Belastingrecht

Parkeerbelasting. Kenbaarheid betaald parkeren. er heeft een herstel plaatsgevonden

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 8 september 2026

Zaakgegevens

Op 8 september 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
8 september 2026
Datum publicatie
18 september 2026
Zaaknummer
25/1384
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:6016
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Parkeerbelasting. Kenbaarheid betaald parkeren. er heeft een herstel plaatsgevonden

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 25/1384

uitspraakdatum: 8 augustus 2026

Uitspraak van de tweede enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] [land] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijsel van 21 mei 2025, nummer ZWO 24/2130, in het geding tussen belanghebbende en

de directeur van GBTwente (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft op 5 augustus 2023 een naheffingsaanslag parkeerbelasting aan belanghebbende opgelegd. Deze naheffingsaanslag bedraagt € 76,20 en bestaat uit
€ 3,30 aan parkeerkosten (het uurtarief) en € 72,90 aan naheffingskosten.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar tegen de naheffingsaanslag aangetekend. De heffingsambtenaar heeft dit bezwaar in zijn uitspraak op bezwaar van 12 februari 2024 ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is in beroep gekomen bij de rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep in zijn uitspraak van 21 mei 2025 ongegrond verklaard.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2026. Daarbij is belanghebbende zelf verschenen en namens de heffingsambtenaar is [naam1] verschenen. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2 Vaststaande feiten

Op 6 februari 2023 om 11:31 uur heeft belanghebbende zijn personenauto, een BMW met een [buitenlands] [kenteken] geparkeerd in de [straat1] te Enschede. Tijdens de controle op het hiervoor genoemde tijdstip is door een parkeercontroleur geconstateerd dat voor de auto geen parkeerbelasting was voldaan.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de heffingsambtenaar bevestigend.

3.2.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of met de aanwezige bebording voldoende kenbaar was dat parkeerbelasting verschuldigd was. Tussen partijen is niet in geschil dat de auto was geparkeerd, dat voor het parkeren aan de [straat1] parkeerbelasting verschuldigd is en dat deze niet is voldaan.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Op grond van artikel 225 van de Gemeentewet (hierna: Gemw) kan een gemeente een parkeerbelasting heffen. De gemeente Enschede heeft aan deze mogelijkheid uitvoering gegeven door een ‘Verordening parkeerbelasting 2023’ (hierna: de Verordening) vast te stellen. In de Verordening is het centrum van Enschede, verdeeld in zones A1 en B2 tot en met B8, aangemerkt als betaald parkeerzone.

4.2.

Indien de parkeerbelasting die op grond van de Verordening verschuldigd is niet wordt voldaan, kan de heffingsambtenaar op grond van artikel 234 Gemw en 20 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen in beginsel overgaan tot het opleggen van een naheffingsaanslag. Het opleggen van een naheffingsaanslag dient echter achterwege te blijven, indien onvoldoende kenbaar is dat er ter plaatse parkeerbelasting betaald moet worden. Concreet houdt dit in dat de verschuldigdheid van parkeerbelasting voor een belanghebbende door middel van bijvoorbeeld bebording of aanwijzingen op parkeerapparatuur (waaronder begrepen een parkeerautomaat) voldoende duidelijk moet zijn. Het is aan de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat aan dit zogenoemde ‘kenbaarheidsvereiste’ is voldaan. Van een belanghebbende mag worden verwacht dat hij onderzoekt of sprake is van betaald parkeren.

4.3.

Belanghebbende stelt dat met het bord op de kruising tussen de [straat2] en [straat1] onvoldoende kenbaar is dat voor het parkeren in de [straat1] parkeerbelasting is verschuldigd. Volgens belanghebbende wordt met dat bord slechts in algemene zin aangegeven dat in bepaalde zones parkeerbelasting is verschuldigd, maar wordt met dat bord niet duidelijk dat de [straat1] zo’n betaald parkeerzone is. Ook wijst belanghebbende erop dat in de (parallel gelegen) [straat3] – anders dan in de [straat1] – bij de inrit van de straat een apart bord is geplaatst, zodat duidelijk is dat specifiek in die straat parkeerbelasting betaald moet worden. Ook wijst belanghebbende erop dat na het opleggen van de naheffingsaanslag een ‘extra’ bord aan bij de [straat1] is geplaatst, waaruit belanghebbende afleidt dat de gemeente de situatie ter plaatse kennelijk ook onvoldoende duidelijk vond.

4.4.

Het Hof stelt vast dat op het bord op de kruising tussen de [straat2] en [straat1] duidelijk in grote letters vermeld staat “BETAALD PARKEREN CENTRUM’, waarbij tijden en dagen zijn benoemd waarop dit het geval is. Ook staat op dit bord een witte ‘P’ in een blauw kader met daaronder een hand die een muntje inwerpt afgebeeld. Voorts stelt het Hof vast dat belanghebbende ter zitting van het Hof heeft aangegeven dat hij dit bord heeft gezien en dat hij – naar het Hof uit zijn verklaring begrijpt – aan kwam rijden vanuit de kant waarbij het bord direct vóór de inrit van de [straat1] geplaatst is.

4.5.

Gelet op de plaatsing van het bord voor de inrit, het opschrift dat in het gehele centrum sprake is van betaald parkeren en de weergave van het algemeen bekende symbool voor betaald parkeren, kon er met het geplaatste bord naar het oordeel van het Hof redelijkerwijs geen twijfel over bestaan dat in het gehele centrum – vanaf dat bord – sprake is van betaald parkeren. Naar het oordeel van het Hof moet het belanghebbende duidelijk zijn geweest dat met de aanduiding “centrum” een zone wordt aangeduid waarbinnen sprake is van betaald parkeren. Daarbij merkt het Hof op dat niet alleen met dit bord duidelijk wordt aangegeven dat er sprake is van betaald parkeren, maar dat daarnaast op 60 meter afstand van de parkeerplaats een (felgele) parkeerautomaat geplaatst staat. Deze parkeerautomaat is onder normale omstandigheden goed zichtbaar vanaf de parkeerplaats. Voor zover al onduidelijkheid kon bestaan over of de op het bord genoemde betalingsverplichting ook in de [straat1] geldt, wordt deze met de aanwezigheid van de parkeerautomaat weggenomen. Dat belanghebbende deze parkeerautomaat vanaf de parkeerplaats niet direct heeft gezien of op dat moment het zicht op de parkeerautomaat op dat moment geblokkeerd was – zoals hij ter zitting van het Hof heeft aangegeven – doet hieraan niet af, aangezien in het kader van de op belanghebbende rustende onderzoekplicht (zie 4.2.) van hem mag worden verwacht dat hij enig onderzoek doet naar het ter plaatse gelende parkeerregime. Dat geldt temeer in het geval dat met bebording wordt aangegeven dat in de centrumzone sprake is van betaald parkeren, zoals hier het geval is. Aangezien belanghebbende ter zitting van het Hof heeft aangegeven niet specifiek gefocust te zijn geweest op het vinden van een parkeerautomaat en de afstand tussen de parkeerplaats en de parkeerautomaat (zeer) beperkt is, acht het Hof het niet aannemelijk dat belanghebbende voldoende stappen heeft ondernomen om aan deze onderzoeksplicht te voldoen.

4.6.

De stellingen van belanghebbende dat bij de inrit van de (parallel gelegen) [straat3] een apart bord is geplaatst of dat later aan het bord op de [straat2] nog een extra onderbord is geplaatst, leiden niet tot een andersluidend oordeel. Nog daargelaten dat op deze borden hetzelfde symbool (witte ‘P’ en een hand die een muntje inwerpt) zijn afgebeeld als ook zichtbaar is op het bord dat al aan de [straat2] stond, zodat daarmee in feite geen nieuwe informatie wordt gegeven, beoordeelt het Hof of de situatie ter plaatse, op het moment dat belanghebbende daar parkeerde voldoende duidelijk was. Bij dat oordeel kan weliswaar meewegen of belanghebbende door bebording op een andere plek in verwarring is gebracht, maar aangezien ter zitting van het Hof vast is komen te staan dat belanghebbende eerst later het bord aan de [straat3] heeft gezien en derhalve niet bij het parkeren van zijn auto, kan hij daardoor niet in verwarring zijn gebracht.

Slotsom

4.7.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Het Hof zal de naheffingsaanslag dus in stand laten en het hoger beroep is ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, in tegenwoordigheid van mr. S.A.M. Meijnders als griffier.

De beslissing is op 8 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De raadsheer,

(mr. S.A.M. Meijnders) (mr. R.A.V. Boxem)

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vlg. Hoge Raad 22 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA3126. Vergelijk Hoge Raad 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1014.