Civiel recht overig
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · Hoger beroep · Civiel recht overig
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 1 april 2025
ECLI:NL:GHARL:2025:2033 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 1 april 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2025-2033
Zaakgegevens
Op 1 april 2025 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 1 april 2025
- Datum publicatie
- 4 april 2025
- Zaaknummer
- 200.348.680/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. J.M. Koppert te Lelystad
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2025:2033
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Appelgrens.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.348.680/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad 11275157
arrest van 1 april 2025
in de zaak van
[appellante] ,
die woont in [woonplaats1] ,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de kantonrechter optrad als gedaagde,
hierna: [appellante],
advocaat: mr. J.M. Koppert te Lelystad,
tegen
Woonstichting Centrada h.o.d.n. Centrada,
die is gevestigd in Lelystad,
en bij de kantonrechter optrad als eiseres,
hierna: Centrada,
niet verschenen.
1 De procedure bij de rechtbank
Voor de procedure bij de rechtbank verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 9 oktober 2024 dat de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, heeft gewezen (hierna: de kantonrechter).
2 De procedure in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding in hoger beroep
-
het tegen Centrada verleende verstek
-
de akte uitlating appelgrens.
Vervolgens heeft het hof arrest bepaald. [appellante] heeft daarvoor de stukken aan het hof gegeven.
3 De beoordeling
Centrada heeft bij de kantonrechter bij dagvaarding van 20 augustus 2024 gevorderd betaling door [appellante] van € 1.703,21 voor achterstallige huur en herstelkosten, betaling van € 213,03 aan wettelijke rente tot 6 augustus 2024, betaling van verdere wettelijke rente vanaf 6 augustus 2024 en vergoeding van de proceskosten.
De kantonrechter heeft de vorderingen van Centrada toegewezen en [appellante] veroordeeld tot betaling van € 1.916,24, vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.703,26 vanaf 6 augustus 2024 tot de voldoening en met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.
[appellante] is van het vonnis van de kantonrechter in hoger beroep gekomen. Daarbij is zij door dit hof in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de appelgrens.
Op grond van art. 332 lid 1 Rv kunnen partijen van een in eerste aanleg gewezen vonnis in hoger beroep komen, tenzij de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen niet meer beloopt dan € 1.750,-, of - in geval van een vordering van onbepaalde waarde - er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 1.750,-, een en ander tenzij de wet anders bepaalt. Voor de toepassing van de eerste zin wordt de tot aan de dag van dagvaarding in eerste aanleg verschenen rente bij de vordering inbegrepen.
Het hof stelt vast dat de vordering die Centrada in eerste aanleg heeft ingesteld inclusief wettelijke rente tot aan de dag van betekening van de dagvaarding tenminste € 1.916,24 bedraagt. Daarmee is [appellante] ontvankelijk in haar hoger beroep. Op wat [appellante] in haar akte heeft gesteld, behoeft daarmee niet te worden ingegaan.
Het hof zal de zaak verwijzen naar de rol voor memorie van grieven aan de zijde van [appellante] .
4 De beslissing
Het hof:
verklaart [appellante] ontvankelijk in haar hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 9 oktober 2024;
verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 13 mei 2025 voor memorie van grieven;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, W.F. Boele en A.A.J. Smelt en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
1 april 2025.