Strafrecht overig
Vernietiging van het vonnis. Mishandeling. Vrijspraak openlijke geweldpleging; benadeelde partijen…
Gerechtshof Amsterdam, 21 september 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:2950 · Gerechtshof Amsterdam · 21 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2950
Zaakgegevens
Op 21 september 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 21 september 2026
- Datum publicatie
- 16 oktober 2026
- Zaaknummer
- 23-001489-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2950
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vernietiging van het vonnis. Mishandeling. Vrijspraak openlijke geweldpleging; benadeelde partijen niet-ontvankelijk.
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001489-25
datum uitspraak: 21 september 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Alkmaar) van 5 juni 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-167153-23 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
7 september 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
zij, op of omstreeks 29 mei 2023 te Jisp, gemeente Wormerland [slachtoffer] heeft mishandeld door een of meerdere malen te slaan en/of te schoppen en/of te trappen tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] ;
2.
zij op of omstreeks 29 mei 2023 te Jisp, gemeente Wormerland openlijk, te weten, Molenpad, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon en/of een goed te weten [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] door door een of meerdere malen te slaan en/of te schoppen en/of te trappen tegen het hoofd en/of het lichaam;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof komt tot een andere bewezenverklaring dan de politierechter.
Vrijspraak ten aanzien van feit 2
Op basis van het procesdossier en het verhandelde ter zitting heeft het hof niet kunnen vaststellen dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld. Met de verdediging is het hof dan ook van oordeel dat niet met de voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan wat haar ten laste is gelegd onder feit 2, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1
De advocaat-generaal heeft ten aanzien van feit 1 gerekwireerd tot bewezenverklaring gelet op de aangifte en de diverse deze aangifte ondersteunende getuigenverklaringen.
De verdediging heeft ook ten aanzien van feit 1 vrijspraak bepleit en daartoe – samengevat - de volgende context van de zaak geschetst. De verdachte heeft in 2019 aangifte gedaan wegens een seksueel incident. Na deze aangifte is de verdachte herhaaldelijk lastiggevallen, bedreigd en geïntimideerd door de persoon tegen wie zij aangifte had gedaan en zijn vriendengroep. Ook zijn er – naar aanleiding van deze zaak – diverse valse aangiftes tegen de verdachte gedaan. Aangeefster [slachtoffer] (feit 1) was op het moment van de feiten de vriendin van degene tegen wie de verdachte eerder aangifte had gedaan. Dit alles maakt dat deze aangifte niet voldoende betrouwbaar is om een bewezenverklaring op te baseren. De raadsman voert verder aan dat de getuigenverklaringen belangrijke inconsistenties bevatten en dat sprake is geweest van collaborative storytelling. Dit heeft volgens de raadsman tot gevolg dat ten aanzien van feit 1 de feitelijke toedracht onduidelijk is. De verdachte heeft op de zitting verklaard dat zij op de desbetreffende avond in Jisp een harde klap heeft gekregen en knock-out is gegaan terwijl zij aan het wachten was op een Uber. Na deze klap is zij vals beschuldigd van de mishandeling van [slachtoffer] , aldus nog steeds de raadsman.
Het hof overweegt als volgt.
Op grond van het dossier stelt het hof het volgende vast. Door meerdere getuigen is gezien dat twee meiden in een gevecht zijn beland bij de kermis in Jisp, waarbij ‘het blonde meisje’ het andere meisje
– de latere aangeefster [slachtoffer] – meermalen heeft geslagen. Hoewel de naam van de verdachte niet onmiddellijk als de naam van ‘het blonde meisje’ wordt genoemd, komt na onderzoek het Instagram-account en daarmee de naam van de verdachte naar voren. De verdachte heeft op de zitting in hoger beroep verklaard dat dit inderdaad op dat moment haar Instagram-account was.
Hoewel de verdachte op de zitting in hoger beroep bij het hof een oprechte en eerlijke indruk heeft achtergelaten en het hof best wil aannemen dat de verdachte eerder in 2019 een aangifte heeft gedaan, acht het hof het niet aannemelijk geworden dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de door de verdachte in 2019 gedane aangifte en de in 2023 gedane aangifte van [slachtoffer] en de diverse getuigenverklaringen die de aangifte van [slachtoffer] ondersteunen. In tegenstelling tot de verdediging acht het hof die laatstgenoemde dossierstukken wel betrouwbaar.
Dit brengt het hof tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte [slachtoffer] heeft mishandeld door haar meerdere malen tegen het hoofd te slaan. Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer] ook tegen het lichaam heeft geslagen en tegen het hoofd en/of lichaam heeft geschopt en/of getrapt. In zoverre zal de verdachte van dit feit dus partieel worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
zij op 29 mei 2023 te Jisp [slachtoffer] heeft mishandeld door meerdere malen te slaan tegen het hoofd van die [slachtoffer] .
Wat onder 1 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van honderd uren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de politierechter opgelegd.
De verdediging heeft – behoudens de bepleite vrijspraak – het hof verzocht de duur van de taakstraf te matigen dan wel een deel daarvan voorwaardelijk op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling. Door haar handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en bij haar pijn en letsel veroorzaakt.
Het hof houdt rekening met straffen die veelal door rechters worden opgelegd voor soortgelijke feiten en die zijn beschreven in de zogenoemde LOVS-oriëntatiepunten. Gelet hierop en het blanco strafblad van de verdachte acht het hof een geldboete ter hoogte van € 700,00 passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De benadeelde partij heeft zich ter zake van feit 2 in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.637,03. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.773,87.
De verdachte wordt vrijgesproken van het onder feit 2 tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
De benadeelde partij heeft zich ter zake van feit 2 in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.182,19. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.870,19.
De verdachte wordt vrijgesproken van het onder feit 2 tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
De benadeelde partij heeft zich ter zake van feit 2 in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 897,52. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 697,52.
De verdachte wordt vrijgesproken van het onder feit 2 tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24c en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 700,00 (zevenhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. van der Heijden, mr. E.J Hofstee en mr. J. Boksem, in tegenwoordigheid van
mr. S.B. Zoet, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
21 september 2026.
mrs. E.J. Hofstee en J. Boksem zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.