Belastingrecht
OZB. Rechtmatigheid verordening.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 7 juni 2022
ECLI:NL:GHARL:2022:4693 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 7 juni 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/bestuursrecht/belastingrecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2022-4693
Zaakgegevens
Op 7 juni 2022 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 7 juni 2022
- Datum publicatie
- 8 juni 2022
- Zaaknummer
- 21/00565
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2022:4693
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
OZB. Rechtmatigheid verordening.
Procesgang
Rechtbank Midden-Nederland · 25 maart 2021
ECLI:NL:RBMNE:2021:1660Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 7 juni 2022deze uitspraak
ECLI:NL:GHARL:2022:4693
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer 21/00565
uitspraakdatum: 7 juni 2022
Uitspraak van de tweede enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende),
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 25 maart 2021, nummer UTR 20/3783, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Hilversum (hierna: de heffingsambtenaar)
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van het object [adres1] 90 te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) per waardepeildatum 1 januari 2019 en naar de toestand op die datum, voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 387.000. Daarbij is tevens een aanslag in de Onroerendezaakbelasting (hierna: OZB) Eigenaar vastgesteld van € 315,79 (0,0816% van € 387.000).
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraken op bezwaar de vastgestelde waarde en de aanslag OZB gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2022. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [de taxateur] , taxateur.
2 Vaststaande feiten
De woning is een in 1974 gebouwde hoekwoning met dakopbouw van ongeveer 9 m³, een inpandige garage en een berging. De woning heeft een inhoud van ongeveer 421 m³ en ligt op een kavel van 223 m².
3 Geschil
Belanghebbende heeft ter zitting het geschil beperkt tot de vraag of de gemeentelijke Verordening Onroerende zaakbelastingen 2020 (hierna: de Verordening) verbindend is. Hij heeft daartoe gesteld dat de stijgende huizenprijzen leiden tot een willekeurige en onredelijke heffing van OZB die de (formele) wetgever niet op het oog kan hebben gehad.
4 Beoordeling van het geschil
Belanghebbende heeft afschriften van de aanslagen OZB met betrekking tot de jaren 2017 en 2021 bijgevoegd. In 2017 bedroeg de aanslag OZB € 258,71, te weten 0,0934% (tarief) van € 277.000 (WOZ-waarde). In 2021 bedroeg de aanslag OZB € 344,43, te weten 0,0824% (tarief) van € 418.000 (WOZ-waarde).
Zoals ook tijdens de parlementaire behandeling is opgemerkt, kunnen gemeenten op grond van artikel 219, lid 2, van de Gemeentewet, behoudens het verbod op het hanteren van draagkracht als verdelingsmaatstaf en de in de wet gegeven nadere regelen, zelf invulling geven aan de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven voor de gemeentelijke belastingen en rechten. Het staat hun in beginsel vrij die heffingsmaatstaven op te nemen die zich het beste verstaan met het gemeentelijk beleid en de praktijk van de belastingheffing (Kamerstukken II 1989/90, 21 591, nr. 3, blz. 65-67 en blz. 77-78). Voor onverbindendverklaring is slechts plaats indien een regeling is getroffen die in strijd is met enig algemeen rechtsbeginsel die een willekeurige en onredelijke heffing tot gevolg heeft gehad die de (formele) wetgever niet op het oog kan hebben gehad.
Naar het oordeel van het Hof is hiervan geen sprake. Noch het tarief opgenomen in de Verordening van 0,0816%, noch de hoogte van de aanslag OZB die mede hiervan het gevolg is, leiden tot een onredelijke of willekeurige belastingheffing, ook niet in vergelijking met de tarieven in eerdere of latere verordeningen, of de hoogte van de aanslagen OZB die op grond van die verordeningen zijn opgelegd. Belanghebbendes stelling dat de stijging van huizenprijzen direct leidt tot evenredig hogere aanslagen OZB wordt niet ondersteund door de feiten, nu de hoogte van de aanslagen OZB mede wordt bepaald door het tarief. Dit laatste blijkt ook uit het feit dat ontwikkeling van de WOZ-waarde in de periode 2017-2021 (€ 418.000/€ 277.000 x 100% = 150,9%) geen gelijke tred houdt met de ontwikkeling van de aanslagen OZB in diezelfde periode (€ 344,43/€ 258,71 x 100% = 133,1%). Ook de zeer forse stijging van de huizenprijzen in het algemeen of de stijging van de WOZ-waarde van de woning van belanghebbende in het bijzonder brengen het Hof derhalve niet tot een ander oordeel.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.
5 Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.
6 Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2022.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen,
De voorzitter,
(R.A.V. Boxem)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 8 juni 2022.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.