Strafrecht overig

Vernietiging vonnis. Mishandeling van broer. Vordering benadeelde partij.

Gerechtshof Amsterdam, 21 september 2026

Zaakgegevens

Op 21 september 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
21 september 2026
Datum publicatie
16 oktober 2026
Zaaknummer
23-001796-22
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2949
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vernietiging vonnis. Mishandeling van broer. Vordering benadeelde partij.

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001796-22

datum uitspraak: 21 september 2026

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 4 juli 2022 in de strafzaak onder parketnummer 15-144650-21 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1987,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
7 september 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 6 februari 2021 te IJmuiden, gemeente Velsen [benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij] eenmaal of meermalen op/tegen het hoofd en/of op/tegen het lichaam te slaan en/of te stompen en/of te schoppen;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit. Zij heeft hiertoe – kort gezegd – aangevoerd dat op basis van het dossier kan worden gekomen tot een veroordeling en dat geen sprake is van een noodweersituatie.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. De raadsvrouw heeft hiertoe – kort gezegd – aangevoerd dat sprake is van een noodweersituatie nu de verdachte zijn broer een enkele vuistslag heeft gegeven
– wat de verdachte heeft erkend – om los te kunnen komen: de broer van de verdachte hield hem bij zijn been vast en probeerde hem naar de grond te werken.

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van de aangifte en de verklaring van de verdachte stelt het hof vast dat de verdachte zijn broer in de woning van hun ouders heeft mishandeld door hem een klap tegen zijn hoofd te geven. Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de feitelijke toedracht die door de verdachte aan zijn beroep op noodweer ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is geworden. Het beroep op noodweer wordt daarom verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 6 februari 2021 te IJmuiden, [benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij] eenmaal tegen het hoofd te slaan.

Wat meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van honderd uren waarvan vijftig uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van negentig uren waarvan vijftig uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn broer door hem tegen het hoofd te slaan. Door zijn handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn broer en bij hem pijn en letsel veroorzaakt. De mishandeling heeft plaatsgevonden in de woning en in het bijzijn van de ouders van de verdachte en zijn broer. Op deze manier heeft de verdachte de ouders betrokken in een conflict tussen hemzelf en zijn broer (en neef) dat – zo blijkt uit het dossier – al een tijdlang speelde.

Het hof houdt rekening met straffen die veelal door rechters worden opgelegd voor soortgelijke feiten en die zijn beschreven in de zogenoemde LOVS-oriëntatiepunten. Gelet hierop en op het strafblad van de verdachte, waarop geen eerdere veroordelingen staan, neemt het hof een geldboete ter hoogte van
€ 700,00 als uitgangspunt.

Ook heeft het hof gelet op de omstandigheid dat in hoger beroep de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is overschreden. De verdachte heeft op 6 juli 2022 hoger beroep ingesteld en het hof doet op 21 september 2026 uitspraak. Gelet hierop is de redelijke termijn van 24 maanden met ruim twee jaar overschreden. Hoewel het hof met het oog op de strafmodaliteit enkel kan volstaan met de constatering van deze overschrijding, ziet het hof in deze omstandigheid toch aanleiding om de hiervoor genoemde geldboete gedeeltelijk in voorwaardelijke vorm op te leggen.

Het hof acht, alles afwegende, een geldboete ter hoogte van € 700,00 waarvan € 350,00 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.359,93 bestaande uit € 359,93 aan materiële schade en € 3.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van
€ 1.111,01 bestaande uit € 111,01 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft geadviseerd dat de vordering met betrekking tot de materiële schade geheel wordt toegewezen en met betrekking tot de immateriële schade wordt toegewezen tot een bedrag van € 1.000,00.

De verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Indien het hof toch komt tot een bewezenverklaring heeft de verdediging verzocht een aanzienlijk lager bedrag toe te wijzen.

Het hof overweegt als volgt.

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden. Het hof is van oordeel dat de kosten van het ambulancevervoer (te weten: € 89,97) en de reis- en parkeerkosten gemaakt op 6 februari 2021 (te weten: € 21,04) het rechtstreeks gevolg zijn van het bewezenverklaarde. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag (te weten:
€ 111,01) zal worden toegewezen. Wat betreft de overige kosten – de kosten voor de behandelingen bij de fysiotherapeut, de aangeschafte medicatie en de andere reiskosten – is het hof van oordeel dat niet zonder meer kan worden vastgesteld dat een rechtstreeks verband bestaat met de bewezenverklaarde mishandeling. Om die reden zal de benadeelde partij voor dit gedeelte van de vordering ter zake van materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft door het handelen van de verdachte lichamelijk letsel opgelopen in de vorm van een bult/zwelling op zijn achterhoofd en nek. Gelet hierop heeft de benadeelde partij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op een naar billijkheid te bepalen vergoeding van immateriële schade. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, acht het hof een bedrag van € 250,00 billijk en zal de vordering tot dit bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen datum.

In de toelichting op het schadeopgaveformulier van de benadeelde partij is te lezen dat de benadeelde partij naast lichamelijk letsel ook psychisch letsel heeft opgelopen. Naar het oordeel van het hof is echter niet met zekerheid vast te stellen dat de gestelde psychische problemen die de benadeelde partij heeft ondervonden het rechtstreekse gevolg zijn van de bewezenverklaarde mishandeling. Om die reden is het hof van oordeel dat onvoldoende is vast te komen staan dat sprake is van “aantasting in de persoon op andere wijze” in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW.

Gelet hierop zal het hof de benadeelde partij voor de overig gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Schadevergoedingsmaatregel

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de te vergoeden materiële en immateriële schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 700,00 (zevenhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 350,00 (driehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 361,01 (driehonderdeenenzestig euro en één cent) bestaande uit € 111,01 (honderdelf euro en één cent) materiële schade en € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 361,01 (driehonderdeenenzestig euro en één cent) bestaande uit € 111,01 (honderdelf euro en één cent) materiële schade en € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 3 (drie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op
6 februari 2021.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. van der Heijden, mr. E.J Hofstee en mr. J. Boksem, in tegenwoordigheid van
mr. S.B. Zoet, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
21 september 2026.

mrs. E.J. Hofstee en J. Boksem zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.