Arbeidsrecht
Proceskostenveroordeling na intrekking schorsingsverzoek
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 5 oktober 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:6340 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 5 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/civiel-recht/arbeidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-6340
Zaakgegevens
Op 5 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over arbeidsrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 5 oktober 2026
- Datum publicatie
- 5 oktober 2026
- Zaaknummer
- 200.371.662/02
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Arbeidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. R.W. Lagerwaard, mr. M.K. Eijsenga
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:6340
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Proceskostenveroordeling na intrekking schorsingsverzoek
Procesgang
Rechtbank Midden-Nederland · 30 juni 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:4186Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 5 oktober 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHARL:2026:6340
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.371.662/02
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 12125049
beschikking in het incident van 5 oktober 2026
in de zaak van
[verzoekster] ( [verzoekster] )
die is gevestigd in [vestigingsplaats]
advocaat: mr. R.W. Lagerwaard
en
[verweerster] ( [verweerster] )
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. M.K. Eijsenga
1 Het verloop van de procedure in hoger beroep
[verzoekster] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, op 30 juni 2026 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
-
het beroepschrift met verzoek tot schorsing op grond van artikel 360 Rv
-
het verweerschrift tegen het verzoek tot schorsing
-
het bericht namens [verzoekster] van 10 augustus 2026 waarbij zij het verzoek tot schorsing intrekt
-
het bericht namens [verweerster] van 14 augustus 2026 waarbij zij haar verzoek over de proceskosten in het incident handhaaft
2 De kern van de zaak
[verzoekster] heeft de kantonrechter verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerster] . De kantonrechter heeft dat verzoek toegewezen en aan [verweerster] een transitievergoeding en een billijke vergoeding toegekend. Omdat de kantonrechter aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst een billijke vergoeding heeft verbonden, heeft [verzoekster] de gelegenheid gekregen het ontbindingsverzoek in te trekken. [verzoekster] heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt. Daarnaast heeft de kantonrechter [verzoekster] veroordeeld in de – werkelijke – proceskosten ter hoogte van € 20.331,63 en deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
[verzoekster] is het niet eens met de veroordeling tot betaling van de proceskosten ter hoogte van € 20.331,63 en is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. [verzoekster] heeft het hof in het incident verzocht schorsing te bevelen van de tenuitvoerlegging van de proceskosten veroordeling. Dit incidenteel verzoek heeft [verzoekster] ingetrokken.
3 De beoordeling
Nu [verzoekster] haar incidenteel verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad heeft ingetrokken, hoeft daar niet meer op te worden beslist.
Het hof zal [verzoekster] , als de in het ongelijk te stellen partij, in de kosten van dit incident veroordelen. [verzoekster] voert aan dat zij onder druk van aanzegging van executiemaatregelen is overgegaan tot betaling van de proceskostenveroordeling. Volgens [verzoekster] is de noodzaak tot intrekking van dit incident alleen hierdoor ontstaan en dient daarom een proceskostenveroordeling ten laste van [verzoekster] achterwege te blijven. Het hof volgt [verzoekster] daarin niet. De omstandigheid dat [verweerster] is overgegaan tot betekening van de beschikking maakt immers nog niet dat [verzoekster] haar incidentele vordering had hoeven intrekken. Daarbij is mede van belang dat van verdere executiemaatregelen niet is gebleken.
Onder de kosten van dit incident vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente over de nakosten is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
4
4. De beslissing
Het hof:
in het incident
veroordeelt [verzoekster] in de kosten van het incident ter hoogte van € 1.290,- aan salaris van de advocaat van [verweerster] (1 procespunt x het toepasselijke tarief II);
bepaalt dat deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag en dat als er niet op tijd wordt betaald, die kosten dan worden verhoogd met de wettelijke rente;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in de hoofdzaak
bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het journaal civiel gerechtshoven bevindt;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K. Mans, C. Bakker en G.R. den Dekker en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2026.