Belastingrecht

IB/PVV. Vereiste aangifte. Redelijke schatting.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 8 september 2026

Zaakgegevens

Op 8 september 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
8 september 2026
Datum publicatie
10 september 2026
Zaaknummer
24/1816 en 24/1817
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:5876
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

IB/PVV. Vereiste aangifte. Redelijke schatting.

Procesgang

  1. Rechtbank Gelderland · 12 september 2024

    ECLI:NL:RBGEL:2024:6221
  2. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 8 september 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHARL:2026:5876

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummers BK-ARN 24/1816 en 24/1817

uitspraakdatum: 8 september 2026

Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 10 september 2024, nummers ARN 23/4672 en 23/4674, ECLI:NL:RBGEL:2024:6221, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2019 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) en een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd. Tegelijk met de aanslag IB/PVV is bij beschikking belastingrente berekend.

1.2.

De Inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof). De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Belanghebbende is verschenen. Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam1] en [naam2] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende houdt alle aandelen in [bedrijfsnaam1] (hierna: [bedrijfsnaam1] ), [bedrijfsnaam2] en [bedrijfsnaam3] [bedrijfsnaam1] is de enige aandeelhouder van [vennootschap1] en [vennootschap2] Belanghebbende is de bestuurder van al deze vennootschappen.

2.2.

Een auto van het merk Mercedes Benz (hierna: de auto), stond vanaf 1 januari 2019 tot en met 22 oktober 2019 op naam van [vennootschap1] en vanaf 23 oktober 2019 op naam van [bedrijfsnaam3] De kosten van de auto werden feitelijk gedragen door [bedrijfsnaam1] . De auto stond belanghebbende in het jaar 2019 privé ter beschikking.

2.3.

Belanghebbende was in 2019 houder van de bankrekeningen met de nummers [bankrekeningnummer1] en [bankrekeningnummer2] . Uit de bankgegevens van die rekeningen volgt dat in 2019 op die rekeningen contante stortingen hebben plaatsgevonden van in totaal € 20.300.

2.4.

[vennootschap1] had in 2019 een ING-bankrekening en een ABN-bankrekening. Uit de gegevens van die rekeningen volgt dat in het jaar 2019 in totaal € 881.860 contant van die rekeningen is opgenomen en € 17.110 contant op die rekeningen is gestort.

2.5.

De Inspecteur heeft in de motivering van zijn uitspraak van 18 november 2019 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag IB/PVV 2017 onder meer geschreven:

“Gebruikelijk loon

Uit mijn gegevens blijkt dat u in het jaar 2017 enig aandeelhouder was van de volgende vennootschappen:

  • [bedrijfsnaam1] (…);

  • [bedrijfsnaam2] (…);

  • [vennootschap3] (…);

  • [bedrijfsnaam3] (…).

Omdat u aandeelhouder bent geweest van bovenvermelde vennootschappen in 2017 is de gebruikelijk loonregeling van toepassing is. Deze regeling houdt kort gezegd in dat een werknemer, doorgaans de directeur-grootaandeelhouder die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft, een bepaalde loonsom in aanmerking dient te nemen. Indien het daadwerkelijk uitgekeerde loon niet overeenkomt met een loon dat voor die functie gebruikelijk is en waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, dient een fictief loon te worden berekend. Het fictieve loon is dat deel van het gebruikelijk loon, dat niet daadwerkelijk is uitgekeerd. (…)

Horen

Op 1 oktober 2019 heb ik u in het kader uw bezwaar gehoord en heeft u een nadere toelichting gegeven met betrekking tot de gronden van uw bezwaar. U hebt het volgende nog aangegeven tijdens het gesprek (samengevat):

  • U heeft wel degelijk werkzaamheden verricht voor [bedrijfsnaam1] in 2017;

  • U heeft hiervoor geen salaris genoten, zeker geen € 45.000;

  • U heeft vooraf geen actie ondernomen richting de Belastingdienst om te onderzoeken of het fictief loon naar beneden kon worden bijgesteld;

  • U heeft o.a. mede in uw onderhoud voorzien door middel van giften van uw moeder;

  • [bedrijfsnaam2] en [bedrijfsnaam3] zijn twee vennootschappen opgericht om een auto in onder te brengen omdat u privé geen auto op naam mocht hebben;

  • [bedrijfsnaam2] en [vennootschap3] zijn inmiddels uitgeschreven;

  • Aan u stond in 2017 een auto ter beschikking vanuit een van de hiervoor vennootschappen. Een deel van het jaar heeft u gebruik gemaakt van de auto van uw zoon;

(…)

Naar aanleiding van onze bespreking (hoorgesprek) van 1 oktober 2019 heb ik besloten het in aanmerking te nemen inkomen uit werk en woning verder te verminderen tot € 45.000.

Omdat u werkzaamheden hebt verricht voor [bedrijfsnaam1] , een vennootschap waarvan u bestuurder en enig aandeelhouder bent, ben ik van mening dat een gebruikelijk loon door u dient te worden genoten van € 45.000. Omdat u elders een loon uit dienstbetrekking hebt genoten van € 14.614, wil ik het in aanmerking te nemen fictief loon met dit bedrag verminderen. Het in aanmerking te nemen fictief loon wordt dan € 30.386. Ik zie geen reden om uw fictief loon lager vast te stellen, mede gezien het feit dat aan u gedurende (een deel van) het jaar 2017 een auto privé ter beschikking heeft gestaan. (…)”

2.6.

[bedrijfsnaam1] heeft in het jaar 2020 aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2019 gedaan naar een belastbare winst en tevens een belastbaar bedrag van negatief € 33.610. Volgens die aangifte bedraagt in het jaar 2019 haar omzet € 98.570. Uit de afschriften van de bankrekening(en) van [bedrijfsnaam1] blijkt het volgende:

  • er is een bedrag van derden ontvangen van € 34.230;

  • de ontvangsten van [vennootschap1] bedragen € 105.556;

  • de ontvangsten van [vennootschap2] bedragen € 17.367;

  • de ontvangsten van [vennootschap4] en [vennootschap5] bedragen € 17.757;

  • de ontvangsten van [naam3] bedragen € 20.744;

  • er is voor € 21.859 aan uitgaven gedaan.

2.7.

Belanghebbende heeft, na daartoe te zijn uitgenodigd, op 6 april 2020 aangifte IB/PVV voor het jaar 2019 gedaan, naar een belastbaar loon van € 12.000 en een belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden van nihil. Het belastbaar inkomen uit werk en woning en tevens het verzamelinkomen bedraagt volgens de aangifte € 5.315.

2.8.

Belanghebbende en [naam3] (hierna: [naam3] ) zijn als verdachten betrokken bij een onderzoek van de FIOD onder de naam ‘ [onderzoeksnaam1] ’.

2.9.

Uit het proces-verbaal van het verhoor van belanghebbende door de FIOD van 6 oktober 2022 met documentcode [documentcode1] volgt dat de FIOD aan belanghebbende de volgende vermoedelijke modus operandi heeft voorgehouden:

“Wij tonen verdachte [belanghebbende] DOC-209 , een stroomschema van de vermoedelijke constructie waarin geld van [bedrijfsnaam4] wordt overgeboekt naar Nederlandse bedrijven en vervolgens contant wordt teruggebracht naar België.

Wij hebben het in de vorige verhoren met u gehad over de bedrijven en personen die op dit stroomschema staan genoemd en volgens ons bij het witwassen zijn betrokken. Bij ons is het beeld ontstaan van een vermoedelijke modus operandi en hiervan hebben wij dit stroomschema (…) gemaakt die we met u willen bespreken:

We zien dat er geld wordt overgemaakt van het bedrijf [bedrijfsnaam4] uit België. Dit geld wordt overgemaakt naar bankrekeningen van [bedrijfsnaam5] , het bedrijf van [naam4] . Het geld dat binnenkwam op de bankrekeningen van [bedrijfsnaam5] . wordt vervolgens doorgeboekt naar bankrekeningen van [bedrijfsnaam1] . Eerder boekte [bedrijfsnaam5] . ook bedragen over naar [bedrijfsnaam6] en [bedrijfsnaam7] , bedrijven waar [naam3] de directeur van was. Wij vermoeden dat op het moment dat de banken vragen stellen over de transacties op de bankrekening van [bedrijfsnaam5] . de betalingen van [bedrijfsnaam4] aan [bedrijfsnaam5] . stoppen en gaat [bedrijfsnaam4] betalingen doen aan [bedrijfsnaam8] , dat vlak daarvoor is opgericht. [bedrijfsnaam8] . is een bedrijf van [naam4] en zijn zoon [naam5] . Het geld dat binnenkomt op de bankrekening van [bedrijfsnaam8] . wordt vrijwel meteen doorgeboekt naar bankrekeningen op naam van [bedrijfsnaam1] . De aangevoerde grondslag voor het geld dat van [bedrijfsnaam5] , en later [bedrijfsnaam8] , naar [bedrijfsnaam1] . wordt overgemaakt zijn facturen van de bedrijven [bedrijfsnaam9] en [bedrijfsnaam10] Beide bedrijven hebben aan collega verbalisanten verklaart dat [bedrijfsnaam5] . en/of [bedrijfsnaam8] . geen klanten van hen zijn.

Vanaf de bankrekening van [bedrijfsnaam1] . werd in het begin contant geld opgenomen. Dit was het geld dat binnenkwam vanaf [bedrijfsnaam5] . en [bedrijfsnaam8] . Wij vermoeden dat op het moment dat de banken daar vragen over gingen stellen er een nieuw bedrijf tussen kwam, [bedrijfsnaam11] . Het geld dat binnenkwam bij [bedrijfsnaam1] werd vanaf dat moment vermoedelijk doorgeboekt naar bankrekeningen op naam van [bedrijfsnaam11] . Vanaf deze bankrekening werd het geld contant opgenomen. Op de camerabeelden hebben we gezien dat de contante opnames door [naam3] en [naam5] werden gedaan. Vervolgens vermoeden wij dat de opgenomen gelden worden overgedragen aan [naam4] . Wij vermoeden dat [naam4] dit geld dan weer op zijn beurt overdraagt aan de heer [naam7] , directeur van [bedrijfsnaam4] Wij vermoeden dat [bedrijfsnaam5] . en [bedrijfsnaam8] . de verkoop naar België als 0% BTW kan opvoeren bij de Belastingdienst en op basis van die facturen geen BTW hoeven af te dragen over deze omzet. Vervolgens denken wij dat via vermoedelijk valse facturen door [bedrijfsnaam5] . en [bedrijfsnaam8] . bij [bedrijfsnaam9] en [bedrijfsnaam10] wordt ingekocht. Omdat dit inkoop is mag [bedrijfsnaam5] . de BTW op deze facturen, ter hoogte van 21%, terugvragen. [bedrijfsnaam9] danwel [bedrijfsnaam10] hoort de BTW op deze facturen af te dragen. Dit doen zij niet want de directeuren van [bedrijfsnaam9] en [bedrijfsnaam10] hebben verklaart dat zij deze facturen niet kennen en geen zaken hebben gedaan met [bedrijfsnaam5] . en/of [bedrijfsnaam8] . Dit resulteert in 21% winst door [bedrijfsnaam5] , danwel [bedrijfsnaam8] . Wij vermoeden dat dit het verdienmodel is en u ook meedeelt in deze verdiensten van 21%. Sterker nog, wij vermoeden dat niet al het geld dat uit België komt weer terug gaat naar België en dat deze marge ook onderling wordt verdeeld.”

2.10.

In het proces-verbaal van het verhoor van [naam3] door de FIOD van 12 oktober 2022 met documentcode [code2] staat:

“V: U heeft aangegeven dat u 5% commissie ontvangt over de door u gepinde bedragen van het rondje met [naam4] , [belanghebbende] , [bedrijfsnaam11] en [bedrijfsnaam12] . Kunt u ons dit nader uitleggen?

“A: Wij krijgen 5% commissie over de bedragen die ik pin, voor mij 2,5% en voor [belanghebbende] 2,5%. Deze commissie haal ik af van het bedrag dat ik pin. Ik overhandig dus 95% van het geld dat ik pin. Ik reken niet voor iedere transactie met [belanghebbende] af. Een keer in de zoveel tijd rekende ik met [belanghebbende] af. Het deel van [belanghebbende] , de 2,5% commissie, gaf ik hem in contanten. Voor deze afrekening spraken [belanghebbende] en ik in persoon af.”

2.11.

In zijn brief van 20 oktober 2022 heeft de Inspecteur aan belanghebbende onder meer geschreven:

“Hierbij deel ik u mede dat ik afwijk van de door u ingediende aangifte (…). Het waarom van deze afwijking zal ik hieronder nader toelichten.

Het is mij bekend dat er op dit moment een strafrechtelijk onderzoek tegen u loopt. Uit dit onderzoek is gebleken dat er door u waarschijnlijk tot een te laag bedrag aangifte is gedaan van uw inkomen in box 1 in uw aangifte inkomstenbelasting 2019. Het zal waarschijnlijk nog geruime tijd duren voordat het exacte bedrag van het door u te weinig aangegeven inkomen vaststaat.

Om verjaring te voorkomen, de definitieve aanslag over het jaar 2019 dient voor 31 december 2022 opgelegd te zijn, ga ik ter behoud van rechten nu al over tot het opleggen van de definitieve aanslag over het jaar 2019.

In afwijking van de door u ingediende aangifte wordt uw inkomen over het jaar 2019 als volgt vastgesteld.

Belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1)

Het berekende inkomen uit werk en woning volgens aangifte € 5.315

Correctie gebruikelijk loon:

Aan te geven gebruikelijk loon (*1) € 45.000

Aangegeven loon € 12.000

+ € 33.000

Meer resultaat uit overige werkzaamheden (*2) € 50.000

Vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) € 88.315

(*1) Volgens artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964.

(*2) Er wordt door mij resultaat uit overige werkzaamheden bijgeteld omdat inmiddels bekend is dat door u een percentage(s) worden ontvangen van zowel op de bankrekeningen gestorte bedragen als van de gedane kasopnames. Het exacte bedrag hiervan is op dit moment nog niet bekend. Wanneer het exacte bedrag bekend is en dit inkomen lager blijkt te zijn dan € 50.000, zal ik uw aanslag ambtshalve dienovereenkomstitg wijzigen.

(…)”

2.12.

De Inspecteur heeft met dagtekening 18 november 2022 de aanslag IB/PVV 2019 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 88.315 en de aanslag Zvw 2019 naar een bijdrage inkomen van € 10.927, bestaande uit het maximumbijdrage-inkomen van € 55.927 verminderd met € 45.000.

2.13.

In het proces-verbaal van bevindingen aangaande verdiensten ‘ [naam6] ’ van 19 januari 2024 met documentcode [documentcode2] staat onder meer:

“Dit proces-verbaal, [documentcode2] , heeft als doel om de verdiensten van de onderstaande genoemde verdachten aan de geldstroom afkomstig van de Belgische onderneming [bedrijfsnaam4] (hierna: [bedrijfsnaam4] ) in kaart te brengen.

(…)

Inleiding

De onderzoeksperiode van ‘ [naam6] ’ is 06-05-2019 t/m 04-10-2022. Gedurende de looptijd van ‘ [naam6] ’ zie ik in vier opvolgende periodes de verdienstenverdeling tussen de betrokkenen wijzigen. Door diverse omstandigheden wijzigt deze verdeling, bijvoorbeeld omdat er nieuwe partijen worden toegevoegd of dat de verdachten onderling nieuwe afspraken maken over hun verdiensten. De vier periodes en de bijbehorende verdienstenverdeling zijn door mij in chronologische volgorde beschreven. Daarnaast maak ik een onderscheid in de contante en girale verdiensten van de betrokkenen.

(…)

2 Periode 1: 6 mei 2019 t/m 10 januari 2020

(…) In de periode 6 mei 2019 tot en met 10 januari 2020 hanteren de verdachten dezelfde verdienstenverdeling. (…)

Stap 1

Het startpunt van ‘ [naam6] ’ is de girale geldstroom vanaf [bedrijfsnaam4] , bestuurder is verdachte [naam7] , naar de bankrekening op naam van [naam8] , onderneming van verdachte [naam4] .

Op de bankrekening op naam van verdachte [naam8] , [bankrekeningnummer3] zie ik dat er in de periode 06-05-2019 t/m 10-01-2020 in totaal € 1.083.256,33 door [bedrijfsnaam4] , [bankrekeningnummer4] , aan [naam8] is overgemaakt. De omschrijving bij de transacties tussen [bedrijfsnaam4] en [naam8] hebben dezelfde systematiek, namelijk:

‘’ [transactie referentie1]

[Transactie referentie2]

[Transactie referentie3] ’’

Opmerking verbalisant: In de betaalomschrijvingen staat constant ‘ [naam9] ’ genoemd. Dit verwijst vermoedelijk naar een online bankier systeem genaamd ‘ [naam9] ’ en deze beschrijving wordt automatisch toegevoegd aan de betaalomschrijving.

Vermoedelijk verwijzen de numerieke getallen in de betaalomschrijvingen naar factuurnummers van de commissiefacturen op naam van [naam8] aan [bedrijfsnaam4] . Deze facturen zijn vermoedelijk vals, omdat er geen commissieactiviteiten door [naam8] voor [bedrijfsnaam4] zijn verricht. Deze vermoedelijke valsheid wordt beschreven in [code3] .

Stap 2

Nadat het geld op de bankrekening van [naam8] staat zie ik in de periode 06-05-2019 t/m 10-01-2020 overboekingen vanaf [naam8] naar de bankrekening op naam van verdachte [naam3] , [bankrekeningnummer5] (hierna: [naam3] ) en twee bankrekeningen op naam van [vennootschap1] [bankrekeningnummer6] en [bankrekeningnummer7] . [vennootschap1] is een onderneming van verdachte [belanghebbende] .

Deze overboekingen worden gedaan op grond van vermoedelijke valse facturen op naam van [naam10] . De hoogte van deze facturen is gelijk aan 85% van het bedrag dat [naam8] van [bedrijfsnaam4] heeft ontvangen vermeerderd met 21% BTW, zijnde 102,85%. Dit percentage volgt uit de uitgebreide vergelijking in [documentcode3] , tabblad ‘vergelijking’. In dit bestand zijn 48 facturen en bijbehorende tegoeden vergeleken, zoals opgenomen in [documentcode3] . Daarnaast is in paragraaf 6 van dit proces-verbaal dit percentage uiteengezet.

[naam8] maakt 102,85% van het door hen ontvangen bedrag van [bedrijfsnaam4] over naar de bankrekening op naam van [naam3] of naar bankrekeningen op naam van [vennootschap1] , omdat op de valse [naam10] -factuur cessie staat vermeld naar één van deze partijen.

Ik zie dat er in de periode 06-05-2019 t/m 10-01-2020 in totaal € 981.915,67 door [naam8] aan [naam3] en [vennootschap1] is overgemaakt. Dit betreft een percentage van 90,6% ( € 981.915,67 : € 1.083.256,33 x 100%) en niet het zojuist aangegeven percentage van 102,85%. Dit verschil is verklaarbaar door de periode afbakening en het genomen startpunt van [naam6] zijnde 06-05-2019. Hierdoor hebben er hoogstwaarschijnlijk na 10-01-2020 nog girale overboekingen plaatsgevonden vanaf [naam8] naar [naam3] of [vennootschap1] , terwijl deze overboekingen zien op factuurnummers die vermeld staan bij de overboekingen tussen [bedrijfsnaam4] en [naam8] in periode 1.

Opmerking verbalisant: In [documentcode4] is uitgegaan van een andere periode dan de periode die ik in dit procesverbaal gebruik. Hierdoor komen de totaaloverzichten in het resumé van [documentcode4] niet overeen met de totaalbedragen genoemd in dit proces-verbaal.

Het is opvallend dat op het gevorderde bankmutaties overzicht bij de tenaamstelling van rekeningnummers op naam van [naam3] en [vennootschap1] niet [naam3] of [vennootschap1] staat vermeld maar [naam10] , terwijl deze rekeningnummers niet op naam staan van [naam10] . Dit is vermoedelijk een verhullende handeling verricht door [naam8] . Bij het bekijken van de banktransacties op naam van [naam8] wordt nu namelijk de indruk gewekt dat het geld wordt overgemaakt naar [naam10] , terwijl de bedragen niet naar [naam10] gaan, maar naar [naam3] en

[vennootschap1] .

Daarnaast vind ik het opvallend dat de betaalomschrijvingen van de overboekingen tussen [naam8] naar [naam3] en van [naam8] naar [vennootschap1] qua opbouw dezelfde systematiek hebben, zijnde:

‘’ [betaalomschrijving1]

[betaalomschrijving2] ’’

De vermelde betaalomschrijvingen bij deze overboekingen komen overeen met de vermoedelijk valse verkoopfacturen op naam van [naam10] gericht aan [naam8] . Op deze verkoopfacturen staat, zoals eerder genoemd, dat er sprake is van cessie naar het rekeningnummer op naam van [naam3] en/of [vennootschap1] . Het op de factuur genoemde referentienummer komt overeen met de vermelde betaalomschrijving bij de overboekingen tussen [naam8] en [naam3] en/of [vennootschap1] .

Stap 3

Na ontvangst op de bankrekeningen op naam van [naam3] en [vennootschap1] zie ik in de periode 06-05-2019 t/m 10-01-2020 dat vervolgens het gehele bedrag wat [naam8] had overgemaakt contant wordt opgenomen. [naam3] ontvangt op het rekeningnummer [bankrekeningnummer5] de bedragen van [naam8] , maar ik zie dat [naam3] een deel van deze ontvangsten overboekt naar twee andere bankrekeningen op zijn naam, zijnde [bankrekeningnummer8] en [bankrekeningnummer9] . Vanaf deze twee rekeningnummers en de drie eerdergenoemde rekeningnummer op naam van [naam3] en [vennootschap1] zie ik vervolgens dat er contante opnames plaatsvinden.

Dit maakt het totaalbedrag van contante opnames vanaf de drie bankrekeningen op naam van [naam3] en de twee bankrekeningen op naam van [vennootschap1] € 1.007.900,00 in de periode 06-05-2019 t/m 10-01-2020. Als ik het bedrag aan contante opnamen vergelijk met het bedrag wat [naam8] aan [naam3] en [vennootschap1] heeft overgemaakt in de periode 06-05-2019 t/m 10-01-2020 zijnde € 981.915,67, zie ik dat er in dezelfde periode € 25.984,33 meer aan contanten is opgenomen. Dit komt overeen met het eerder berekende percentage, 102,85%, oftewel 85% van het bedrag dat [naam8] van [bedrijfsnaam4] heeft ontvangen vermeerderd met 21% BTW. Ik ga er namelijk op basis van de factuurvergelijking vanuit dat 100% van het bedrag wat [naam3] en [vennootschap1] van [naam8] heeft ontvangen in contanten wordt opgenomen. Dit baseer ik op [documentcode3] , waarin 48 facturen en bijbehorende tegoeden zijn vergeleken en de verdere uitwerking staat in paragraaf 6 van dit proces-verbaal vermeld.

Opmerking verbalisant: Bij stap 2 is vermeld dat [naam3] en [vennootschap1] gezamenlijk € 981.915,67 van [naam8] hebben ontvangen in de periode 06-05-2019 t/m 10-01-2020. Terwijl er in dezelfde periode € 1.007.900,00 aan contanten is opgenomen, dit verschil is opnieuw verklaarbaar door de periode afbakening en het genomen startpunt van [naam6] zijnde 06-05-2019. Hierdoor hebben er hoogstwaarschijnlijk in de periode 06-05-2019 t/m 10-01-2020 contante opnamen plaatsgevonden die betrekking hebben op overboekingen tussen [bedrijfsnaam4] / [naam8] en [naam8] / [naam3] & [vennootschap1] die voorafgaand aan 06-05-2019 hebben plaatsgevonden.

Stap 4

De laatste stap in ‘ [naam6] ’ is de verdeling van de contanten. Er is voor € 1.007.900,00 aan contanten opgenomen in de periode 06-05-2019 t/m 10-01-2020. Verdachten [belanghebbende] en [naam3] overhandigen 85% van de geldstroom tussen [bedrijfsnaam4] en [naam8] in contanten aan verdachte [naam4] . Dit percentage baseer ik op [documentcode3] , waarin 48 facturen en bijbehorende tegoeden zijn vergeleken, daarnaast is dit percentage in paragraaf 6 van dit proces-verbaal uiteengezet.

Aan de hand van het berekende percentage van 85% betekent dit dat verdachte [naam4] 85% x € 1.083.256,33 = € 920.767,88 in contanten heeft ontvangen van [belanghebbende] en/of [naam3] . In paragraaf 6 van dit proces-verbaal is uiteengezet dat verdachten [belanghebbende] en [naam3] het resterende bedrag van de contante opnames onderling verdelen, zijnde € 1.007.900,00 - € 920.767,88 = € 87.132,12. Dit betekent dat zowel [belanghebbende] als [naam3] in periode 1 ieder € 43.566,06 verdienen in periode 1 van ‘ [naam6] ’.

[naam4] ontvangt 85% van de girale geldstroom tussen [bedrijfsnaam4] en [naam8] , maar dient 80% van deze geldstroom in contanten te overhandigen aan [naam7] en/of gelieerde personen aan [naam7] . De onderbouwing van deze 80% is beschreven in [documentcode5] . Dit betekent dat [naam7] over de periode 06-05-2019 t/m 10-01-2020, 80% x € 1.083.256,33 = € 866.605,06 in contanten ontvangt van verdachte [naam4] . Het verschil van 5% houdt [naam4] als zijnde verdiensten, zijnde € 920.767,88 - € 866.605,06 = € 54.162,82.

Het percentage van 80% is bevestigd door zowel verdachte [naam7] als door verdachte [naam11] , voormalig directeur van [bedrijfsnaam4] . Zij hebben bij de Belgische autoriteiten ieder afzonderlijk in een verdachtenverklaring verklaart dat 80% van de girale geldstroom tussen [bedrijfsnaam4] en de ondernemingen van [naam4] , [naam8] / [naam12] / [naam13] , in contanten terugkwam naar België.”

2.14.

Op 20 maart 2025 heeft belanghebbende bij het Hof een nader stuk ingediend waarin onder meer staat:

“ [naam3] heeft spijt gekregen van zijn vexatoire en onwaarachtige uitlatingen en heeft [belanghebbende] een rectificatie verstuurd waarin hij uitlegt waarom deze uitlatingen niet kloppen ten aanzien van [belanghebbende] .”

Als bijlage bij het nader stuk van 20 maart 2025 is een brief van 3 december 2024 opgenomen van [naam3] gericht aan belanghebbende “Betreft: intrekking/rectificatie verklaringen FIOD”, waarin onder meer staat:

“Geachte heer [belanghebbende] , beste [belanghebbende] ,

Ik heb van jou een gedeelte van de brief [brief1] van de Belastingdienst ontvangen: pagina 7 van 10 waarin de heer [naam1] verwijst naar mijn proces-verbaalverklaring in het FIOD onderzoek “ [onderzoeksnaam2] ”. Het gaat om mijn volgende uitspraken:

- [bedrijfsnaam11] ontving geld van [bedrijfsnaam1] omdat het geld gepind moest worden. [naam14] weet hier niets vanaf. Ik weet niet waarom [bedrijfsnaam11] ertussen is geschoven. [belanghebbende] is het brein. [belanghebbende] en [naam4] kregen het geld weer contant terug. Er ligt niets aan ten grondslag waarom [bedrijfsnaam11] geld kreeg van [naam8] / [bedrijfsnaam8] via [bedrijfsnaam1] . Het is puur om geld contant te maken…”.

- Vraag verbalisanten: U moest weten dat dit rondje geen zuivere koffie was. U neemt naar onze mening deel aan een witwasrondje, wat kunt u daarover verklaren? Antwoord [naam3] : Dat wist ik. Witwassen zegt u, ik vind het meer de fiscus oplichten. Het is allemaal bekokstooft door [bedrijfsnaam1] danwel [belanghebbende] . [naam4] is de andere hoofdpersoon in het rondje.”

Deze uitspraken trek ik mijn verklaring in; ik weet niet waarom ik dit zo heb verklaard. [belanghebbende] heeft niet de 2½ % van de verdeling waar ik het in een eerder verklaring over heb gehad ontvangen. Zeker is dat via de onderneming [bedrijfsnaam1] een gedeelte is ingehouden, dit is in ieder geval niet via [belanghebbende] als privépersoon gegaan. Hij heeft geen contanten ontvangen. Ik heb dit verkeerd/onjuist verklaard en had dat anders moeten uitleggen aan de FIOD. Zoals de verklaring nu er staat is hij pertinent onjuist en wordt hij ten onrechte tegen [belanghebbende] gebruikt en uitgelegd.

(…)”

2.15.

Het Hof heeft partijen op 17 maart 2026 uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van het hoger beroep op 19 mei 2026.

2.16.

Op 6 mei 2026 heeft belanghebbende het Hof verzocht om aanhouding:

“Ik verwijs u naar de bijlage van dit bericht en verzoek u dringend om aanhouding van een half jaar om de volgende moverende redenen:

- prominent onderdeel van het door de fiscus toegedichte inkomen van cliënt wordt in de strafzaak van 11 mei behandeld. Door advocaat [naam15] wordt betwist dat mijn cliënt in privé enig inkomen heeft genoten en daarmee de inkomensvaststelling door de fiscus apert imaginair en onjuist is.

- cliënt wordt daarmee ook valsheid in geschrifte ten laste gelegd ter zake van zijn aangiften IB2019 tot en met 2021. De rechtbank Zwolle zal hierover uitspraak doen hetwelk van grote invloed zal zijn, positief of negatief op uw uitspraak.

(…)”

De genoemde bijlage is een dagvaarding van het Functioneel Parket van 12 februari 2026, waarin belanghebbende wordt opgeroepen om 11 mei 2026 voor de meervoudige strafkamer te verschijnen voor een regiezitting, waarin belanghebbende de gelegenheid krijgt om verzoeken en/of verweren naar voren te brengen. In de dagvaarding staat dat de inhoudelijke behandeling van de zaak op een later moment zal plaatsvinden. De tenlastelegging luidt, voor zover voor deze zaak van belang:

“(…)

4

Hij

Op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 april 2020 t/m 23 maart 2023 te [plaatsnaam1] , in elk geval in Nederland,

(tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen,)

(telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten: een (of meer) (digitale) aangifte(n) voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen ten name van [belanghebbende] en [naam16] over

- het jaar 2019 ( [documentcode6] )

- het jaar 2020 ( [documentcode7] )

- het jaar 2021 ( [documentcode8] )

- het jaar 2022 ( [documentcode9] )

(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan,

door

op/in het/de ingeleverde/ingediende aangifte(n) een onjuist bedrag aan belastbaar inkomen (uit werk en woning (box 1)) op te geven

terwijl die feiten (telkens) ertoe strekten dat te weinig belasting wordt geheven;

Artikel 69 lid 2 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen

( art 68 lid 1 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen, art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen)

(…)”

2.17.

Het Hof heeft het verzoek om uitstel bij bericht van 11 mei 2026 afgewezen.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de aanslagen IB/PVV 2019 en Zvw 2019 tot de juiste bedragen zijn vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op het antwoord op de vragen of de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslagen terecht een gebruikelijk loon van € 45.000 en een belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden van € 50.000 in aanmerking heeft genomen.

3.2.

Belanghebbende stelt dat de Inspecteur ten onrechte rekening heeft gehouden met een gebruikelijk loon van € 45.000, omdat de financiële omstandigheden van [bedrijfsnaam1] zodanig zijn dat het onmogelijk is om een gebruikelijk loon van die omvang te genieten. Daarnaast betwist hij dat hij andere inkomsten heeft genoten. Hij concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vermindering van de aanslagen.

3.3.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat hij het gebruikelijk loon terecht heeft vastgesteld op € 45.000 en dat hij een correctie van meer dan € 50.000 als resultaat uit overige werkzaamheden aannemelijk heeft gemaakt. Bovendien is sprake van een dusdanig hoger inkomen dan belanghebbende heeft aangegeven dat de vereiste aangifte niet is gedaan. Hij concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Verzoek om aanhouding van de zaak

4.1.

Indien een belanghebbende of zijn gemachtigde tijdig, onder aanvoering van gewichtige redenen waarom hij niet op de voor de behandeling van de zaak vastgestelde zittingsdag aanwezig kan zijn of hij zich daarop niet kan voorbereiden, verzoekt die behandeling op een nader te bepalen dag te doen plaatsvinden, dient de rechter dat verzoek in te willigen, tenzij hij oordeelt dat zwaarder wegende belangen aan uitstel in de weg staan. Dit oordeel dient de rechter in zijn uitspraak te motiveren.

4.2.

Belanghebbende heeft het Hof voorafgaand aan de zitting verzocht de zaak een half jaar aan te houden in verband met zijn strafzaak bij de rechtbank Zwolle. Ter zitting heeft belanghebbende zijn verzoek om aanhouding van de zaak herhaald. Belanghebbende betoogt enerzijds dat een uitspraak van het Hof in de belastingzaak het verloop van zijn strafzaak mogelijk negatief kan beïnvloeden, gelet op het door zijn advocaat in de strafzaak gevoerde verweer dat hij in privé geen inkomen heeft genoten. Anderzijds betoogt belanghebbende – naar het Hof begrijpt – dat een strafrechtelijk oordeel van de rechtbank Zwolle over het aan hem ten laste gelegde opzettelijk onjuist aangifte IB/PVV 2019 doen van invloed kan zijn op de uitspraak van het Hof over de hoogte van de aanslag IB/PVV 2019. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof verklaard dat de advocaten van drie verdachten op de regiezitting van de rechtbank Zwolle op 11 mei 2026 hebben verzocht om getuigen te horen en dat de rechtbank Zwolle nog op dat verzoek zal beslissen.

4.3.

Het Hof wijst het verzoek om aanhouding van de belastingzaak met een half jaar af. Het strafrecht en het belastingrecht kennen een eigen beoordelingskader met andere bewijsregels. In de strafrechtzaak moet het Openbaar Ministerie (overtuigend) bewijzen dat sprake is van opzet op het doen van een onjuiste aangifte IB/PVV 2019. De onderhavige belastingzaak - waarin geen sprake is van een aan belanghebbende opgelegde boete - betreft een andere vraag, namelijk of de aanslag IB/PVV 2019 niet te hoog is vastgesteld. En in het belastingrecht ligt de bewijsrechtelijke drempel lager; de inspecteur dient zijn correcties aannemelijk te maken. Het Hof ziet daarom in de lopende strafzaak, die zich ten tijde van de zitting van 19 mei 2026 pas in de fase van regiezitting bevindt, en waarvan op het verdere beloop nog geen zicht bestaat, onvoldoende aanleiding om de belastingzaak aan te houden. Overigens zou aanhouding van de zaak met een half jaar ook ertoe leiden dat de redelijke termijn voor berechting in hoger beroep van twee jaar wordt overschreden.

Vereiste aangifte - omkering en verzwaring bewijslast

4.4.

Ieder die door de inspecteur is uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV, is – voor zover hier van belang – gehouden die aangifte te doen door in de uitnodiging gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud in te vullen, te ondertekenen en toe te zenden.

4.5.

Wanneer een belastingplichtige vervolgens de vereiste aangifte niet doet, wordt in een belastingprocedure de bewijslast ‘omgekeerd en verzwaard’. Dat betekent dat de belastingplichtige moet doen blijken, dat wil zeggen overtuigend aantonen, dat de uitspraak op bezwaar onjuist is.

4.6.

Voor de heffing van IB/PVV geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven. Bij de beoordeling of aan deze maatstaf is voldaan, dienen alle feiten en omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen. Omdat de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw wordt geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van inkomstenbelasting geldende regels, geldt dit toetsingskader ook voor de aanslag Zvw 2019.

4.7.

Belanghebbende heeft op de zitting bij het Hof erkend dat hij in de aangifte IB/PVV voor het jaar 2019 geen bijtelling voor het privégebruik van de auto heeft aangegeven, terwijl dit wel had gemoeten. Hij heeft verzuimd dat te doen, maar heeft dat niet opzettelijk gedaan.

4.8.

Het Hof constateert dat in zoverre op basis van de normale regels van stelplicht en bewijslast sprake is van een gebrek in de aangifte. In hoger beroep is tussen partijen niet langer in geschil dat de cataloguswaarde van de auto € 89.353 bedraagt. De bijtelling voor privégebruik auto voor het jaar 2019 is dan € 19.657 (22% van € 89.353). Dit betekent dat het door belanghebbende aangegeven belastbare inkomen uit werk en woning van € 5.315 in ieder geval moet worden verhoogd met € 19.657 tot € 24.972. Gelet hierop heeft belanghebbende in de aangifte IB/PVV 2019 in zowel absolute als relatieve zin een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet aangegeven. Hiervan moet belanghebbende zich ten tijde van het doen van die aangifte ook bewust zijn geweest. Uit de overgelegde stukken volgt namelijk dat tijdens de bezwaarfase met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2017, die was afgerond voordat belanghebbende aangifte IB/PVV 2019 deed, de gevolgen van het privégebruik van de auto voor de belastingheffing aan de orde is geweest. Het voorgaande betekent dat de vereiste aangifte IB/PVV voor het jaar 2019 niet is gedaan, zodat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. Het Hof ziet geen aanleiding voor het oordeel dat deze sanctie in dit geval onevenredig is.

Redelijke schatting

4.9.

Indien, zoals in het onderhavige geval, met betrekking tot een aanslag ervan moet worden uitgegaan dat de bewijslast is omgekeerd en verzwaard, geldt als uitgangspunt dat de berekening van die belastingaanslag redelijk en dus niet willekeurig behoort te zijn. Voor de beoordeling of aan deze maatstaf wordt voldaan, dient mede in aanmerking te worden genomen in hoeverre de inspecteur beschikt over gegevens voor het opleggen van een belastingaanslag en in hoeverre ervan mag worden uitgegaan dat de belastingplichtige in staat is opening van zaken te geven.

4.10.

Daarvan uitgaande zal de inspecteur op basis van de feiten en omstandigheden van het geval aanknopingspunten moeten verschaffen waaruit is af te leiden dat zijn berekening of schatting van het bedrag van de hiervoor in 3.2.1 bedoelde belastingaanslag redelijk en dus niet willekeurig is. Waar het op aankomt is dat de inspecteur de hoogte van zijn schatting zodanig moet onderbouwen met feitelijke stellingen, dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan.

4.11.

De beoordeling of een schatting redelijk (niet willekeurig) is, gaat niet zover dat de inspecteur feiten en omstandigheden aannemelijk moet maken die meebrengen dat de door hem gemaakte schatting overeenkomt met de werkelijk verschuldigde belasting. Een zo ver gaande eis zou de omkering van de bewijslast ongedaan maken. Juist vanwege het gebrek aan informatie voor de inspecteur, dat heeft geleid tot omkering en verzwaring van de bewijslast, zal hij bij zijn schatting op basis van gegevens waarover hij wel beschikt, binnen de grenzen van de redelijkheid een zekere – van de omstandigheden van het geval afhankelijke – beoordelingsruimte moeten hebben.

4.12.

Ten aanzien van het door de Inspecteur voor het jaar 2019 in aanmerking genomen resultaat uit overige werkzaamheden van € 50.000 oordeelt het Hof als volgt. De Inspecteur heeft in hoger beroep, evenals in eerste aanleg, aan de schatting van dit resultaat ten grondslag gelegd:

Contante stortingen + 20.300

Facturen uitbetaald op de privébankrekening + 3.738

Voordeel privégebruik van de auto + 19.657

2,5% aandeel contante opnamen [vennootschap1] + 21.618

2,5% aandeel contante opnamen [naam3] + 8.866

Contant gestort op privébankrekening (i.v.m. dubbeltelling) -/- 20.300

Totaal € 53.879

4.13.

De correctie van € 3.738 heeft de Inspecteur gebaseerd op bedragen die belanghebbende in 2019 op zijn bankrekening heeft ontvangen naar aanleiding van facturen die [bedrijfsnaam1] heeft verzonden. Wat betreft de correcties van € 21.618 en € 8.866 volgt uit de overgelegde stukken dat de Inspecteur op basis van de bevindingen van de FIOD in het onderzoek ‘ [onderzoeksnaam1] ’ heeft vastgesteld dat belanghebbende contante inkomsten heeft genoten die hij niet in zijn aangifte heeft vermeld. Die bevindingen komen erop neer dat er betalingen zijn verricht door de in België gevestigde naamloze vennootschap [bedrijfsnaam4] op valse facturen aan verschillende vennootschappen. Die verschillende vennootschappen hebben die betalingen vervolgens overgeboekt naar de bankrekening(en) van [bedrijfsnaam1] , [vennootschap1] en [naam3] en uiteindelijk is een groot deel contant opgenomen. Dat gelden contant zijn opgenomen volgt ook feitelijk uit de bankmutaties van die bankrekeningen en de bankrekening(en) van [vennootschap1] . Vervolgens volgt uit de verklaring van [naam3] voor de FIOD dat hij en belanghebbende een commissie ontvangen van 5% over de gepinde bedragen en dat zij die commissie voor ieder de helft onderling verdelen. De Inspecteur heeft de correcties van € 21.618 en € 8.866 gebaseerd op 2,5% van de contante opnames van die bankrekeningen. Daarnaast heeft de Inspecteur rekening gehouden met de mogelijkheid dat de contante stortingen van in totaal € 20.300 op de bankrekeningen van belanghebbende, welk bedrag in hoger beroep tussen partijen niet meer in geschil is, in verband staan met gepinde bedragen door dit bedrag in mindering te brengen. Deze benadering door de Inspecteur van het niet aangegeven inkomen komt het Hof redelijk voor, mede vanwege het gebrek aan informatie bij de Inspecteur over de contante opnamen en stortingen en ondanks de aan belanghebbende gerichte intrekking door [naam3] van zijn bij de FIOD afgelegde verklaring, aan welke intrekking het Hof minder geloof hecht. De schatting past verder in het beeld dat overigens uit de stukken blijkt, zoals een door [naam11] afgelegde verklaring en de verklaring van de Inspecteur in het verweerschrift in hoger beroep over de facturatie door [bedrijfsnaam1] aan de niet meer bestaande vennootschap van [naam3] [bedrijfsnaam6] en de daarbij behorende betalingen, en is niet uit de lucht gegrepen.

4.14.

Het Hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de schatting van het resultaat uit overige werkzaamheden in zoverre redelijk is.

4.15.

De Inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag de bijtelling wegens privégebruik van de auto gerekend tot het resultaat uit overige werkzaamheden. Aangezien de kosten van de auto feitelijk werden gedragen door [bedrijfsnaam1] , is het aannemelijk dat de auto feitelijk door [bedrijfsnaam1] aan belanghebbende ter beschikking werd gesteld. Het voordeel dat belanghebbende geniet voor het privégebruik van de auto behoort daarom tot het (gebruikelijk) loon en niet (ook) tot het resultaat uit overige werkzaamheden. De schatting van het resultaat uit overige werkzaamheden is daarom naar het oordeel van het Hof in zoverre niet redelijk en vermindert het Hof daarom tot € 34.222 (= € 53.879 -/- € 19.657).

4.16.

De Inspecteur heeft in de aanslag rekening heeft gehouden met een gebruikelijk loon van € 45.000. Het Hof oordeelt daarover als volgt. Het staat feitelijk vast dat belanghebbende alle aandelen houdt in [bedrijfsnaam1] en ten aanzien van haar ook als bestuurder werkzaamheden heeft verricht, zodat in beginsel rekening moet worden gehouden met een gebruikelijk loon van ten minste € 45.000. In zoverre is het in aanmerking nemen van een gebruikelijk loon van € 45.000 redelijk. Ter zitting heeft de Inspecteur gesteld dat, in de situatie dat het Hof de bijtelling van de auto van de zaak ziet als onderdeel van het gebruikelijk loon, het gebruikelijk loon wellicht € 60.000 moet bedragen. Voor die stelling heeft de Inspecteur slechts aangedragen dat het inkomen van belanghebbende anders dermate laag is dat je je kan afvragen hoe hij daarvan kan rondkomen. Naar het oordeel van het Hof is de aangepaste schatting van het gebruikelijk loon op € 60.000 in het onderhavige geval niet redelijk. Dit gelet op: 1) de vaststelling van de hoogte van het gebruikelijk loon – na inhoudelijke discussie daarover – door de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar voor het jaar 2017 (zie 2.5), 2) dat tussen partijen niet in geschil is dat belanghebbende feitelijk alleen werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijfsnaam1] en niet voor de andere vennootschappen, 3) dat ten aanzien van de omvang van de werkzaamheden van belanghebbende voor [bedrijfsnaam1] de Inspecteur niet in dezelfde positie verkeert met betrekking tot een gebrek aan informatie als bij de overige werkzaamheden van belanghebbende, doch dat de Inspecteur niet heeft gesteld dat belanghebbende in het jaar 2019 (significant) meer werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijfsnaam1] dan in 2017 en 4) dat de Inspecteur voor een bedrag van ruim € 34.000 rekening houdt met inkomsten uit overige werkzaamheden, hetgeen zijn kennelijke stelling dat belanghebbende anders te weinig inkomsten heeft om in zijn levensonderhoud te voorzien ondergraaft.

4.17.

Het Hof beoordeelt vervolgens of belanghebbende heeft doen blijken in hoeverre de aanslag IB/PVV 2019 te hoog is vastgesteld. Belanghebbende heeft verklaard dat de stortingen van € 20.300 op zijn bankrekeningen vergoedingen zijn, die hij en zijn ex-echtgenote in contanten hebben ontvangen van zijn ex-zwager, van kosten die zij hebben gemaakt voor boodschappen en huishoudelijke materialen voor zijn ex-schoonouders. De Inspecteur heeft dit betwist. Belanghebbende heeft ter zitting toegelicht dat hij voor die verklaring geen bewijs heeft en dat bewijs ook niet kan leveren vanwege de onderlinge slechte verhoudingen met zijn ex-vrouw en ex-zwager. Daarmee heeft belanghebbende dus niet aannemelijk gemaakt, laat staan doen blijken of, en zo ja, in hoeverre de aanslag ten aanzien van de contante stortingen te hoog is vastgesteld.

4.18.

Verder stelt belanghebbende dat het gebruikelijk loon te hoog is vastgesteld omdat [bedrijfsnaam1] een loon van € 45.000 niet kan betalen. Ter onderbouwing van zijn stelling verwijst hij naar de aangifte vennootschapsbelasting 2019 van [bedrijfsnaam1] . Die stelling en onderbouwing zijn echter onvoldoende in het licht van de door de Inspecteur overgelegde bankmutaties van de bankrekening(en) van [bedrijfsnaam1] . Uit die bankmutaties volgt namelijk dat op die rekening(en) aanzienlijk meer is gestort dan is uitgegeven. Hij heeft dus niet aannemelijk gemaakt, laat staan doen blijken dat de financiële situatie van [bedrijfsnaam1] zodanig was dat de Inspecteur het gebruikelijk loon te hoog heeft vastgesteld.

4.19.

De correcties van € 3.738 in verband met ontvangsten op de privébankrekening van belanghebbende op door [bedrijfsnaam1] verzonden facturen en van € 21.618 en € 8.866 in verband met contante opnamen heeft belanghebbende uitdrukkelijk betwist, maar hij heeft geen bewijs bijgebracht waaruit blijkt in hoeverre die correcties onterecht of te hoog zijn.

4.20.

Gelet op het voorgaande is het hoger beroep gegrond en zal het Hof de aanslag IB/PVV 2019 verminderen, uitgaande van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 72.537, bestaande uit een gebruikelijk loon van € 45.000, belastbare inkomsten uit eigen woning van -/- € 6.685 en resultaat uit overige werkzaamheden van € 34.222.

Aanslag Zvw 2019

4.21.

Tot het bijdrage-inkomen waarvoor de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw verschuldigd is, behoort onder meer hetgeen belanghebbende heeft genoten aan loon en belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden. Uit hetgeen het Hof heeft overwogen in 4.16 tot en met 4.20 volgt dat het bijdrage-inkomen nog steeds hoger is dan het maximale bedrag waarover de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw over 2019 wordt berekend. Dat betekent dat het hoger beroep ongegrond is voor zover het betrekking heeft op de aanslag Zvw 2019.

Belastingrente

4.22.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de in rekening gebrachte belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Nu de aanslag IB/PVV 2019 wordt verminderd, dient de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig te worden verminderd.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond voor zover het betrekking heeft op de aanslag IB/PVV 2019 en de daarmee gelijktijdig genomen belastingrentebeschikking en ongegrond voor zover het betrekking heeft op de aanslag Zvw 2019.

5 Griffierecht en proceskosten

5.1.

Nu het Hof het hoger beroep en het beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor zowel het beroep bij de Rechtbank als het hoger beroep bij het Hof te vergoeden.

5.2.

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Het Hof overweegt daartoe als volgt.

5.3.

In de bezwaarfase heeft belanghebbende zelf geprocedeerd en niet verzocht om vergoeding van proceskosten.

5.4.

Voor de beroeps- en hoger beroepsfase acht het Hof niet aannemelijk dat belanghebbende redelijkerwijs kosten heeft gemaakt voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Daarbij heeft het Hof het volgende van belang geacht. Voor de beroepsfase heeft belanghebbende mevrouw [naam17] van [bedrijfsnaam1] gemachtigd om hem te vertegenwoordigen. Bij de zitting bij de Rechtbank was zij niet aanwezig. Belanghebbende heeft in beroep verzocht om een kostenveroordeling, waaronder een salaris voor de gemachtigde. Voor de hoger beroepsfase heeft belanghebbende mevrouw [naam17] , werkzaam bij [bedrijfsnaam1] , gemachtigd om hem te vertegenwoordigen. In het hogerberoepschrift heeft belanghebbende verzocht om een proceskostenvergoeding van 40 uur maal € 65 exclusief omzetbelasting die anders bij cliënten van de onderneming gedeclareerd hadden kunnen worden. Bij de zitting van het Hof was mevrouw [naam17] niet aanwezig. Belanghebbende heeft daarover verklaard dat mevrouw [naam17] niet langer werkzaam is bij [bedrijfsnaam1] , zodat hij niet langer gebruik kan maken van haar diensten. Uit de stukken van het geding volgt dat mevrouw [naam17] op hetzelfde adres woonde als belanghebbende en dat zij als werknemer werkzaam was voor [bedrijfsnaam1] , waarvan belanghebbende enig aandeelhouder en bestuurder is. Bij de FIOD heeft belanghebbende in oktober 2022 verklaard dat mevrouw [naam17] zich bij [bedrijfsnaam1] alleen bekommert om het boekhoudkundige gedeelte (inboeken, aangifte omzetbelasting en salarisadministraties) en de telefoonbeantwoording. Van ervaring met inkomstenbelasting of procederen is niets gesteld of gebleken. Wat betreft zijn relatie tot mevrouw [naam17] heeft belanghebbende zich op zijn zwijgrecht beroepen. Uit de verzoeken tot kostenvergoeding bij de Rechtbank en het Hof volgt veeleer dat niet belanghebbende, maar [bedrijfsnaam1] kosten heeft gemaakt voor de procedures. Belanghebbende heeft, ook nadat de Inspecteur zowel in beroep als hoger beroep had gesteld dat in deze procedure geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, geen inzicht gegeven in de afspraken die belanghebbende in dit verband met [bedrijfsnaam1] heeft gemaakt.

6 Beslissing

Het Hof:

  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond voor zover het betrekking heeft op de aanslag Zvw 2019;

  • verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep voor het overige gegrond;

  • vernietigt de uitspraak van de Inspecteur ten aanzien van de aanslag IB/PVV 2019 en de beschikking belastingrente;

  • vermindert de aanslag IB/PVV 2019 tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 72.537;

  • vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig; en

  • bepaalt dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 50 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 138 in verband met het hoger beroep bij het Hof, dus in totaal € 188.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Breij, voorzitter, mr. M.G.J.M. van Kempen en mr. F. van Horzen, in tegenwoordigheid van mr. R. Zeldenrust als griffier.

De beslissing is op 8 september 2026 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(R. Zeldenrust) (M.M. Breij)

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

€ 12.000 -/- € 6.685 (inkomsten uit eigen woning). Hoge Raad 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:358, rechtsoverweging 3.2, HR 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:789, rechtsoverweging 2.2.2 en HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3529, rechtsoverweging 3.3.1. Artikel 8, lid 1, AWR. Artikel 27a van de AWR. zie HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083. Hoge Raad 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1312, rechtsoverweging 2.3.2. Artikel 49, lid 3, van de Zvw. Vgl. Hoge Raad 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1093, rechtsoverweging 3.2.1, HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6324, rechtsoverweging 4.4.3, en HR 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1311, rechtsoverweging 2.4. Vgl. Hoge Raad 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1093, rechtsoverweging 3.2.2 en HR 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1311, rechtsoverweging 2.4. Vgl. Hoge Raad 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1093, rechtsoverweging 3.2.2 en HR 27 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0401, rechtsoverweging 3.7. Hoge Raad 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1093, rechtsoverweging 3.2.3. Artikel 12a, lid 1, onderdeel c, van de Wet op de loonbelasting 1964. Uit de bankafschriften van [bedrijfsnaam1] volgt dat [bedrijfsnaam1] in 2019 € 195.654 heeft ontvangen en € 21.859 heeft uitgegeven, zie 2.6. Artikel 43, lid 2, van de Zvw. Artikel 5.3 van de Regeling zorgverzekering. Vgl. HR 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1244, rechtsoverweging 4.8.4 en HR 20 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2659, rechtsoverweging 3.4 en aldaar aangehaalde rechtspraak. Artikel 8:75, lid 1, Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 1, aanhef en onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.