Strafrecht overig

Afwijzing beklag artikel 12. Er is geen sprake van strafbare (groeps)belediging of strafbaar aanzetten tot…

Zaakgegevens

Op 9 september 2021 heeft het Gerechtshof Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
9 september 2021
Datum publicatie
1 november 2021
Zaaknummer
K20/230437
Procedure
Raadkamer
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2021:3285
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Afwijzing beklag artikel 12. Er is geen sprake van strafbare (groeps)belediging of strafbaar aanzetten tot haat, geweld of discriminatie.

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

beklagkamer

rekestnummer K20/230437

Beschikking op het beklag van:

[klager] ,

wonende te [woonplaats],

klager.

1 Het beklag

Het hof heeft op 20 oktober 2020 vier klaagschriften ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissingen van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam om in vier zaken geen strafvervolging in te stellen tegen [beklaagde] (hierna: beklaagde) ter zake van groepsbelediging en aanzetten tot haat.

2 Het verslag van de advocaat-generaal

Bij verslag van 26 juli 2021 heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven het beklag af te wijzen.

3 De voorhanden stukken

Het hof heeft kennisgenomen van:

- de klaagschriften (met bijlagen);

- het verslag van de advocaat-generaal;

- de vier sepotbrieven van de officier van justitie van 23 juli 2020;

- het dossier van de politie;

- het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam van 3 december 2020.

4 De behandeling in raadkamer

Het hof heeft klager in de gelegenheid gesteld op 16 augustus 2021 het beklag toe te lichten. Klager is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

De advocaat-generaal is bij de behandeling in raadkamer aanwezig geweest. In hetgeen in raadkamer naar voren is gekomen heeft deze geen aanleiding gevonden de conclusie in het verslag te herzien.

5 De beoordeling van het beklag

Klager heeft op vier momenten aangifte gedaan tegen beklaagde. Beklaagde was op 10 april 2019, 7 juni 2019, 8 juni 2019 en 23 juni 2019 aan het demonstreren op de Dam in Amsterdam. Volgens klager heeft beklaagde daarbij doelgericht en in georganiseerd verband boodschappen uitgedragen die discriminerend en haatdragend zijn jegens de staat Israël en het Joodse volk. Ook zou hij met deze uitingen hebben aangezet tot haat en hebben opgeroepen tot geweld.

Voor de weergave van de feitelijke uitgangspunten die van belang zijn voor de beoordeling verwijst het hof naar de inhoud van het de sepotbrieven en het ambtsbericht.

Het beoordelingskader

Het hof heeft te beoordelen of de strafrechter die over deze zaak zou moeten oordelen – al dan niet na nader onderzoek – zou kunnen komen tot een veroordeling voor enig strafbaar feit. Daarnaast moet het hof beoordelen of er, gelet op alle omstandigheden, voldoende belang is bij het alsnog instellen van strafrechtelijke vervolging. Indien het antwoord op beide vragen bevestigend luidt, zal een bevel tot vervolging worden gegeven.

De overwegingen van het hof

Het hof komt - met het openbaar ministerie - tot het oordeel dat de uitingen van beklaagde, zoals weergegeven in het politiedossier, geen strafbare feiten opleveren. Hoewel het hof zich kan voorstellen dat klager bepaalde uitingen van beklaagde als kwetsend beschouwt, is geen sprake van strafbare (groeps)belediging of strafbaar aanzetten tot haat, geweld of discriminatie. Het hof sluit zich dienaangaande aan bij de juridische beoordeling van de uitingen in de sepotbrieven en het ambtsbericht van het openbaar ministerie.

Het hof is dan ook van oordeel dat er goede redenen zijn om in deze zaak geen vervolging te gelasten. Het beklag is ongegrond.

Het hof zal daarom als volgt beslissen.

6 De beslissing

Het hof wijst het beklag af.

Deze beschikking, waartegen voor betrokkenen geen rechtsmiddel openstaat, is gegeven op

9 september 2021 door mrs. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, V. Mul en A.R.O. Mooy, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. K. van der Togt, griffier, en ondertekend door de jongste raadsheer en de griffier.