Belastingrecht
LH. Verkrijging certificaten van aandelen. Waarde in het economische verkeer. Loonvoordeel?
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16 april 2019
ECLI:NL:GHARL:2019:3455 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 16 april 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/bestuursrecht/belastingrecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2019-3455
Zaakgegevens
Op 16 april 2019 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 16 april 2019
- Datum publicatie
- 18 april 2019
- Zaaknummer
- 19/00048
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2019:3455
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
LH. Verkrijging certificaten van aandelen. Waarde in het economische verkeer. Loonvoordeel?
Procesgang
Uitspraak · 2018
ECLI:NL:RBMNE:2018:6621Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 16 april 2019deze uitspraak
ECLI:NL:GHARL:2019:3455
Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
Locatie Arnhem
nummer 19/00048
uitspraakdatum: 16 april 2019
Uitspraak van de achttiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 23 november 2018, nummer UTR 17/5256, in het geding tussen belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht
1 Ontstaan en loop van het geding
Het hogerberoepschrift is op 4 januari 2019 ontvangen ter griffie van het Hof.
Bij aangetekend schrijven van 24 februari 2019, gericht aan het bij het Hof bekende adres van belanghebbendes gemachtigde, heeft de griffier belanghebbendes gemachtigde herinnerd aan de verschuldigdheid van het griffierecht van € 128. In het schrijven is meegedeeld dat als het verschuldigde bedrag niet of niet tijdig is overgemaakt op de in de brief vermelde bankrekening, belanghebbende het risico loopt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. Uit onderzoek is gebleken dat dit schrijven op 26 februari 2019 is afgehaald bij een locatie van PostNL.
Op 25 maart 2019 is € 10,00 bijgeschreven op de desbetreffende bankrekening.
2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het griffierecht bedraagt € 128. Dat bedrag is niet binnen de gestelde termijn bijgeschreven op de rekening die is vermeld in de hiervóór genoemde brief van de griffier. Aldus is het voor het instellen van het hoger beroep verschuldigde griffierecht niet tijdig betaald.
Er zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Nu het hoger beroep volgens artikel 8:108, eerste lid juncto 8:41, zesde lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet-ontvankelijk moet worden verklaard, sluit het Hof het onderzoek en doet het uitspraak op de voet van artikel 8:54 van de Awb. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
3 Kosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.
4 Beslissing
Het Hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Keulemans, lid van de achttiende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van M.H.J. Pince van der Aa als griffier.
De beslissing is op in het openbaar uitgesproken.
|
(M.H.J. Pince van der Aa) |
(A.E. Keulemans) |
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 16 april 2019
Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak hiertegen een verzetschrift indienen bij dit Gerechtshof. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen op het verzet te worden gehoord.
Een kopie van deze uitspraak moet bij het verzetschrift worden overgelegd. Het verzetschrift moet zijn ondertekend en ten minste bevatten:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. de vermelding van de uitspraak waartegen het verzet is gericht;
d. de gronden van het verzet, waarbij de bezwaren tegen de uitspraak duidelijk zijn omschreven.
Deze uitspraak vervalt indien het Gerechtshof het verzet gegrond verklaart. De behandeling van het hoger beroep wordt dan voortgezet in de stand waarin het zich bevond toen deze uitspraak werd gedaan