Strafrecht overig

Bewezenverklaring aanranding van vier slachtoffers door een fysiotherapeut/manueel therapeut en het…

Gerechtshof Amsterdam, 13 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 13 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
13 oktober 2026
Datum publicatie
15 oktober 2026
Zaaknummer
23-002953-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2944
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bewezenverklaring aanranding van vier slachtoffers door een fysiotherapeut/manueel therapeut en het overtreden van artikel 98 wet BIG. Veroordeling tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk. Oplegging van een beroepsverbod.

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002953-24

datum uitspraak: 13 oktober 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 december 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-051256-23 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] [geboorteland] ) op [geboortedatum 1] 1965,

adres: [adres] .

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 september 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman en de slachtoffers/ benadeelde partijen en hun advocaat naar voren hebben gebracht. De advocaat van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft meegedeeld dat de vorderingen van de benadeelde partijen in hoger beroep zijn ingetrokken, omdat de verdachte inmiddels de schade aan hen heeft vergoed op de wijze zoals beslist door de rechtbank.

De vorderingen van de benadeelde partijen zijn in hoger beroep daarom niet meer aan de orde.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de strafoplegging en de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen, omdat deze in hoger beroep niet meer aan de orde zijn – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof de bewijsmiddelen aanvult met de bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep.

Aanvulling bewijsmiddelen

- De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 29 september 2026.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik beken dat ik mij schuldig heb gemaakt aan de feiten 1, 3, 4, 5 en 6, zoals deze door de rechtbank bewezen zijn verklaard.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair en 6 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Als bijzondere voorwaarde heeft de rechtbank een contactverbod met de 5 aangeefsters opgelegd en als bijkomende straf is aan de verdachte een beroepsverbod opgelegd voor de duur van 5 jaren en 10 maanden, ten aanzien van het behandelen van vrouwen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde gevangenisstraf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd, maar dan met een proeftijd voor de duur van 3 jaren en naast de bijzondere voorwaarde tot contactverbod ook een meldplicht bij de reclassering en een (ambulante) behandelverplichting bij De Waag. Daarnaast heeft de advocaat-generaal een beroepsverbod ten aanzien van het behandelen van vrouwen gevorderd voor de duur van 5 jaren.

De raadsman heeft bepleit om aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en te volstaan met een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat, zonder af te willen doen aan het leed van de slachtoffers, de strafzaak ook voor de verdachten en zijn gezin grote (financiële en emotionele) gevolgen heeft gehad, hetgeen relevant is vanuit het oogpunt van vergelding als strafdoel. De verdachte moet zich al meer dan drie jaar aan voorwaarden houden, waaronder een gedeeltelijk beroepsverbod. De verdachte heeft ervoor gekozen om schadevergoedingen die de rechtbank aan de slachtoffers had toegekend te betalen omdat hij hun leed wil erkennen, en niet omdat de verdediging meent dat de verweren juridisch gezien geen kans van slagen hebben. Het doel van generale preventie is al behaald gelet op de media-aandacht die er voor deze zaak is geweest waardoor het voor het grote publiek duidelijk is dat je met dit soort feiten niet wegkomt. Vanuit het oogpunt van speciale preventie is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ook niet nodig gelet op de stappen die de verdachte heeft gezet, en zou bijvoorbeeld een gedeeltelijk beroepsverbod en een behandelverplichting kunnen volstaan. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou grote gevolgen hebben voor de verdachte en zijn gezin en ertoe leiden dat het gezin niet meer kan rondkomen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich als fysiotherapeut en manueel therapeut schuldig gemaakt aan de aanranding van vier vrouwelijke patiënten. Daarmee heeft hij als zorgverlener de psychische gezondheid van die slachtoffers benadeeld en (ook) de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (BIG) overtreden. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat het om ernstige feiten gaat. De verdachte heeft onverhoeds de schaamstreek en borsten van de vrouwen gemasseerd en/of betast terwijl zij zich in een kwetsbare positie bevonden. Hij heeft bij meerdere slachtoffers de schaamlippen aangeraakt en is bij twee van hen met zijn vingers tussen hun schaamlippen gegaan. De slachtoffers lagen met losgemaakte bh of ontblote borsten op hun rug op de behandeltafel en voelden zich volledig aan de verdachte overgeleverd. Door zo te handelen heeft de verdachte het door de slachtoffers in hem als professioneel fysio/manueeltherapeut gestelde vertrouwen op grove wijze beschaamd en inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers.

De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke delicten de nadelige psychische gevolgen daarvan lange tijd met zich meedragen. Uit de verklaringen van de aangeefsters blijkt dat ze kort na de incidenten erg in de war waren. Zo waren ze boos op zichzelf omdat ze niet hadden geprotesteerd. Hoewel zij wisten dat de verdachte over de grenzen ging, durfden en/of konden ze hier op dat moment niets tegen (te) doen. Uit de voorgelezen slachtofferverklaringen ter zitting van het hof blijkt dat de bewezenverklaarde feiten enorme impact hebben gehad en nog steeds hebben op de slachtoffers. Hun vertrouwen in mannelijke hulverleners is ernstig beschadigd.

Het hof houdt bij de strafoplegging verder rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die naar voren zijn gebracht ter terechtzitting van het hof. Anders dan in eerste aanleg heeft de verdachte in hoger beroep schuld bekend en zegt hij in te zien dat hij grensoverschrijdend heeft gehandeld. De verdachte staat nu open voor behandeling en is op eigen initiatief sinds juni 2026 opnieuw met therapie gestart bij De Waag, waarbij het doel is om recidive te voorkomen. De verdachte heeft ter zitting verder verklaard over de gevolgen die deze zaak heeft gehad, niet alleen voor hemzelf en zijn praktijk, maar ook voor zijn vrouw en kinderen en hun financiële situatie.

Het hof heeft ook acht geslagen op het reclasseringsadvies van 24 juni 2026 (in de zaak met parketnummer 13-309720-25). Vanwege de opnieuw opgestarte ambulante behandeling, adviseert de reclassering om reclasseringstoezicht op te leggen, ter verdere monitoring van de behandeling bij De Waag. Er zijn geen contra-indicaties voor het opleggen van een gevangenisstraf, anders dan de algemene nadelen die voor iedereen gelden (zoals mogelijk verlies van werk en inkomen).

Op grond van de aard en de ernst van de feiten en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers is het hof, met de rechtbank, van oordeel dat alleen een vrijheidsbenemende straf met een onvoorwaardelijk deel in aanmerking komt. Dit soort feiten rechtvaardigen een gevangenisstraf van aanzienlijke duur, zoals door de rechtbank opgelegd en door de advocaat-generaal gevorderd.

Het hof houdt evenwel rekening met het tijdsverloop en weegt mee dat de verdachte zich inmiddels ruim drieënhalf jaar aan de voorwaarden heeft moeten houden die hem zijn opgelegd door de rechter-commissaris en die reeds flinke (financiële) gevolgen voor hem en zijn gezin hebben gehad. Ook weegt het hof mee dat de verdachte nu verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen en zich middels therapie actief inzet om recidive te voorkomen. Het hof zal daarom bepalen dat een langer gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, om de verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten. Het hof acht het daarnaast noodzakelijk aan het voorwaardelijk gedeelte van de op te leggen straf de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden, naast een contactverbod met de aangeefsters. Het hof is dus van oordeel dat een (vrijwel) geheel voorwaardelijke straf in combinatie met een taakstraf, zoals de verdediging heeft bepleit, onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de gevolgen voor de slachtoffers.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Daarnaast zal het hof een beroepsverbod opleggen ten aanzien van het behandelen van vrouwelijke patiënten. Het hof heeft bij het bepalen van de duur hiervan hierbij rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte al ruim drieënhalf wordt beperkt in de uitoefening van zijn beroep vanwege de schorsingsvoorwaarden en zal het verbod voor een periode van drie jaren opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 28, 31, 57, 251 en 246 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 96 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, zoals zij golden ten tijde van de bewezenverklaarde feiten.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 primair, 2 subsidiair en 2 meer subsidiair tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de beslissingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat noodzakelijk vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken plaatsvinden;

- dat de verdachte zich ambulant (zonder opname) gedurende de proeftijd laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling noodzakelijk vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling;

- dat de verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze contact zal leggen of laten leggen met:

1) [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1981 te [geboorteplaats 2] ,

2) [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum 3] 1995 te [geboorteplaats 3] ,

3) [slachtoffer 4] , geboren op [geboortedatum 4] 1987 te [geboorte plaats 4] ,

4) [slachtoffer 5] , geboren op [geboortedatum 5] 1973 te [geboorteplaats 5] en

5) [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 6] 1983 te [geboorte plaats 6] .

Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.

Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzet de verdachte van het recht tot uitoefening van het beroep van fysiotherapeut, manueel therapeut en masseur, maar alleen ten aanzien van het behandelen van vrouwen, voor de duur van 3 (drie) jaren.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam , waarin zitting hadden mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen, mr. T. de Bont en mr. E.J Hofstee, in tegenwoordigheid van mr. S.M. Schouten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 oktober 2026.