Strafrecht overig

Bevestiging m.u.v. de straf; aanvulling op de bewijsoverweging van de politierechter en aanpassing van de…

Gerechtshof Amsterdam, 9 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 9 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
9 oktober 2026
Datum publicatie
16 oktober 2026
Zaaknummer
23-001565-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2951
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bevestiging m.u.v. de straf; aanvulling op de bewijsoverweging van de politierechter en aanpassing van de kwalificatie. Eendaadse samenloop van ernstige gevaarzetting en rijden zonder rijbewijs.

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001565-24

datum uitspraak: 9 oktober 2026

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 26 juni 2024 in de strafzaak onder parketnummer
13-230311-23 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
25 september 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de gevangenisstraf en maatregel van rijontzegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:

  • de bewijsoverweging van de politierechter aanvult;

  • de kwalificatie aanpast;

  • artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) toevoegt aan de toepasselijke wettelijke voorschriften;

  • de bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring is gegrond na het eventueel instellen van beroep in cassatie in een aanvulling op dit arrest zal opnemen en aanvullen.

Aanvulling op de bewijsoverweging van de politierechter

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de fotoherkenning van de verdachte door verbalisant [verbalisant 1] niet bruikbaar is voor het bewijs, gelet op de wijze van de totstandkoming van deze herkenning. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

In het proces-verbaal van bevindingen van 29 oktober 2022 (digitale pagina’s 13-16) staat dat verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] bij het Orlyplein in Amsterdam zijn, dat verbalisant [verbalisant 1] het dienstvoertuig naast de bestuurderskant van de Fiat zet, de bestuurder aanspreekt en dat de afstand tussen hem en de bestuurder van de Fiat circa 1 meter betrof. De verbalisanten zien dat de bestuurder van de Fiat grote pupillen heeft en een versufte indruk maakt. Verbalisant [verbalisant 1] hoort de bestuurder zeggen: “Ik rijd even achteruit, ik parkeer hem daar wel even”. Vervolgens gaat de Fiat ervandoor. Na een achtervolging nemen verbalisanten waar dat de Fiat in [plaats] tegen een witte geparkeerde bestelbus botst en de bestuurder ervandoor gaat. Hierna zien zij dat de Fiat op naam van de verdachte staat en herkennen zij de verdachte direct op een foto uit het voor hen toegankelijke bevragingssysteem als zijnde de bestuurder van de Fiat. Er wordt een eenheid naar het adres van de verdachte in [plaats] gestuurd, maar de verdachte wordt daar niet aangetroffen.

Enige tijd later – op 2 mei 2023 – heeft dezelfde verbalisant [verbalisant 1] tijdens een afhandeling van een pechgeval met een personenauto de verdachte wederom herkend. In een proces-verbaal van bevindingen van 11 mei 2023 over dit incident staat dat er twee personen bij een stilstaande auto stonden, dat een van deze personen opgaf te zijn genaamd [persoon 1] (de naam van de oudere broer van de verdachte) en dat verbalisant [verbalisant 1] vermoedde dat dit een valse naam was en de persoon aansprak met de naam [verdachte] . Hierna sprong de persoon in een nabijgelegen sloot en ging ervandoor. In het proces-verbaal van bevindingen staat verder dat verbalisant [verbalisant 1] de persoon herkende als de persoon die in oktober 2022 betrokken was bij een achtervolging. Hij herkende de verdachte aan zijn gelaat en postuur en aan de hand van politiefoto PL1228:19:00915.

Op 21 oktober 2024 is verbalisant [verbalisant 1] ter zitting van de politierechter te Haarlem in een andere strafzaak (parketnummers 15-185784-23 en 15-2981 17-24 (gev. ttz)) gehoord als getuige. Tijdens dit verhoor heeft hij verklaard dat hij in oktober 2022 met een collega belast was met noodhulp, dat een auto hem tegemoet kwam rijden op het Orlyplein en dat hij de bestuurder aansprak, omdat hij daar niet mocht rijden. Het voertuig stond op naam van de verdachte en hij herkende hem toen van een foto. [verbalisant 1] heeft verder verklaard dat hij verdachte ook op 2 mei 2023 heeft gezien en heeft herkend.

Gelet op het voorgaande ziet het hof geen reden te twijfelen aan de juistheid van de herkenning van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . Het hof neemt daarbij in aanmerking dat verbalisanten de bestuurder van de Fiat op korte afstand hebben gezien en gesproken en dat zij hem niet lang daarna hebben herkend van een foto uit het politiesysteem. Voorts neemt het hof in aanmerking dat verbalisant [verbalisant 1] de verdachte op 2 mei 2023 in persoon zag en hem herkende als de persoon die hij in oktober 2022 voorafgaand aan een achtervolging heeft aangesproken.

De verdachte heeft ter zitting in hoger beroep op 20 mei 2025 verklaard dat niet hij maar een zekere [persoon 2] uit Tilburg de bestuurder van de auto was. Ter zitting van 25 september 2026 heeft de verdachte verklaard dat de bestuurder uit [plaats] komt, dat hij zijn naam niet wil noemen en dat hij de auto om een uur of 4 heeft uitgeleend, omdat degene die naast de bestuurder zat naar Tilburg moest. Voorts heeft hij verklaard dat hij die nacht thuis was en via de ringdeurbel met de politie heeft gesproken. Het hof stelt deze (wisselende) verklaringen als niet geloofwaardig terzijde.

De verdediging heeft verder aangevoerd dat niet vast is komen te staan dat door het handelen van de verdachte levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was, nu de achtervolging in de nacht plaatsvond en uit het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten blijkt dat andere weggebruikers in staat bleken hun rijgedrag aan te passen op het rijgedrag van de verdachte. Het hof overweegt hierover als volgt.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 29 oktober 2022 blijkt dat de verdachte op de snelweg en ook binnen de bebouwde kom met hoge snelheden heeft gereden, dat ten tijde van de gehele achtervolging medeweggebruikers werden gehinderd en dat meerdere weggebruikers moesten uitwijken en remmen door het rijgedrag van de verdachte. Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van het hof worden vastgesteld dat door het handelen van de verdachte levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de achtervolging weliswaar rond middernacht plaatsvond, maar dat dit een zaterdagnacht betrof en er dan doorgaans nog sprake is van zich verplaatsend (uitgaans)publiek. Daarnaast neemt het hof in aanmerking dat de achtervolging is geëindigd met een botsing tegen een stilstaande auto in een woonwijk. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging.

Kwalificatie

Het onder 1 primair en onder 2 bewezenverklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994 en overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twaalf maanden. Voor het in eerste aanleg onder 2 bewezenverklaarde heeft de politierechter de verdachte veroordeeld tot een hechtenis voor de duur van twee weken.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als die door de politierechter zijn opgelegd, met dien verstande dat ten aanzien van feit 1 primair een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van elf maanden in plaats van twaalf maanden zal worden opgelegd.

De verdediging heeft het hof verzocht om bij een bewezenverklaring een taakstraf dan wel een voorwaardelijke gevangenisstraf of hechtenis op te leggen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de combinatie van feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft zich opzettelijk zodanig in het verkeer gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate zijn geschonden. De verdachte heeft een stopteken van de politie genegeerd en tijdens de daaropvolgende achtervolging meerdere zware verkeersovertredingen met de auto begaan. De verdachte heeft met hoge snelheden gereden en verkeersborden genegeerd. Ook is hij meermalen door rood gereden en heeft hij door zijn rijgedrag andere weggebruikers gehinderd. Uiteindelijk is de verdachte op een geparkeerde auto gebotst. Met deze reeks aan verkeersovertredingen heeft de verdachte de verkeersveiligheid zeer ernstig in het gevaar gebracht en zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer op grove wijze veronachtzaamd. Dat de schade beperkt is gebleven is een gelukkig toeval, zeker gezien het feit dat de verdachte tijdens deze gevaarlijke gedragingen niet in het bezit was van een rijbewijs. Het hof rekent dit de verdachte ten zeerste aan.

Uit de justitiële documentatie met betrekking tot de verdachte blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor (soort)gelijke feiten. Deze veroordelingen hebben kennelijk weinig tot geen indruk op de verdachte gemaakt en hebben hem er niet van weerhouden om de huidige feiten te begaan. Het hof overweegt dat de verdachte ook op de zitting in hoger beroep geen blijk heeft gegeven van enig inzicht in de laakbaarheid van zijn handelen.

Hoewel de ernst van de feiten in beginsel een gevangenisstraf rechtvaardigt, overweegt het hof dat de verdachte op de zitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij – ter uitvoering van een taakstraf – op dit moment werkt in een kringloopwinkel en dat dit goed gaat. Het hof overweegt dat de verdachte meer baat heeft bij het ritme en de stabiliteit van een taakstraf dan bij een kortdurende gevangenisstraf. De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte nog forse taakstraffen te verrichten heeft en de persoonlijke omstandigheden nader toegelicht. Door wederom een taakstraf op te leggen zal de verdachte langer aan het werk zijn wat er – zo hoopt het hof – toe zal leiden dat het delictpatroon van de verdachte wordt doorbroken en de kans op recidive vermindert. Om die reden neemt het hof een taakstraf voor de duur van 120 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twaalf maanden als uitgangspunt.

Het hof heeft gelet op de omstandigheid dat de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is overschreden. Namens de verdachte is op 10 juli 2024 hoger beroep ingesteld, waardoor de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn op die datum is aangevangen. Het hof doet op 9 oktober 2026 uitspraak, waardoor de redelijke termijn in hoger beroep met ongeveer drie maanden is overschreden. Vanwege de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep ziet het hof aanleiding om de duur van de taakstraf met twintig uur te matigen. Het hof houdt verder rekening met de eendaadse samenloop van de ernstige gevaarzetting en het rijden zonder rijbewijs en zal daarom voor het rijden zonder geldig rijbewijs geen aparte straf opleggen.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 33, 33a, 55 en 62 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 107 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en maatregelen doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.E. Kwak, mr. B.A.A. Postma en mr. B. de Wilde, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Zoet, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 oktober 2026.

mr. B. de Wilde is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.