Strafrecht overig
Veroordeling voor zware mishandeling en verkrachting tot een gevangenisstraf voor de duur van 58 maanden…
Gerechtshof Amsterdam, 8 oktober 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:2931 · Gerechtshof Amsterdam · 8 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2931
Zaakgegevens
Op 8 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 8 oktober 2026
- Datum publicatie
- 13 oktober 2026
- Zaaknummer
- 23-003238-23
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2931
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling voor zware mishandeling en verkrachting tot een gevangenisstraf voor de duur van 58 maanden. Oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel. Overschrijding van de redelijke termijn. Toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003238-23
datum uitspraak: 8 oktober 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 5 december 2023 in de strafzaak onder parketnummer 15-129957-23 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum 1] 1988,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting in hoger beroep van 24 september 2026 en naar aanleiding van het onderzoek op de zitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, en van dat wat de verdachte en zijn raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis en zal dit bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde straf en maatregel en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.
Oplegging van straf en maatregel
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 subsidiair en feit 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank een vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van vijf jaar opgelegd en deze maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaard.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor de onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 65 maanden met aftrek. Ook heeft de advocaat-generaal gevorderd aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen voor de duur van twee jaar, welke dadelijk uitvoerbaar dient te worden verklaard.
De verdediging heeft betoogd dat aan de verdachte geen gevangenisstraf moet worden opgelegd die ertoe leidt dat hij opnieuw komt vast te zitten. Daarbij heeft de verdediging erop gewezen dat de voorlopige hechtenis van de verdachte hangende het hoger beroep is geschorst, dat hij beschikt over stabiele huisvesting, een goede baan heeft, en inmiddels samen is met een nieuwe partner. Verder houdt de verdachte zich aan de schorsingsvoorwaarden en is hij aangemeld voor een behandeling bij Terwille Verslavingszorg.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de zware mishandeling en verkrachting van zijn ex-vriendin. De verdachte ontplofte naar eigen zeggen, omdat hij meende dat het slachtoffer was vreemdgegaan. Hij heeft haar midden in de nacht, in een auto op een verlaten parkeerplaats volledig in elkaar geslagen en vervolgens op een gewelddadige wijze oraal en vaginaal verkracht. Het slachtoffer heeft hierdoor onder meer twee gebroken oogkassen opgelopen, zat onder de blauwe plekken, miste plukken haar, heeft twee tanden verloren en er waren meerdere hechtingen in/bij haar mond nodig. Uit de toelichting bij de vordering tot schadevergoeding volgt dat zij maanden later nog last had van sterke hoofdpijn, nog onder behandeling stond van een oogarts en nog last ondervond van de letsels aan haar mond. Het slachtoffer heeft bijna drie jaar na de mishandeling bij de raadsheer-commissaris verklaard dat zij bij haar jukbeen een ‘soort verlamming’ heeft die zelfs te zien is als zij lacht en littekens op haar lip heeft, die haar last bezorgen tijdens het eten. Daarnaast heeft de verdachte de telefoon van het slachtoffer en haar pasjes stuk gemaakt. Het slachtoffer heeft in de auto urenlang buitengewoon pijnlijke, vernederende en angstige momenten meegemaakt totdat zij - per toeval - achterin de auto werd ontdekt door politieambtenaren die de verdachte in het kader van een verkeerscontrole vroegen om zijn rijbewijs. De verdachte heeft met zijn handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer. De verdachte heeft daarbij enkel oog gehad voor zijn eigen boosheid en lustgevoelens en heeft zich op geen enkele wijze bekommerd om wat hij bij het slachtoffer heeft aangericht.
Een verkrachting is in zijn algemeenheid een uitermate traumatische gebeurtenis voor het slachtoffer, met niet zelden ernstige en langdurige psychische gevolgen. In deze zaak is dit – helaas – ook het geval, waarbij hier het slachtoffer bovendien ook nog met de fysieke gevolgen van het grove geweld heeft te kampen. Uit de toelichting bij de vordering tot schadevergoeding blijkt dat zij als gevolg van de zware mishandeling en verkrachting last had van angstklachten, slaapproblemen en stressklachten, waarvoor zij psychische hulp nodig had. Vanwege alle fysieke en psychische gevolgen heeft het slachtoffer zich ziek gemeld en werd haar arbeidscontract niet verlengd. Het slachtoffer heeft meer dan een jaar in de ziektewet gezet. De verdachte heeft geen enkele verantwoordelijkheid voor de verkrachting genomen of berouw getoond. Dit alles rekent het hof de verdachte zwaar aan.
Uit het strafblad van de verdachte volgt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor onder meer drie mishandelingen. Het hof weegt dit ten nadele van de verdachte mee bij de strafoplegging.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf ook kennisgenomen van de rapporten van de reclassering van 16 november 2023, 30 december 2025 en 21 september 2026. In het laatstgenoemde rapport schrijft de reclassering dat – in geval van een bewezenverklaring – sprake is van een delictpatroon van geweldsdelicten gepleegd onder invloed van alcohol met een toename in ernst van het delictgedrag. De reclassering adviseert om aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen en daarbij bijzondere voorwaarden te stellen, waaronder een behandeling gericht op onder meer agressiebeheersing en verslavingsproblematiek. Het hof onderschrijft het belang van een dergelijke behandeling maar zal – zoals hierna wordt toegelicht – een langere gevangenisstraf dan vier jaren opleggen, zodat het – kort gezegd – op grond van de wet niet mogelijk is om bijzondere voorwaarden te stellen. Dit neemt niet weg dat in het kader van een eventueel te verlenen voorwaardelijke invrijheidstelling in beginsel vergelijkbare voorwaarden kunnen worden gesteld.
Het hof heeft acht geslagen op de zogenoemde oriëntatiepunten. Voor een verkrachting met ernstig geweld wordt een gevangenisstraf van 48 maanden als oriëntatiepunt genoemd. Deze straf zal het hof als uitgangspunt nemen, ofschoon er in dit geval sprake is van zware mishandeling en een gewelddadige verkrachting. Het hof ziet in de hiervoor beschreven ernst van de feiten, de (totale) duur van het geweld en de verkrachting, de nog altijd voortdurende gevolgen daarvan en in het strafblad van de verdachte, redenen om tot een zwaardere straf te komen. Het hof ziet onder ogen dat dit voor de verdachte forse gevolgen kan hebben, zoals mogelijk het verlies van zijn net verkregen woning, maar is van oordeel dat een kortere gevangenisstraf dan hierna te noemen onvoldoende recht doet. Alles afwegende, is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden passend en geboden is.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) in hoger beroep is overschreden met bijna 18 maanden. Het hof neemt in aanmerking dat de verdediging aanvankelijk geen verzoek heeft gedaan om het slachtoffer als getuige te horen, waardoor de bespreking van dit verzoek en het uiteindelijke verhoor pas later konden worden ingepland. Dit had kunnen worden voorkomen als de verdediging eerder opgave had gedaan van dit verzoek. Het hof zal gelet op die omstandigheid een deel van het tijdsverloop toeschrijven aan de verdediging, voor het overige ziet het hof aanleiding om termijnoverschrijding te compenseren door de straf te verminderen met 2 maanden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Het hof zal daarnaast de maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen. Die maatregel houdt in dat de verdachte zich dient te onthouden van contact met [slachtoffer] . Het hof legt deze maatregel op ter voorkoming van het plegen van strafbare feiten, mede gelet op dat wat hiervoor is overwogen over het strafblad van de verdachte. Het hof zal de maatregel opleggen voor de duur van twee jaar. Daarbij zal het hof bepalen dat vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van een week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. Het hof ziet onvoldoende gronden om de vordering van de advocaat-generaal om de maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren toe te wijzen.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 20.764,95. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 16.662,84. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering, bestaande uit € 8.764,95 aan materiële schade en € 12.000 aan immateriële schade. De gestelde materiële schade bestaat uit zorgkosten (post 1: in totaal € 3.981,28), reiskosten, vervanging van het rijbewijs, schade aan kleding en kosten voor de aanschaf van een bril (post 2: in totaal € 91,70), vernieling van haar telefoon (post 3: € 233,97), het verlies aan arbeidsvermogen vanaf de datum van het incident tot het einde van 2023 (post 4: € 2.378,00) en het verlies aan arbeidsvermogen vanaf januari 2024 tot en met het einde van het eerste ziektejaar (post 5: € 2.080,00).
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de immateriële schade dient te worden gematigd, aangezien de verdachte zou moeten worden vrijgesproken van feit 2. Ten aanzien van de zorgkosten en het verlies aan arbeidsvermogen vanaf januari 2024 tot en met het einde van het ziektejaar heeft de raadsman verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, omdat deze een onevenredige belasting vormen voor het strafgeding, subsidiair deze slechts toe te wijzen voor deze zonder nader onderzoek eenvoudig zijn vast te stellen. Ten aanzien van de zorgkosten stelt de raadsman dat niet uit de stukken blijkt dat deze kosten niet voor vergoeding door een zorgverzekeraar in aanmerking kwamen of dat een vergelijkbare behandeling in Nederland onmogelijk was waardoor die ten laste van een zorgverzekeraar zouden kunnen worden gebracht. Ten aanzien van het verlies aan arbeidsvermogen stelt de raadsman dat niet inzichtelijk is dat het contract van de benadeelde partij zonder het incident zou worden voortgezet of dat de gestelde inkomensschade uitsluitend aan het incident kan worden toegeschreven.
Het hof stelt vast dat de benadeelde partij door het handelen van de verdachte is mishandeld en verkracht en fors letsel heeft opgelopen. Daarmee is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden.
Ten aanzien van de materiële schade overweegt het hof verder als volgt. De schadeposten 2 en 3 zijn niet door de verdediging betwist en komen het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor zodat de vordering in zoverre voor toewijzing gereed ligt.
Ten aanzien van schadepost 1, de zorgkosten, overweegt het hof dat deze schade is veroorzaakt door de verdachte en ten laste van de benadeelde partij is gekomen. De stelling dat deze ook ten laste van een (zorg)verzekeraar hadden kunnen worden gebracht, doet daaraan niet af, wat er ook zij van de juistheid van die stelling. Inhoudelijk zijn de kosten verder niet door de verdediging betwist, terwijl de vordering naar het oordeel van het hof voldoende is onderbouwd en het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Het hof acht de gevorderde zorgkosten dan ook toewijsbaar.
Ten aanzien van schadeposten 4 en 5, het verlies aan arbeidsvermogen, overweegt het hof uit de overgelegde stukken blijkt dat de arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt door het bewezenverklaarde. Uit de nadere onderbouwing die in hoger beroep is gegeven, volgt dat de benadeelde partij één jaar in de ziektewet heeft gezeten. Het hof acht voldoende onderbouwd dat de benadeelde partij schade heeft geleden aan gederfde arbeidsinkomsten, zoals gevorderd. Het gaat daarbij – kortgezegd – om het verschil tussen het loon waarop het ziekengeld is gebaseerd, en het ziekengeld dat zij ontving. De vraag of het contract van de benadeelde partij zonder het bewezenverklaarde zou zijn voortgezet is niet relevant aangezien vast is komen te staan dat de benadeelde partij in ieder geval tot het einde van het eerste ziektejaar niet heeft kunnen werken en ziekengeld heeft ontvangen. Ook deze post is naar het oordeel van het hof dan ook toewijsbaar.
Ten aanzien van de immateriële schade overweegt het hof als volgt. Op grond van artikel 6:106, onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Daarnaast blijkt uit de in eerste aanleg ingediende vordering en de in hoger beroep overgelegde aanvullende stukken dat het bewezenverklaarde verstrekkende gevolgen heeft gehad voor de benadeelde partij, zoals ook volgt uit de hiervoor opgenomen strafmotivering. Naar aanleiding van haar psychische klachten is een aanpassingsstoornis geconstateerd. Ook dit geestelijk letsel leidt op grond van artikel 6:106, onder b, van het BW tot recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade. Grondslagen voor de toekenning zijn het veroorzaakte fysieke letsel en de aantasting in persoon op andere wijze, bestaande uit psychisch letsel dat door een deskundige is vastgesteld. Het hof heeft bij de beslissing over de toewijzing van immateriële schade aansluiting gezocht bij de aard en de ernst van de normschending, de aantasting van de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij en de Rotterdamse schaal (paragraaf 9 – gebroken oogkassen en verlies van twee tanden – en 15.1 onder b). Het hof acht het gevorderde bedrag van € 12.000,00 aan immateriële schade dan ook alleszins billijk en voor toewijzing vatbaar.
Aldus is het hof van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij voldoende is onderbouwd en zal deze geheel toewijzen.
De wettelijke rente zal ingevolge artikel 6:83, aanhef en onder b, BW steeds worden toegekend vanaf het moment waarop de schade die het gevolg is van de onrechtmatige daad van de verdachte, is ingetreden.
Materiële schade
Het hof neemt de volgende data als uitgangspunt:
Schadepost 1: 26 november 2023, zijnde de datum in het midden van de periode tussen de datum van het delict en de laatste behandeling van de benadeelde partij (te weten 31 mei 2024);
Schadeposten 2 en 3: 23 mei 2023, zijnde de datum van het delict;
Schadeposten 4 en 5: 22 november 2023, zijnde de datum in het midden van de periode tussen de datum van het delict en de datum van het einde van het eerste ziektejaar.
Immateriële schade
Met betrekking tot de immateriële schade zal het hof voor de datum waarop de wettelijk rente ingaat uitgaan van 23 mei 2023, de dag van de schadeveroorzakende gebeurtenis.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Voorlopige hechtenis
Bij bevel van 6 januari 2026 heeft de raadkamer van het hof de voorlopige hechtenis van de verdachte onder voorwaarden geschorst. Met de in het onderhavige arrest vervatte beslissingen zijn de ernstige bezwaren en recidivegrond voor de voorlopige hechtenis gegeven. Dit geldt niet voor de 12-jaars grond, deze acht het hof niet langer meer aan de orde.
Het hof is, gelet op zijn in dit arrest vermelde beslissingen, van oordeel dat de persoonlijke belangen van de verdachte niet langer prevaleren boven het strafvorderlijk belang bij voortzetting van de voorlopige hechtenis. Het hof zal daarom de schorsing van de voorlopige hechtenis opheffen. De voorlopige hechtenis eindigt op het moment dat de duur van de voorlopige hechtenis de duur van de opgelegde straf overschrijdt.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 38v, 38w, 57, 242 (oud) en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en maatregel en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Heft op het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank opgelegde maatregel 38v.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 58 (achtenvijftig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 2 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact legt of laat leggen met [slachtoffer] , geboortedatum [geboortedatum 2] 1989.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.764,95 (twintigduizend zevenhonderdvierenzestig euro en vijfennegentig cent) bestaande uit € 8.764,95 (achtduizend zevenhonderdvierenzestig euro en vijfennegentig cent) materiële schade en € 12.000,00 (twaalfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.764,95 (twintigduizend zevenhonderdvierenzestig euro en vijfennegentig cent) bestaande uit € 8.764,95 (achtduizend zevenhonderdvierenzestig euro en vijfennegentig cent) materiële schade en € 12.000,00 (twaalfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 127 (honderdzevenentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op:
-
26 november 2023 over een bedrag van € 3.981,28 ter zake van zorgkosten;
-
23 mei 2023 over een bedrag van € 91,70 ter zake van overige kosten en een bedrag van € 233,97 ter zake van de telefoonkosten;
-
22 november 2023 over een totaalbedrag van € 4.458,00 ter zake van het verlies aan arbeidsvermogen.
Bepaalt de aanvangsdatum van de immateriële schade op 23 mei 2023.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Heft op de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. T. de Bont, mr. A.W.T. Klappe en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Kuvel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 oktober 2026.
Mr. A. Dantuma-Hieronymus is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.