 31 weken. Ze had een dikke buik. Ik ging mee naar de verloskundige en naar echo’s; ik wist alles.

========================================================================

[…]