Belastingrecht
Wet Woz. Waardevaststelling woning.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16 november 2021
ECLI:NL:GHARL:2021:10712 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 16 november 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/bestuursrecht/belastingrecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2021-10712
Zaakgegevens
Op 16 november 2021 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 16 november 2021
- Datum publicatie
- 19 november 2021
- Zaaknummer
- 20/00012
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2021:10712
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Wet Woz. Waardevaststelling woning.
Procesgang
Uitspraak · 2019
ECLI:NL:RBOVE:2019:4328Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 16 november 2021deze uitspraak
ECLI:NL:GHARL:2021:10712
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer: 20/00012
uitspraakdatum: 16 november 2021
Uitspraak van de tweede enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 20 november 2019, nummer Awb 18/1877 in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Hellendoorn, (hierna: de heffingsambtenaar)
1 Ontstaan en loop van het geding
Bij beschikking van 28 februari 2018 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak aan de [adres1] 75 in [plaats] (hierna ook: de woning) voor het belastingjaar 2018 vastgesteld op € 168.000 naar de waardepeildatum 1 januari 2017.
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak van 7 september 2018 de bezwaren ongegrond verklaard.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen. De rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank) heeft bij uitspraak van 20 november 2019 het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het hogerberoepschrift gedateerd 27 december 2019 is op 2 januari 2020 ontvangen door het Hof.
De heffingsambtenaar heeft op 17 juli 2020 een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2021. Namens belanghebbende is verschenen mr. [naam1] (hierna: [naam1] ). Namens de heffingsambtenaar is verschenen [naam2] .
2 Feiten
Belanghebbende is eigenaar van de vrijstaande woning, bouwjaar 1935, met een inhoud van 300 m³ en een kaveloppervlakte van 1.315 m². Bij de woning behoort een aangebouwde berging met een inhoud van 235 m³ en een vrijstaande berging met een inhoud van 105 m³. Deze woning is op 30 juli 2019 verkocht voor € 249.000. De levering heeft plaatsgevonden op 1 november 2019. De woning en bijgebouwen verkeerden per waardepeildatum in een zeer slechte toestand.
3 Geschil
In geschil is of de WOZ-waarde van de onroerende zaak door de heffingsambtenaar te laag is vastgesteld. Belanghebbende stelt dat de waarde van de woning niet lager kan zijn dan € 199.000. De heffingsambtenaar betoogt dat de waarde niet te laag is vastgesteld.
4 Beoordeling van het geschil
Op grond van artikel 17, lid 2, Wet WOZ wordt de waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer die dient te worden vastgesteld op de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor de onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn besteed (vgl. TK, vergaderjaar 1992-1993, 22885, nr. 3, blz. 44, en HR 8 augustus 2003, nr. 38.085, ECLI:NL:HR:2003:AI0924).
Belanghebbende heeft gemotiveerd gesteld dat de vastgestelde waarde voor het belastingjaar 2018 te laag is. Gelet daarop rust op de heffingsambtenaar de last, in het licht van hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, feiten aannemelijk te maken die meebrengen dat de door hem verdedigde waarde niet te laag is.
Ter onderbouwing van de door hem verdedigde waarde van de woning wijst de heffingsambtenaar op een in hoger beroep overgelegde taxatiematrix van taxateur [naam3] van 15 juli 2020, waarin de waarde per 1 januari 2017 van de woning op basis van de vergelijkingsmethode als volgt is onderbouwd:
|
Object |
Bj |
Opp. kavel |
Inhoud hoofdgebouw |
Inhoud bijgebouwen |
Waarde |
|
[adres1] 75 |
1935 |
1.315 m2 |
300 m³ |
340 m³ |
€ 168.000 |
|
Vergelijkingsobjecten |
Koopsom |
||||
|
[adres2] 53 |
1900 |
980 m2 |
275 m³ |
75 m³ |
€ 140.000 (03-06-2016) |
|
[adres3] 8A |
1970 |
2.370 m2 |
487 m³ |
385 m³ |
€ 236.000 (23-03-2016) |
Alle referentiepanden verkeerden per verkoopdatum in een zeer slechte toestand. Het pand aan de [adres2] is na verkoop gesloopt en het pand aan de [adres3] is na verkoop volledig gestript, gerenoveerd en uitgebouwd.
Bij de waardebepaling is de volgende grondstaffel gehanteerd:
|
Oppervlakte |
€/m² |
|
|
1 m² |
€ |
260,00 |
|
400 m² |
€ |
260,00 |
|
500 m² |
€ |
221,97 |
|
600 m² |
€ |
196,61 |
|
700 m² |
€ |
178,50 |
|
800 m² |
€ |
164,92 |
|
1000 m² |
€ |
145,90 |
|
1250 m² |
€ |
130,69 |
|
1500 m² |
€ |
113,96 |
|
2000 m² |
€ |
89,91 |
|
2500 m² |
€ |
75,28 |
|
3000 m² |
€ |
63,78 |
|
3500 m² |
€ |
55,53 |
|
4000 m² |
€ |
49,34 |
Het pand aan de [adres2] heeft ligging 2, hetgeen resulteert in een aftrek van 10% op de waarde van de grond volgens de grondstaffel. Het pand aan de [adres3] heeft ligging 4, hetgeen resulteert in een opslag van 10% op de waarde van de grond volgens de grondstaffel.
Gelet op de in de taxatiematrix opgenomen gegevens en foto’s is de onroerende zaak naar het oordeel van het Hof voldoende vergelijkbaar met de vergelijkingsobjecten. Gelet op hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd en op de voor die vergelijkingsobjecten gerealiseerde gecorrigeerde verkoopprijzen van, gelet op de onderhoudstoestand van alle woningen, vooral de grond, acht het Hof aannemelijk dat de waarde van de woning niet te laag is vastgesteld. Het eigen verkoopcijfer van de woning brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Dat verkoopcijfer is 2 jaar en 7 maanden na de waardepeildatum tot stand gekomen. Dit tijdsverloop maakt het niet onaannemelijk dat, gelet op de (zeer) stijgende markt voor woningen in deze periode, dit verkoopcijfer in lijn is met een waarde van maximaal € 168.000 per waardepeildatum.
Ter zitting zijn door belanghebbende de andere beroepsgronden ingetrokken, waaronder het beroep op betalingsonmacht ter zake van het betalen van het griffierecht en het verzoek de zitting op digitale wijze te laten plaatsvinden.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep van belanghebbende ongegrond.
5 Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.
6 Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.
De beslissing is op 16 november 2021 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
( A. Vellema) (R.A.V. Boxem)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 16 november 2021.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.