Belastingrecht

IB/PVV. Immateriële schadevergoeding.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 april 2026

Zaakgegevens

Op 14 april 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
14 april 2026
Datum publicatie
20 april 2026
Zaaknummer
24/1272
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:2353
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

IB/PVV. Immateriële schadevergoeding.

Procesgang

  1. Rechtbank Noord-Nederland · 6 juni 2024

    ECLI:NL:RBNNE:2024:2177
  2. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 14 april 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHARL:2026:2353

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

nummer BK-ARN 24/1272

uitspraakdatum: 14 april 2026

Uitspraak van de zeventiende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 6 juni 2024, nummer LEE 22/4301 in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Eindhoven (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2020 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen van € 38.117. Tegelijk met deze aanslag heeft de Inspecteur bij beschikking een bedrag van € 233 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) veroordeeld tot het vergoeden aan belanghebbende van immateriële schade, proceskosten en griffierecht.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2026. Daarbij is verschenen en gehoord namens de Inspecteur mr. [naam1] , bijgestaan door mr. [naam2] . Belanghebbende is zonder kennisgeving niet verschenen. Bij aangetekende brief van 10 februari 2026, geadresseerd aan het in het hogerberoepschrift opgegeven adres [adres] te [woonplaats] , is belanghebbende uitgenodigd voor de zitting. Volgens de gegevens van Track & Trace van PostNL is op 11 februari 2026 om 13:53 uur deze brief ontvangen. Het Hof gaat daarom ervan uit dat belanghebbende op regelmatige wijze is uitgenodigd voor de zitting.

1.6.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Op 3 januari 2022 heeft belanghebbende de aangifte IB/PVV 2020 ingediend naar een

belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.479, geheel bestaande uit loon uit vroegere

dienstbetrekking (een uitkering van het UWV). Daarin is een bedrag van € 1.731 aan ingehouden loonheffingen aangegeven.

2.2.

Met dagtekening 18 februari 2022 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een voorlopige aanslag over 2020 op basis van zijn aangifte opgelegd. Daaruit volgde een teruggaaf van € 1.650.

2.2.

Met dagtekening 26 april 2022 heeft de Inspecteur de definitieve aanslag IB/PVV 2020 vastgesteld in afwijking van de ingediende aangifte. Het belastbare inkomen uit werk en woning is vastgesteld op € 38.117, bestaande uit een bedrag van € 30.638 aan loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en een bedrag van € 7.479 loon uit vroegere dienstbetrekking. Het bedrag aan ingehouden loonheffingen is vastgesteld op € 4.104.

2.3.

Op 31 mei 2022 heeft belanghebbende een herziene aangifte IB/PVV 2020 ingediend. Het daarin aangegeven belastbare inkomen uit werk en woning bedraagt € 38.117 en bestaat uit loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Belanghebbende heeft daarin een bedrag van € 31.010 aan ingehouden loonheffing opgenomen. Deze aangifte heeft de Inspecteur aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de definitieve aanslag IB/PVV 2020.

2.4.

De Inspecteur heeft met dagtekening 19 juli 2022 een vooraankondiging uitspraak op bezwaar naar belanghebbende gestuurd. Bij uitspraak op bezwaar van 26 augustus 2022 heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.

2.5.

Uit door de Inspecteur overgelegde, gerenseigneerde informatie blijkt dat belanghebbende in 2020 de volgende inkomsten heeft genoten:

Inkomsten

Ingehouden loonheffing

Dienstbetrekking

[uitzendorganisatie]

0

0

Tegenwoordige dienstbetrekking

UWV

€ 30.638

€ 2.373

Tegenwoordige dienstbetrekking

UWV

€ 7.479

€ 1.731

Vroegere dienstbetrekking

Totaal

€ 38.117

€ 4.104

De uitkering van € 7.479 is een WIA-uitkering die is ingegaan op 9 augustus 2020. De uitkering van € 30.638 betreft een Ziektewetuitkering.

2.6.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de aanslag IB/PVV voor het jaar 2020 terecht en op het juiste bedrag is opgelegd. Zij heeft het beroep ongegrond verklaard. In de overschrijding van de redelijke termijn van de behandeling door de Rechtbank heeft zij ambtshalve aanleiding gezien de Minister te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade van € 500. In verband daarmee heeft de Rechtbank de Minister ook veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van € 35 en het griffierecht van € 50.

3. Geschil

In hoger beroep is – naar het hof begrijpt – de hoogte van de (immateriële) schadevergoeding in geschil.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Belanghebbende heeft zijn hogerberoepschrift digitaal ingediend bij de Centrale Raad van Beroep. Daarin heeft hij uitdrukkelijk het zaaknummer LEE 22/4301 opgenomen, het zaaknummer van de onderhavige uitspraak van de Rechtbank. Vervolgens heeft de Centrale Raad van Beroep het hogerberoepschrift doorgestuurd aan het Hof. Uit het hogerberoepschrift leidt het Hof af dat belanghebbende het niet eens is met de uitspraak van de Rechtbank, te weten met de daarin opgenomen de hoogte van de (immateriële) schadevergoeding.

4.2.

De Rechtbank heeft ter zake van de vergoeding van immateriële schade het volgende overwogen, waarbij voor ‘eiser’ ‘belanghebbende’ moet worden gelezen:

“8. Eiser heeft niet verzocht om een immateriële schadevergoeding (ISV) wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank ziet in deze zaak aanleiding om ambtshalve te beoordelen of de redelijke termijn is overschreden omdat de redelijke termijn is verstreken na afloop van de zesweekstermijn voor het doen van uitspraak. Volgens vaste jurisprudentie geldt voor een uitspraak in eerste aanleg dat deze niet binnen een redelijke termijn is gedaan als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In die termijn is de duur van de bezwaarfase begrepen. De termijn vangt aan op de dag van ontvangst van het bezwaarschrift en eindigt op de dag van de uitspraak in het beroep. Daarbij heeft te gelden dat de bezwaarfase niet langer dan een halfjaar mag duren en de beroepsfase niet langer dan anderhalf jaar. De ISV bedraagt forfaitair € 500 per halfjaar (of deel daarvan) van overschrijding.

9. De inspecteur heeft het bezwaarschrift op 31 mei 2022 ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 6 juni 2024. Tot aan de datum van deze uitspraak zijn er afgerond 2 jaren en een week verstreken, zodat de redelijke termijn voor geschilbeslechting met een week is overschreden. Dit leidt tot een ISV van € 500. Deze overschrijding is geheel aan de rechtbank toe te rekenen. De Minister zal daarom veroordeeld worden tot het betalen van de ISV van € 500. “

4.3.

Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank met haar hiervoor aangehaalde overwegingen op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof neemt deze overwegingen dan ook over en maakt deze tot de zijne. Voor zover belanghebbende daartegen in hoger beroep wat aanvoert, maakt dit het oordeel van de Rechtbank niet anders.

4.4.

Uit hetgeen belanghebbende in zijn hogerberoepschrift heeft opgenomen, begrijpt het Hof dat hij niet opkomt tegen de aanslag. Nu evenmin gebleken is dat die aanslag onjuist is, leidt het hoger beroep in ieder geval niet tot een lagere aanslag. Voor zover belanghebbende met zijn hoger beroep een vergoeding van materiële schade beoogt, merkt het Hof op dat daarvoor op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht, welk artikel op grond van artikel V van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Stb. 2013, 50) op dit geding nog van toepassing is, geen ruimte is omdat het (hoger) beroep ongegrond is.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.

De beslissing is op 14 april 2026 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(K. de Jong-Braaksma) (G.B.A. Brummer)

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.