Belastingrecht
Wet Woz. Motiveringsbeginsel.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 juni 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:3807 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 9 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/bestuursrecht/belastingrecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-3807
Zaakgegevens
Op 9 juni 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 9 juni 2026
- Datum publicatie
- 12 juni 2026
- Zaaknummer
- 24/1698
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:3807
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Wet Woz. Motiveringsbeginsel.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
nummer BK-ARN 24/1698
uitspraakdatum: 9 juni 2026
Uitspraak van de elfde enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 30 juli 2024, nummer LEE 23/667, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Terschelling (hierna: de heffingsambtenaar)
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] te [woonplaats] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2021, voor het jaar 2022 vastgesteld op € 397.000. Tegelijk met deze beschikking is voor dat jaar een aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor zover het betreft het eigenaarsgedeelte opgelegd.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het Hof heeft partijen gevraagd of zij ter zitting willen worden gehoord. Partijen hebben binnen de gestelde termijn van twee weken daarop niet gereageerd. Het Hof heeft vervolgens bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.
2 Vaststaande feiten
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van de waarde van de woning voor het jaar 2022 op € 397.000.
In het door de gemachtigde van belanghebbende ingediende bezwaarschrift is aangegeven dat de waarde van de woning niet hoger kan zijn dan € 317.000. Die waarde zou zijn gebaseerd op de door belanghebbende aan de gemachtigde verstrekte gegevens en een ‘quickscan’ van de waarde. Er zou onvoldoende rekening zijn gehouden met de marktsituatie rond de waardepeildatum. Ter controle van de waarde is verzocht om toezending van een taxatieverslag en afschriften van de gegevens die ten grondslag hebben gelegen aan de vastgestelde waarde (als bedoeld in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ).
Naar aanleiding van het bezwaar heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbende een taxatieverslag toegezonden. In dat taxatieverslag zijn (onder meer) (transactie)gegevens vermeld van zowel de woning als een drietal referentieobjecten ( [adres2] , [adres3] en [adres4] , alle gelegen te [woonplaats] ). In de bijlagen bij het taxatieverslag is verder inzicht gegeven in de waardeontwikkeling (bijlage 1) en in het waarderingsmodel en de daarbij gehanteerde correctiefactoren (bijlage 2).
Op 29 juni 2022 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Volgens de uitspraak op bezwaar heeft belanghebbendes gemachtigde bij die gelegenheid (onder meer) de vergelijkbaarheid van de referentieobjecten [adres3] (afwijkend bouwjaar) en [adres4] (kleiner object, gelegen op een kleiner perceel) ter discussie gesteld. Verder is gevraagd naar de transactie van het referentieobject [adres2] . Daarnaast is tijdens de hoorzitting gewezen op de waardestijging van de woning ten opzichte van de voor het eerdere jaar vastgestelde waarde.
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard. De uitspraak op bezwaar is, voor zover relevant, als volgt gemotiveerd:
“Onderstaande marktgegevens onderbouwen de waarde van uw woning.
|
Straat |
Huis nr. |
Bouw jaar |
Woon opp. |
Grond opp. |
Verkoop datum |
Verkoop prijs |
Kw/Lu |
Oh |
Li |
|
[adres2] |
3 |
1929 |
111 m2 |
515 m2 |
10-01-2020 |
€ 250.000 |
3 |
3 |
onbekend |
|
[adres4] |
28 |
1901 |
50 m2 |
58 m2 |
02-12-2020 |
€ 250.000 |
4 |
4 |
3 |
|
[adres5] |
247 |
1924 |
74 m2 |
229 m2 |
10-05-2021 |
€ 250.000 |
3 |
3 |
3 |
(…)
Bevindingen taxateur
In uw bezwaarschrift schrijft u dat u een quick-scan van de WOZ-waarde heeft laten uitvoeren door een taxateur. Op basis van deze quick-scan bent u van mening dat de waarde € 371.000 is [Hof: bedoeld is € 317.000]. Uw quick-scan kan de taxateur niet beoordelen. Naar aanleiding van uw bezwaarschrift heeft de taxateur de woning nogmaals beoordeeld. Hierbij is rekening gehouden met de onderlinge verschillen in waardebepalende factoren tussen uw woning en de verkochte woningen. De verkoopcijfers van deze vergelijkingsobjecten laten zien dat de waarde juist is vastgesteld.
Tijdens de hoorzitting geeft u aan dat de WOZ-waarde te veel is gestegen ten opzichte van de vorige vastgestelde waarde. De WOZ-waarde moet onafhankelijk van de vorige waardebepaling worden vastgesteld. Dit gebeurt aan de hand van rond de peildatum gerealiseerde verkoopcijfers van soortgelijke woningen. Het is dan ook niet juist om de huidige WOZ-waarde te vergelijken met een vorige WOZ-waarde.
Tijdens de hoorzitting stelt u dat u enkel de transactie van [adres2] op 14-01-20 heeft kunnen vinden. Bij controle is gebleken dat de gerealiseerde transactie van [adres2] heeft plaats gevonden op 10-01-2020.
Tijdens de hoorzitting geeft u aan dat voor de waardebepaling van de woning is uitgegaan van verkoopgegevens van woningen die onvoldoende vergelijkbaar zijn. Voor de waardebepaling op basis van de Wet WOZ wordt uitgegaan van verkoopgegevens van vergelijkbare woningen die rond de waardepeildatum zijn verkocht. Deze woningen hoeven niet identiek te zijn aan de woning. Bij de waardebepaling wordt namelijk rekening gehouden met verschillen in bijvoorbeeld de inhoud, de perceeloppervlakte en het bouwjaar. Naast de oorspronkelijk gehanteerde verkoopgegevens heeft de taxateur geconstateerd dat er nog andere vergelijkbare woningen rond de waardepeildatum zijn verkocht. Deze zijn meegenomen bij de hertaxatie.
(…)”
Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld en met betrekking tot de waarde van de woning aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met de specifieke ligging van de woning (naast een brandweerkazerne), wat een negatieve invloed zou hebben op de waarde. Verder is aangevoerd dat referentieobjecten [adres2] en [adres5] , wanneer de onderlinge verschillen juist worden verdisconteerd, een lagere waarde onderbouwen. De beroepsgronden over de stijging van de waarde ten opzichte van het eerdere jaar en over schending van de toezendplicht (als bedoeld in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ), heeft belanghebbende ter zitting van de Rechtbank ingetrokken.
In beroep heeft de heffingsambtenaar een waardematrix overgelegd, opgesteld door [naam1] , taxateur. Hierin is de waarde van de woning, aan de hand van een vergelijking met een drietal nieuwe referentieobjecten ( [adres6] [adres7] en [adres8] , alle gelegen te [woonplaats] ), getaxeerd op € 420.000.
Naar het oordeel van de Rechtbank heeft de heffingsambtenaar daarmee aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Volgens de Rechtbank staat het de heffingsambtenaar vrij om in beroep de waarde van de woning met andere referentieobjecten te onderbouwen dan hij in een bezwaarfase heeft gedaan. Daarom zijn de referentieobjecten [adres2] en [adres5] verder buiten beschouwing gelaten. De Rechtbank heeft de heffingsambtenaar gevolgd in zijn betoog dat de ligging naast een brandweerkazerne niet waardedrukkend is, waarbij in aanmerking is genomen dat de getaxeerde waarde ruim boven de vastgestelde waarde ligt (€ 23.000).
Omdat het beroep ongegrond is, heeft de Rechtbank geen aanleiding gezien voor een vergoeding van griffierecht en proceskosten.
3 Geschil
In hoger beroep is de waarde van de woning niet langer in geschil, maar alleen nog of belanghebbende recht heeft op vergoeding van griffierecht en proceskosten voor het beroep.
Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend. Kort en zakelijk weergegeven voert belanghebbende daarvoor aan dat beroep moest worden ingesteld om een deugdelijke onderbouwing van de waarde te krijgen. Volgens belanghebbende is in de bezwaarfase het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel geschonden.
De heffingsambtenaar beantwoordt de vraag ontkennend, omdat volgens hem de waarde in de uitspraak op bezwaar voldoende is onderbouwd en is gerespondeerd op hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd.
4 Beoordeling van het geschil
Op grond van de artikelen 3:46 en 7:12 van de Awb dienen een besluit en de uitspraak op het bezwaar daartegen te berusten op een deugdelijke motivering (motiveringsbeginsel). Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar het motiveringsbeginsel niet geschonden. In de bezwaarfase heeft de heffingsambtenaar een uitvoerig taxatieverslag verstrekt, waarin ook gegevens zijn opgenomen die ten grondslag hebben gelegen aan de vastgestelde waarde (als bedoeld in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ). Verder is de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar voldoende ingegaan op de in het bezwaarschrift en tijdens de hoorzitting door belanghebbende naar voren gebrachte grieven. Ter zake van de in de uitspraak op bezwaar genoemde referentieobjecten heeft de heffingsambtenaar bovendien de nodige gegevens vermeld, zodat belanghebbende zich hiervan een voldoende beeld heeft kunnen vormen.
Evenmin kan worden gezegd dat de heffingsambtenaar de uitspraak op bezwaar niet zorgvuldig heeft voorbereid door onvoldoende kennis te vergaren omtrent de relevante feiten.
Gelet op het voorgaande kan niet worden geoordeeld dat belanghebbende heeft moeten doorprocederen om een deugdelijke onderbouwing van de vastgestelde WOZ-waarde te krijgen. Het stond de heffingsambtenaar vrij om de waarde in beroep met andere referentieobjecten te onderbouwen. De eerdere onderbouwing heeft in zoverre geen betekenis meer. Voor een veroordeling van de heffingsambtenaar in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, is daarom geen plaats. Evenmin bestond aanleiding om de heffingsambtenaar het griffierecht te laten vergoeden.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.
5 Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.
6 Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.R. Woeltjes, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. K.M. van Ophoven als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.
De griffier, De raadsheer,
(K.M. van Ophoven) (V.F.R. Woeltjes)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.