Strafrecht overig

Artikel 12. Lasterlijke aanklacht. Afwijzing beklag.

Zaakgegevens

Op 28 september 2021 heeft het Gerechtshof Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
28 september 2021
Datum publicatie
21 december 2021
Zaaknummer
K21/230043
Procedure
Raadkamer
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2021:3991
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Artikel 12. Lasterlijke aanklacht. Afwijzing beklag.

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

beklagkamer

rekestnummer K21/230043

Beschikking op het beklag van:

[klaagster],

wonende te [woonplaats],

klaagster,

gemachtigde: mr. K.H.T. van Gijssel, advocaat te Diemen.

1 Het beklag

Het hof heeft op 25 januari 2021 het klaagschrift ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland om geen strafvervolging in te stellen tegen [beklaagde] (hierna: beklaagde) ter zake van lasterlijke aanklacht.

2 Het verslag van de advocaat-generaal

Bij verslag van 11 juni 2021 heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven het beklag af te wijzen.

3 De voorhanden stukken

Het hof heeft kennisgenomen van:

- het klaagschrift met bijlagen;

- het verslag van de advocaat-generaal;

- het dossier van de politie;

- het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland van 12 april 2021;

- de op 31 augustus 2021 door gemachtigde per e-mail aan het hof gezonden stukken, waaronder een onderzoeksrapport van de Raad van de Kinderbescherming van 16 januari 2020.

4 De behandeling in raadkamer

Het hof heeft klaagster in de gelegenheid gesteld op 2 september 2021 het beklag toe te lichten. Klaagster is, bijgestaan door gemachtigde, in raadkamer verschenen en heeft het beklag toegelicht en gehandhaafd.

De advocaat-generaal is bij de behandeling in raadkamer aanwezig geweest. In hetgeen in raadkamer naar voren is gekomen heeft deze geen aanleiding gevonden de conclusie in het verslag te herzien.

5 De beoordeling van het beklag

Klaagster heeft op 23 december 2019 aangifte gedaan tegen beklaagde ter zake van lasterlijke aanklacht. De dochter van klaagster en beklaagde is geboren in [geboorteland]. Klaagster heeft in de zomer van 2019, nadat er relationele problemen waren ontstaan tussen haar en beklaagde, haar dochter mee naar Nederland genomen. Hier heeft zij haar dochter ingeschreven. Beklaagde heeft hierop een brief gestuurd aan de Nederlandse Kinderbescherming, waarin hij klaagster (en andere betrokkenen), zoals klaagster stelt, ‘zwart’ heeft gemaakt. Ook heeft hij een melding gedaan bij de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden, waarin hij klaagster heeft aangemerkt als kinderontvoerder.

Voor de weergave van de overige feitelijke uitgangspunten die van belang zijn voor de beoordeling verwijst het hof naar de inhoud van het ambtsbericht.

Uit de behandeling in raadkamer is naar voren gekomen dat de dochter momenteel bij beklaagde in [land] verblijft, in afwachting van de behandeling van een civiele zaak over deze kwestie door de [buitenlandse] rechter.

Het beoordelingskader

Het hof heeft te beoordelen of de strafrechter die over deze zaak zou moeten oordelen – al dan niet na nader onderzoek – zou kunnen komen tot een veroordeling voor enig strafbaar feit. Daarnaast moet het hof beoordelen of er, gelet op alle omstandigheden, voldoende belang is bij het alsnog instellen van strafrechtelijke vervolging. Indien het antwoord op beide vragen bevestigend luidt, zal een bevel tot vervolging worden gegeven.

De overwegingen van het hof

Het hof heeft kennis genomen van het rapport van de Kinderbescherming van 16 januari 2020, dat door de gemachtigde van klaagster aan het hof is toegezonden. Naar het oordeel van het hof biedt dit rapport steun voor een aanzienlijk deel van de uitlatingen die beklaagde over klaagster (en andere betrokkenen) heeft gedaan.

Voor zover dit rapport deze steun niet biedt, is niet gebleken dat beklaagde door het doen van zijn meldingen opzet heeft gehad op de aantasting van de eer of goede naam van klaagster. Uit de stukken volgt dat het zeer aannemelijk is dat beklaagde deze uitlatingen heeft gedaan omdat klaagster hun dochter mee naar Nederland heeft genomen en in strijd met tussen beklaagde en klaagster gemaakte afspraken daar heeft gehouden en hij daarom bang was haar nooit meer te zien.

Ten overvloede overweegt het hof dat indien het dossier al enig bewijs zou bevatten voor het plegen van lasterlijke aanklacht door beklaagde, het niet opportuun zou zijn om nader onderzoek of de vervolging te gelasten. De juridische strijd tussen de ouders ten aanzien van hun dochter is al onderwerp van een procedure bij de daartoe bevoegde rechter in [land]. Het hof is van oordeel dat deze kwestie daar moet blijven en niet binnen het bereik van het strafrecht in Nederland moet worden gebracht.

Het hof is dan ook van oordeel dat er goede redenen zijn om in deze zaak geen vervolging te gelasten. Het beklag is ongegrond.

6 De beslissing

Het hof wijst het beklag af.

Deze beschikking, waartegen voor betrokkenen geen rechtsmiddel openstaat, is gegeven op 28 september 2021 door mrs. P.F.E. Geerlings, voorzitter, N.A. Schimmel en A.R.O. Mooy, raadsheren, in tegenwoordigheid van K. van der Togt, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.