Belastingrecht
IB/PVV. Werkgeversbijdrage regeling vormt loon.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20 oktober 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:6861 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 20 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/bestuursrecht/belastingrecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-6861
Zaakgegevens
Op 20 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 20 oktober 2026
- Datum publicatie
- 23 oktober 2026
- Zaaknummer
- 24/1646
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:6861
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
IB/PVV. Werkgeversbijdrage regeling vormt loon.
Procesgang
Rechtbank Noord-Nederland · 16 juli 2024
ECLI:NL:RBNNE:2024:2652Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 20 oktober 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHARL:2026:6861
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
nummer BK-ARN 24/1646
uitspraakdatum: 20 oktober 2026
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 16 juli 2024, nummer LEE 23/642, ECLI:NL:RBNNE:2024:2652, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Eindhoven (hierna: de Inspecteur)
en
de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid, hierna: de Staat).
1 Ontstaan en loop van het geding
Aan belanghebbende is voor het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) (hierna: de aanslag) opgelegd. Bij beschikking is belastingrente berekend.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard, de aanslag verminderd, de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd en een kostenvergoeding toegekend.
Nadien heeft de Inspecteur de aanslag en de beschikking belastingrente ambtshalve verder verminderd.
Belanghebbende is tegen de uitspraak op bezwaar in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd behalve de beslissing over de kostenvergoeding, de aanslag verminderd en de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd. Verder heeft de Rechtbank bepaald dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht moet vergoeden en heeft zij de Inspecteur veroordeeld tot betaling van € 1.750 aan proceskosten aan belanghebbende. Tot slot heeft de Rechtbank de Staat veroordeeld tot betaling van een immateriële schadevergoeding aan belanghebbende van € 500.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof). De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingestuurd en de Inspecteur een conclusie van dupliek.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juli 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord drs. H. Menger, als de gemachtigde van belanghebbende, en namens de Inspecteur [naam1] en [naam2] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.
2 Vaststaande feiten
Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] en woonde gedurende geheel 2018 in Nederland. Belanghebbende had in 2018 een (fiscaal) partner.
Belanghebbende is en was in 2018 in loondienst werkzaam voor [FD] Corporation, gevestigd op de Kaaimaneilanden. Hij werkt aan boord van tankerschepen die varen onder de vlag van de Kaaimaneilanden. [FD] Corporation maakt deel uit van [SN] Transportation Group, een internationale scheepvaartonderneming.
Belanghebbende neemt (verplicht) deel aan het “ [STS] Pte. Ltd. International Ship Officers Retirement Plan”, in de stukken van het geding ook wel aangeduid als het “ [SN] International Ship Officers Retirement Plan” (hierna: Retirement Plan). Tot de stukken van het geding behoort het Retirement Plan, ‘Updated November 2021’. In dit document is, onder ‘Section 1 Summary Plan Description’, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“Naming a Beneficiary
If you are a participant in this Plan, you should have been given a Beneficiary Election Form to complete. You may change your beneficiary at any time, using the Change of Beneficiary Election Form. The beneficiary you name receives any Plan benefits due if you die.
You may name any person or entity (such as a trust fund) as your beneficiary.
(…)
Vesting
“Vesting” means that contributions and earnings credited to your Account are yours, even if your employment ends. A Participant shall vest in the portion of the Base Wage credited by the Company above, plus any earnings thereon, after five years of employment with the Company, both prior to and after the effective date of this Plan. A Participant shall always be one hundred percent (100 %) vested in his or her Participant Contribution and any earnings thereon. Currently, the Plan Year is the Company’s fiscal year.
Any Participant who dies or becomes disabled (as defined under uniform and nondiscriminatory rules established by the Administrative Committee) shall become immediately vested in his or her Account hereunder
The Trust
A trust is a fund established to pay benefits. The trust offers you a measure of security because the Company should use its assets only to pay benefits. However, if the Company goes bankrupt or becomes insolvent, the assets of the trust are subject to the claims of the Company’s general creditors. The trustee is [SN] Ltd (Bermuda).
Account Balance Earnings
Any amounts credited under the Plan shall be invested in a fixed income and/or equity investment allocation from a list of mutual funds and private money managers chosen by the Administrative Committee in its sole discretion, and listed on your investment election form. You may make changes to your investment allocation on a quarterly basis. The Plan’s Trustee reserves the right to reallocate such investments in its sole discretion if it deems it desirable to do so. This provision is included in the Plan to allow the trustee to protect the participants’ investments should circumstances require prompt action.
Distributions Upon Retirement or Disability
Any vested amounts credited to your Account shall be distributed to you upon retirement or reaching age 60 in one lump sum payment unless distributed in installments under uniform and non-discriminatory rules established by the Administrative Committee.
Distributions Upon Death
The Account of any Participant who dies shall become immediately payable, upon such death, to his or her beneficiary as the case may be.
Transfers During Employment
A Participant may, under uniform and nondiscriminatory rules established by the Administrative Committee, “transfer” all or any part of his or her vested Account to any other nonqualified plan established by the Company in the future to accept such transfers.
Distributions Upon Leaving Employment Prior to Retirement
The Participant Contributions in the Account of any Participant who is unvested and leaves employment with the Company prior to retirement, shall become payable to the Participant upon leaving employment. All unvested Company Contributions and any earnings thereon shall be forfeited. All vested Company and Participant Contributions and any earnings thereon, shall remain in the Account and will be distributed upon the earlier of the Participant’s attainment of age 60 or death.
(…)
Taxation of Benefits
Benefits from the Plan should generally be taxable when you receive them. United States taxpayers cannot roll over benefits into a Individual Retirement Account (IRA). This is based on our understanding of current tax laws. This is not intended, nor should it be construed, as tax advice. You should direct all questions about the taxation of your benefits to your tax advisor.”
De beoogde pensioendatum van belanghebbende is volgens het Retirement Plan 31 maart 2029. Op het salaris van belanghebbende wordt ten behoeve van het Retirement Plan een (eigen) bijdrage van 1% van zijn vaste bruto salaris (“Base Wage”) ingehouden. Daarnaast betaalt zijn werkgever een leeftijdsafhankelijke bijdrage (hierna: de werkgeversbijdrage). De werkgeversbijdrage bedraagt in 2018 10% van de “Base Wage” en is voor dat jaar berekend op (omgerekend) € 7.612,13.
De werkgever heeft de in 2.4 genoemde bijdragen rechtstreeks gestort in een trustfonds beheerd door [SN] Ltd., gevestigd op Bermuda (hierna ook: de Trust).
Belanghebbende heeft in een brief van 28 januari 2020 aan de Inspecteur een standpunt gevraagd over de fiscale kwalificatie van het Retirement Plan. In de brief staat onder meer:
“Bij het opstellen van de aangiften Inkomstenbelasting / Premie volksverzekeringen is in het verleden altijd uitgegaan dat het "(…) Retirement Plan", zoals een Nederlands pensioen, belast is op het moment van uitkering. De werkgever van belanghebbende geeft ook aan dat in hun ogen in het algemeen de voordelen op het moment van uitkeringen belast zullen zijn.
(…)
Alvorens de aangifte van belanghebbende af te ronden zou ik daarom graag van u vernemen of u in het verleden het "(…) Retirement Plan" inhoudelijk heeft beoordeeld. Zo niet, dan wil ik u vriendelijk verzoeken te bevestigen dat het "(…) Retirement Plan" belast is op het moment van uitkering.
Bijgevoegd zijn: — Brochure of the international Ship Officers Retirement Plan (23 pagina's) — [SN] International Ship Officers Retirement Plan Statement of Benefits (2 pagina's)”
Belanghebbende heeft op 30 april 2020 aangifte IB/PVV 2018 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 75.451, bestaande uit looninkomsten van € 82.040 en een inkomen uit eigen woning van negatief € 6.589. In de aangifte heeft hij de werkgeversbijdrage niet als loon aangemerkt. Belanghebbende heeft in de aangifte een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen aangegeven van € 1.873. Bij de bezittingen heeft hij onder meer vermeld:
|
Omschrijving |
Waarde |
Belang bel pl |
Waarde |
|
|
Toelichting overige bezittingen |
[SN] Retirement Plan Eigen inleg 1%/(1%+10%) |
19.599 |
100,000 |
19.599 |
Bij brief van 27 mei 2020 heeft de Inspecteur gereageerd op het verzoek van belanghebbende van 28 januari 2020. De Inspecteur heeft onder meer geschreven:
“Samenvatting van uw verzoek
U geeft aan dat uw cliënt is werkzaam voor [FD] Corporation, gevestigd op de Kaaimaneilanden, aan boord van Tankerschepen onder de vlag van de Kaaimaneilanden. Bij zijn werkgever neemt hij verplicht deel aan het “(…) Retirement Plan, Hierbij wordt een leeftijdsafhankelijk percentage van het ‘Basa Wage’ verplicht ingehouden op zijn salaris en door de werkgever in een Trust gestort. De trustee is [SN] Lts (Bermuda).
Zodra de inleg ‘vested’ is, wordt het bedrag uitsluitend bij pensioen op 60-jarige leeftijd in één betaling aan de belanghebbend uitbetaald, of bij eerder overlijden aan zijn begunstigde. Bij een faillissement of insolventie van het bedrijf, is het vermogen van de Trust onderworpen aan de vordering van de schuldeisers. De belanghebbende mag aan de trustee instructies geven voor investeringen, maar de Trustee hoeft deze niet op te volgen.
U vraagt of in het verleden het “(…) Retirement Plan inhoudelijk is beoordeeld. Zo niet, dan verzoekt u te bevestigen dat het plan belast is op het moment van uitkering.
Beoordeling van uw verzoek
Dit plan is in het verleden niet inhoudelijk beoordeeld door kantoor Buitenland/Kennis- en Expertisecentrum Buitenland van de Belastingdienst.
Om de regeling in Nederland te kunnen kwalificeren als een pensioenplan zou deze onder artikel 1.7, lid 2, onderdeel c, Wet IB 2001 jo. Art. 3.82, onderdeel b, Wet IB moeten vallen. Een regeling van een andere mogendheid, die volgens de belastingwetten van dat land, welke naar aard en strekking overeenkomen met de Nederlandse loonbelasting of de inkomstenbelasting, als een pensioenregeling wordt beschouwd.
Uit de meegestuurde stukken lijkt dat het hier een Amerikaanse onderneming betreft (het adres voor meer informatie over het plan is in Huston, Texas). Als het een in de VS gekwalificeerd pensioenplan is blijkt dat over het algemeen duidelijk uit het plan en is er normaal gesproken ook een passage over de behandeling door de IRS (Amerikaanse belastingdienst) opgenomen. Ook als de onderneming gevestigd is op de Kaaimaneilanden wordt niet voldaan aan artikel 1.7 Wet IB, omdat er geen sprake is van belastingwetgeving die naar aard en strekking overeenkomen met de Nederlandse loon- of inkomstenbelasting.
Daarnaast zijn er een aantal andere passages die het beeld bevestigen dat hier geen sprake is van een pensioen regeling.
Distributions Upon Retirement or Disability
Als degene werkzaam blijft bij het bedrijf tot het bereiken van de 60-jarige leeftijd, ontvangen ze in principe het gehele kapitaal als éénmalige uitkering.
Transfers During Employment
Deelnemers mogen het kapitaal gedurende de ‘opbouwfase’ overdragen naar een andere niet-kwalificerende regeling.
Taxation of Benefits
Het is niet mogelijk voor deelnemers om het kapitaal over te dragen naar een ‘Individual Retirement Account (IRA)’. Bij een kwalificerende pensioenregeling van werkgevers in de VS is dit wel mogelijk.
Antwoord op uw verzoek
Dit plan is in het verleden niet inhoudelijk beoordeeld door kantoor Buitenland/Kennis- en Expertisecentrum Buitenland van de Belastingdienst.
Op grond van de bovenstaande overwegingen ben ik van mening dat hier geen sprake is van een pensioenplan dat zou kunnen vallen onder art. 1.7, lid 2, onderdeel c Wet IB. Er lijkt hier eerder sprake te zijn van een aanvullend bonusplan. Het opgebouwde kapitaal van dit product moet niet worden gezien als een Box 1 (pensioen) product, maar mogelijk als een Box 3 vermogensbestanddeel.
Ik doe hiermee uitdrukkelijk geen uitspraak over de waarde die in Box 3 moet worden aangegeven en of hier mogelijk sprake is van een Box 2 situatie (denk aan art. 2.14a). Als u daar duidelijkheid over wilt krijgen zal dit via een apart verzoek moeten waarbij u de Trust laat beoordelen. Van belang is dan ook om inzichtelijk te maken in hoeverre de werkgeversbijdrage onderdeel vormt van het overeengekomen (belast)loon. Mogelijk moet deze in de opbouwfase al tot het loon worden gerekend.”
In zijn brief van 10 september 2020 aan de Inspecteur heeft belanghebbende onder meer geschreven:
“U geeft in uw antwoord aan dat het mogelijk als een Box 3 vermogensbestanddeel moet worden opgenomen, maar u doet geen uitspraak over de waarde die in Box 3 moet worden aangegeven. Omdat u op 28 april 2020 nog geen antwoord kon geven in verband met de waardebepaling voor box 3 (zie bijgevoegde e-mail) is in de aangifte 2018 is in afwachting van uw antwoord het gedeelte van het “(…) Retirement Plan” dat betrekking heeft op de eigen inleg te weten: 1%/(1%+10%) deel, aangegeven. Het gedeelte dat door de werkgever is ingelegd is hierbij niet meegenomen aangezien dit bedrag nooit aan belanghebbende is uitbetaald, pas op 60 jarige leeftijd aan hem wordt uitbetaald en deze uitbetaling onzeker is doordat conform de voorwaarden van het plan onder het kopje ‘The Trust’ staat vermeld dat: “...However, if the Company goes bankrupt or becomes insolvent, the assets of the trust are subject to the claims of the Company’s general creditors.”. Hij kan de waarde van het pensioen dus ook niet gebruiken voor zekerheidstelling of verpanden. Belanghebbende is daarom vooralsnog van mening dat dit deel pas op het moment van daadwerkelijke uitkering moet worden beschouwd als ontvangen loon.
Bij het indienen van de aangifte 2018 is wel aangemerkt dat belanghebbende een standpunt heeft ingenomen waarover hij een expliciete uitspraak van de Belastingdienst wil.
lk wil u daarom verzoeken alsnog duidelijkheid te verschaffen over hoe dit "(…) Retirement Plan" volgens de Belastingdienst in de aangifte moet worden verwerkt.”
Naar aanleiding van de brief van 10 september 2020 heeft de Inspecteur belanghebbende om meer informatie gevraagd.
Op 29 april 2021 heeft belanghebbende nadere informatie verstrekt, waaronder aan belanghebbende uitgereikte ‘Statement of Benefits’ van het Retirement Plan. Volgens deze overzichten is de “Vesting Date” van belanghebbende 22 juli 1992 en bedraagt zijn “Fund Value”:
|
1 november 2017 |
$ 249.907 |
|
1 mei 2018 |
$ 266.290 |
|
1 november 2018 |
$ 258.559 |
Tot de stukken van het geding behoort een document genaamd ‘Master Trust Agreement, Dated as of December 21, 2000 between [SN] TRANSPORTATION GROUP LTD. and [SN] LTD. (BERMUDA), Establishing the International Ship Officers Retirement Plan Master Trust, Effective as of October 31, 2000’ (hierna: de MTA). In dit document is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“6.1. Taxes. Unless otherwise set forth in a written appendix attached hereto, the Company agrees that all income, deductions and credits of each Account under the Master Trust (including all Separate Accounts and all Earmarked Accounts) belong to it as owner for income tax purposes and will be included on the Company’s income tax returns. The Company shall pay any taxes on the Fund, or any part thereof, and on the income therefrom, unless otherwise paid from the Fund.”
en
“11.3. No Rights to Particular Assets. No Participant or Beneficiary shall have any preferred claim on, or any beneficial ownership interest in, any assets of the Master Trust (including, without limitation, any Earmarked Assets) before such assets are paid to the Participant or Beneficiary, as provided in Article III, and all rights created under the Master Trust and each International Ship Officers Plan shall be unsecured rights of the Participant or Beneficiary against any applicable member of the International Ship Officers Plan Sponsors. No rights or interest of any Participant or Beneficiary under any International Ship Officers Plan shall be transferable or assignable or shall be subject to alienation, anticipation or encumbrance, and no right or interest of any Participant or Beneficiary in any such International Ship Officers Plan shall be subject to any garnishment, attachment or execution. Notwithstanding anything to the contrary, the Fund shall at all times remain subject to claims of general creditors of any applicable member of the International Ship Officers Plan Sponsors in the event of such member’s bankruptcy or insolvency as provided herein.”
Bij brief van 6 oktober 2021 heeft de Inspecteur zijn voornemen om van de aangifte IB/PVV 2018 af te wijken aangekondigd. Hij heeft onder meer geschreven:
“Inkomsten uit loondienst: loon
(…) Uit uw informatie blijkt dat er voor een bedrag van € 8.204 (10% van het inkomen) aan inkomsten uit loondienst van uw werkgever heeft ontvangen in de vorm van aandelen in het (…) Retirement Plan. Omdat deze inkomsten uit loondienst niet zijn aangegeven, is het totaal van de inkomsten uit loondienst te laag. Ik ben dan ook van plan op dit punt van de aangifte af te wijken door het inkomen op te hogen met een bedrag van € 8.204.
(…)
Bezittingen: waarde bank-, giro- en spaartegoeden
U hebt mij geïnformeerd over het voordeel uit sparen en beleggen van uw client. Bij bezittingen heeft uw client bij de overige bezittingen een bedrag aangegeven van € 19.599 voor het (…) Retirement Plan. Uit de door u verstrekte informatie blijkt dat de waarden van het (…) Retirement Plan op 1 januari 2018 € 214.132 is (de waarde van 1 november 2017 met twee maal de maandinleg tegen de wisselkoers van 31 december 2017). Dit betekent dat het bedrag waarover het voordeel uit sparen en beleggen wordt berekend te laag is. Ik ben dan ook van plan op dit punt van de aangifte af te wijken door een bedrag van € 194.533 toe te voegen.”
Met dagtekening 9 december 2021 heeft de Inspecteur de aanslag opgelegd conform de aankondiging van 6 oktober 2021.
De Inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag ontvangen op 11 januari 2022.
[STS] Pte. Ltd heeft de pensioenvoorziening van het Retirement Planin een verklaring op 17 mei 2022 als volgt toegelicht:
“The company’s pension contribution in the International Ship’s Officers Pension Plan do not represent neither salary, bonus, severance of any other type of work-related financial compensation. Members are eligible to get funds from the trust as soon as they reach the agreed age of 60 years. From the age of 60, the seafarer owns the benefits of the funds. However, if the Company goes bankrupt or becomes insolvent before reaching the age of 60, the assets of the trust are subject to the claims of the Company’s general creditors.”
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de werkgeversbijdrage vastgesteld op € 7.612, het belastbaar inkomen uit werk en woning verlaagd tot € 83.063 en in verband daarmee de beschikking belastingrente verminderd, het bezwaar gedeeltelijk toegewezen, en een kostenvergoeding toegekend. Ten aanzien van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen. Nadien, met dagtekening 20 december 2022, heeft de Inspecteur de aanslag ambtshalve verminderd naar aanleiding van een herberekening van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen vanwege het box 3 arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen heeft de Inspecteur daarbij vastgesteld op € 8.960.
In januari 2023 is belanghebbende in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft – voor zover in hoger beroep (nog) van belang – geoordeeld dat de werkgeversbijdrage van € 7.612 als aanspraak tot het fiscale loon van belanghebbende in het jaar 2018 moet worden gerekend. Zij heeft voorts geoordeeld dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen moet worden gesteld op het werkelijke rendement, dat zij heeft bepaald op € 6.936.
3 Geschil
In hoger beroep is in geschil:
-
i) of de werkgeversbijdrage van € 7.612 aan het Retirement Plan terecht in het jaar 2018 tot het loon van belanghebbende is gerekend;
-
ii) of het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen voor het jaar 2018 terecht op € 6.936 is vastgesteld.
Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend, de Inspecteur bevestigend.
Ter zitting heeft belanghebbende zijn stelling ten aanzien van zijn eigen bijdrage in het Retirement Plan uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken.
4 Beoordeling van het geschil
Werkgeversbijdrage van € 7.612
Belanghebbende stelt dat in het jaar 2018 in verband met het Retirement Plan geen sprake is van loon, omdat (i) hij de werkgeversbijdrage nooit van de werkgever heeft ontvangen, (ii) hij tot zijn pensioendatum geen opname kan doen uit het Retirement Plan, (iii) het onzeker is of hij in de toekomst uit het Retirement Plan een uitkering zal ontvangen, (iv) het vermogen van de Trust bij faillissement van de werkgever ten gunste komt aan schuldeisers van de werkgever en (v) hij van zijn werkgever geen vergoeding ontvangt voor het risico dat het vermogen ten gunste van schuldeisers van de werkgevers kan komen. Volgens belanghebbende is belastingheffing op grond van artikel 13a Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) pas aan de orde bij of na pensioendatum, namelijk als het vermogen in het Retirement Plan aan hem ter beschikking wordt gesteld.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat sprake is van een aanspraak, als bedoeld in artikel 10, lid 2, Wet LB. Hij stelt onder verwijzing naar Section 1 van het Retirement Plan dat belanghebbende een juridisch afdwingbaar recht heeft, dat de werkgever stortingen heeft gedaan in een separaat (trust)fonds, waarbij enkel uitkeringen mogen worden gedaan aan participanten en door participanten aangewezen begunstigden, dat belanghebbende ook recht heeft op het in het Retirement Plan opgebouwde vermogen als zijn dienstbetrekking voor zijn pensioendatum eindigt en dat belanghebbende de keuze maakt voor de beleggingen met dit vermogen. Het genietingsmoment is volgens de Inspecteur telkens het moment dat de werkgever de werkgeversbijdrage inlegt in het Retirement Plan, zodat in het jaar 2018 de werkgeversbijdrage van in totaal € 7.612 belast is.
Het Hof overweegt als volgt. Loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking wordt genoten, daaronder begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking. Het gaat dan onder meer om loon in geld en loon in natura. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende de werkgeversbijdrage van € 7.612 niet in geld of in natura van zijn werkgever heeft ontvangen.
Volgens artikel 10, lid 2, Wet LB behoren tot het loon ook aanspraken om na verloop van tijd of onder voorwaarden een of meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het bij aanspraken gaat om gevallen waarin een werkgever ten behoeve van de werknemer of diens nabestaanden naast contante beloning ook een voorziening treft krachtens welke hij of zijn nabestaanden aanspraak verwerven om op een toekomstig tijdstip – veelal bepaald door de beëindiging van de dienstbetrekking – al dan niet onder bepaalde voorwaarden in het genot te worden gesteld van één of meer uitkeringen. En dat daarbij in het algemeen kenmerkend is dat de getroffen voorziening zich ertoe leent dat de werkgever de daaruit voortvloeiende aanspraken dekt door daarvoor in eigen beheer een fonds op te bouwen of daarvoor stortingen te doen bij derden.
Naar het oordeel van het Hof, is van een dergelijke aanspraak sprake. De werkgever van belanghebbende heeft aan hem met het Retirement Plan een afdwingbaar recht toegekend om op pensioendatum (een toekomstig tijdstip) in het genot te worden gesteld van een of meer uitkeringen. De werkgever heeft daartoe een voorziening getroffen door maandelijks werkgeversbijdragen te storten in de Trust. Het Hof merkt op dat de door belanghebbende gestelde onzekerheden over de in de toekomst te ontvangen uitkeringen niet van invloed zijn op de beoordeling of sprake is van een aanspraak.
Tussen partijen is niet in geschil dat het Retirement Plan geen pensioenregeling is als bedoeld in hoofdstuk IIB Wet LB en ook niet als bedoeld in artikel 1.7, lid 2, onder c, van de Wet IB 2001. Het Hof volgt partijen hierin. Dit betekent dat ten aanzien van deze aanspraak de zogenoemde omkeerregel niet van toepassing is, zodat de aanspraak belast is.
Een aanspraak is niet in geld genoten loon. Met de Inspecteur is het Hof van oordeel dat maandelijks recht ontstaat op ‘Base Wage’ en daarmee op een aanspraak in verband met de werkgeversbijdrage over die ‘Base Wage’ in het Retirement Plan. Belanghebbende geniet deze aanspraak telkens als de werkgever de maandelijkse werkgeversbijdrage voor zover die betrekking heeft op belanghebbende, stort in de Trust. Voor het genieten van de aanspraak, is het dus niet vereist dat op grond van deze aanspraak daadwerkelijk uitbetaling aan belanghebbende heeft plaatsgevonden. Met betrekking tot de waardering van die aanspraak heeft het volgende te gelden. Volgens artikel 13, lid 1, Wet LB wordt niet in geld genoten loon in aanmerking genomen naar de waarde die daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend, met dien verstande dat in geval door een derde, niet zijnde een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap, ter zake van het niet in geld genoten loon een bedrag aan de inhoudingsplichtige in rekening wordt gebracht, het door die derde in rekening gebrachte bedrag in aanmerking wordt genomen. Aangezien de Trust en de werkgever van belanghebbende geen verbonden vennootschappen zijn, is in dit geval sprake van betalingen van de werkgeversbijdrage aan een derde. Tussen partijen is niet in geschil dat het daarbij in het jaar 2018 gaat om maandelijkse betalingen van in totaal, omgerekend € 7.612. Belanghebbende heeft het loon van € 7.612 daarom genoten, als bedoeld in artikel 13a Wet LB, in het jaar 2018. Het bedrag is daarom ook terecht in het jaar 2018 tot het loon voor de inkomstenbelasting gerekend. Het hoger beroep is in zoverre ongegrond.
Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen
Hiervoor heeft het Hof geoordeeld dat met de bijdragen in het Retirement Plan maandelijks belaste aanspraken ontstaan. Voor deze situatie is tussen partijen niet in geschil dat die aanspraken de loonsfeer (box 1) verlaten en vervolgens een recht (bezitting) vormen in box 3. Het Hof heeft geen redenen om partijen daarin niet te volgen. De waarde van dat recht is tussen partijen wel in geschil.
Het Hof begrijpt dat belanghebbende in dit verband primair stelt dat eerst moet worden bepaald wat de hoogte van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is, gebaseerd op het forfaitair berekende rendement, met inachtneming van de Wet rechtsherstel box 3. Dat is afhankelijk van de waarde die moet worden toegekend aan het recht op het vermogen in het Retirement Plan. Volgens belanghebbende moet bij die waardering – gelet op alle onzekerheden – een forse afslag worden toegepast op de nominale waarde, en is de waarde daarom (vrijwel) nihil. Subsidiair stelt belanghebbende dat de berekening van het werkelijke rendement tot een lager belastbaar inkomen uit sparen en beleggen leidt, namelijk in totaal € 1.010, waarbij gelet op diezelfde onzekerheden het werkelijke rendement uit het Retirement Plan op nihil moet worden gesteld.
De Inspecteur stelt dat voor de bepaling van het belastbaar inkomen op basis van de Wet rechtsherstel box 3 uit moet worden gegaan van de nominale waarde van het vermogen in het Retirement Plan, gebaseerd op de ‘Statement of Benefits’, zonder afslag, en dat dit leidt tot een hoger belastbaar inkomen uit sparen en beleggen dan als wordt uitgegaan van het werkelijke rendement. Voor de berekening van het werkelijke rendement uit het Retirement Plan moet worden aangesloten bij het ongerealiseerde rendement van € 5.926, waarvan de Rechtbank is uitgegaan. Mocht het Hof uitgaan van een lager werkelijk rendement doet de Inspecteur een beroep op interne compensatie vanwege een ongerealiseerde waardestijging in de beleggingsportefeuille van belanghebbende, waarmee in de uitspraak van de Rechtbank geen rekening is gehouden.
Het Hof oordeelt als volgt. Volgens het wettelijke, forfaitaire systeem worden bezittingen in aanmerking genomen voor de waarde in het economische verkeer. De waarde in het economische verkeer op de waardepeildatum is gelijk aan de nominale waarde, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat sprake is van risico’s die leiden tot een lagere waarde. Belanghebbende heeft wel gesteld dat er onzekerheden zijn, maar heeft niet onderbouwd dat op waardepeildatum 1 januari 2018 te verwachten was dat de gestelde, theoretische risico’s zich zouden voordoen. Daarmee is niet aannemelijk dat de economische waarde lager is dan de nominale waarde. Het feit dat het vermogen in het Retirement Plan niet opeisbaar is, is geen reden om de nominale waarde te verminderen door deze contant te maken, omdat dit vermogen nog rendeert en niet aannemelijk is dat het rendement op dat vermogen minder dan gemiddeld zal zijn. Het Hof zal daarom voor de toepassing van de Wet rechtsherstel box 3 uitgaan van de nominale waarde. Voor die situatie is tussen partijen niet in geschil dat belastingheffing over het werkelijk rendement gunstiger is voor belanghebbende.
Tussen partijen is niet in geschil dat het ongerealiseerde rendement uit het Retirement Plan in 2018 € 5.926 bedroeg. Volgens belanghebbende moet hierop een afslag worden toegepast, vanwege alle toekomstige onzekerheden. Het Hof oordeelt dat belanghebbende van geen van de door hem gestelde onzekerheden aannemelijk heeft gemaakt dat deze zich in het jaar 2018 hebben gemanifesteerd of anderszins negatieve invloed hebben gehad op de waardeontwikkeling van het vermogen in het Retirement Plan. Het Hof ziet daarom geen aanleiding voor een afslag op het ongerealiseerde rendement.
Uit het voorgaande volgt dat de Rechtbank, door het werkelijke rendement en daarmee het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen te bepalen op € 6.936 (= € 5.926 + € 1.010), dat inkomen niet te hoog heeft vastgesteld. Ook ten aanzien van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is het hoger beroep daarom ongegrond.
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep ongegrond is, zodat het hoger beroep ook in zoverre ongegrond is.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.
5 Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.
6 Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Breij, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en
mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2026.
De griffier, De voorzitter,
(H. de Jong) (M.M. Breij)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.