Strafrecht overig

Artikel 12. Valsheid in geschrift en meineed. Afwijzing beklag.

Zaakgegevens

Op 28 september 2021 heeft het Gerechtshof Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
28 september 2021
Datum publicatie
21 december 2021
Zaaknummer
K21/230114
Procedure
Raadkamer
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2021:3992
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Artikel 12. Valsheid in geschrift en meineed. Afwijzing beklag.

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

beklagkamer

rekestnummer K21/230114

Beschikking op het beklag van:

[klagers] ,

klagers,

woonplaats kiezende op het kantooradres van hun gemachtigde: mr. S.M. Diekstra, advocaat te Leiden.

1 Het beklag

Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft op 2 juni 2020 het klaagschrift ontvangen. Op 25 februari 2021 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden de zaak doorverwezen naar het hof Amsterdam. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Midden-Nederland om geen strafvervolging in te stellen tegen [beklaagden] (hierna: beklaagden) ter zake van valsheid in geschrift en meineed.

2 Het verslag van de advocaat-generaal

Bij verslag van 14 juni 2021 heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven het beklag af te wijzen.

3 De voorhanden stukken

Het hof heeft kennisgenomen van:

- het klaagschrift;

- het verslag van de advocaat-generaal;

- het dossier van de rijksrecherche;

- de processen-verbaal van officier van justitie [verbalisant 1] van 24 maart 2020 en van rechercheofficier van justitie [verbalisant 2] van 24 juni 2020 van het arrondissementsparket Midden-Nederland.

4 De behandeling in raadkamer

Het hof heeft klagers in de gelegenheid gesteld op 2 september 2021 het beklag toe te lichten. Klagers [klagers] zijn, bijgestaan door gemachtigde, in raadkamer verschenen en hebben het beklag toegelicht en gehandhaafd.

De advocaat-generaal is bij de behandeling in raadkamer aanwezig geweest. In hetgeen in raadkamer naar voren is gekomen heeft deze geen aanleiding gevonden de conclusie in het verslag te herzien.

5 De beoordeling van het beklag

Klagers hebben op 5 november 2019 aangifte gedaan ter zake van valsheid in geschrift, meineed en/of enig ander strafbaar feit, gepleegd door beklaagden. Beklaagden zijn werkzaam als rechter, respectievelijk griffier bij de rechtbank Overijssel.

Uit de stukken komen de volgende relevante feiten en omstandigheden naar voren.

Klagers [klagers] waren belanghebbenden in een civiele procedure ten aanzien van de uithuisplaatsing van hun kinderen. De Raad voor de Kinderbescherming had hiertoe een verzoek gedaan. De behandeling van dit verzoek vond plaats op 11 februari 2019 bij het Team Familie- en Jeugdrecht van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo. Beklaagde [beklaagden] was de kinderrechter op deze zitting. Beklaagde [beklaagden] was griffier op deze zitting. Alle klagers waren aanwezig op deze zitting. Aan klagers [klagers] (beiden familie van klager [klagers] ) was hiertoe bijzondere toegang verleend.

De aangifte van klagers ziet – kort gezegd – op het volgende.

Tijdens de zitting op 11 februari 2019 hebben klagers [klagers] en hun advocaat (mr. Van der Linden) een wrakingsverzoek gedaan ten aanzien van beklaagde [beklaagden] , in haar hoedanigheid als zittingsrechter. Volgens klagers is dit wrakingsverzoek gedaan voordat beklaagde [beklaagden] mondeling uitspraak had gedaan. In een brief van 20 februari 2019 aan de wrakingskamer van de rechtbank Overijssel heeft beklaagde [beklaagden] echter aangegeven dat het wrakingsverzoek van klagers na de mondelinge uitspraak is gedaan.

In deze brief is verwezen naar het proces-verbaal van de zitting, dat door beide beklaagden is opgemaakt. In dit proces-verbaal is eveneens opgenomen dat het wrakingsverzoek is gedaan nadat beklaagde [beklaagden] uitspraak had gedaan.

Klagers hebben buiten medeweten van beklaagden tijdens de zitting audio opnames gemaakt. Deze audio opnames hebben zij overgelegd aan het openbaar ministerie. De opname is beluisterd door de rijksrecherche en een officier van justitie en er zijn transcripties van deze opnames gemaakt. Uit deze stukken maakt het hof op dat beklaagde [beklaagden] aan het einde van de zitting heeft gezegd: ‘Ik beëindig de zitting en ik wijs..’. Op dat moment is een wrakingsverzoek door klagers (en hun advocaat) gedaan. Omdat meerdere procesdeelnemers op dat moment door elkaar praten, is – ondanks de meerdere transcripties en luistermomenten – niet precies duidelijk geworden wat er op welk moment is gezegd.

Uit onderzoek van de forensisch spraakonderzoekers van het Nederlands Forensisch Instituut volgt dat het maken van een betrouwbare transcriptie van de uitingen van de verschillende procesdeelnemers op het moment dat de wraking werd gedaan, niet mogelijk is.

Uit de audio opnames volgt daarnaast dat beklaagde [beklaagden] , na het sluiten van de zitting en het wrakingsverzoek, heeft gezegd dat zij klagers de gelegenheid wil bieden om ‘een wrakingsverzoek behandeld te krijgen voor de mondelinge uitspraak’. Deze opmerking van de rechter is niet opgenomen in het proces-verbaal van de zitting.

Het beoordelingskader

Het hof heeft te beoordelen of de strafrechter die over deze zaak zou moeten oordelen – al dan niet na nader onderzoek – zou kunnen komen tot een veroordeling voor enig strafbaar feit. Daarnaast moet het hof beoordelen of er, gelet op alle omstandigheden, voldoende belang is bij het alsnog instellen van strafrechtelijke vervolging. Indien het antwoord op beide vragen bevestigend luidt, zal een bevel tot vervolging worden gegeven.

De overwegingen van het hof

Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat een wrakingsverzoek niet meer kan gedaan kan worden, indien de rechter reeds begonnen is met de einduitspraak in een zaak. Uit de stukken volgt naar het oordeel van het hof dat beklaagde [beklaagden] , de rechter in deze zaak, op het moment van wraking de zitting had beëindigd en een aanvang had gemaakt met het uitspreken van het mondelinge vonnis. Het wrakingsverzoek van klagers is aldus niet tijdig gedaan. Bovendien volgt hieruit dat het wrakingsverzoek niet is gedaan voorafgaand aan de mondelinge uitspraak, zoals klagers stellen.

De uitspraak van beklaagde Lorist over de behandeling van het wrakingsverzoek is daarnaast gedaan nadat de zaak al gesloten was. Deze zin maakt hierdoor geen deel uit van de zitting en behoeft derhalve niet in het proces-verbaal te worden opgenomen.

Gelet op het voorgaande bevat het dossier geen aanwijzingen dat beklaagden zich schuldig hebben gemaakt aan enig strafbaar feit. Het hof is dan ook van oordeel dat er goede redenen zijn om in deze zaak geen vervolging te gelasten. Het beklag is ongegrond.

Het hof zal daarom als volgt beslissen.

6 De beslissing

Het hof wijst het beklag af.

Deze beschikking, waartegen voor betrokkenen geen rechtsmiddel openstaat, is gegeven op 28 september 2021 door mrs. P.F.E. Geerlings, voorzitter, N.A. Schimmel en A.R.O. Mooy, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. K. van der Togt, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.

Zie onder andere Hoge Raad 18 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:AD2977 (NJ 1999,271).