Penitentiair strafrecht
De maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders is inmiddels afgelopen en de…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 8 juni 2023
ECLI:NL:GHARL:2023:5248 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 8 juni 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/penitentiair-strafrecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2023-5248
Zaakgegevens
Op 8 juni 2023 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over penitentiair strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 8 juni 2023
- Datum publicatie
- 22 juni 2023
- Zaaknummer
- ISD P23/111
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Penitentiair strafrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2023:5248
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders is inmiddels afgelopen en de veroordeelde is in vrijheid gesteld. In beginsel heeft de veroordeelde dan geen belang meer bij de behandeling van zijn beroep, aangezien dit niet meer kan leiden tot beëindiging van de maatregel. De veroordeelde heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij enig belang heeft bij het door hem ingestelde hoger beroep. Het hof verklaart hem daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep
Uitspraak
ISD P23/111
Beslissing d.d. 8 juni 2023
De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1979,
voorheen verblijvende in Penitentiaire Inrichting (PI) Rotterdam, locatie Hoogvliet te Rotterdam,
volgens eigen opgave thans verblijvende op een opvangadres van het Centrum Voor Dienstverlening (CVD) aan de [adres] te [plaats] ,
hierna: de veroordeelde.
Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Rotterdam van 19 januari 2023. Deze beslissing houdt in dat voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) vereist is.
Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:
-
het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;
-
de beslissing waarvan beroep;
-
de akte van beroep van de betrokkene van 20 januari 2023;
-
de aanvullende informatie van Penitentiaire Inrichting (PI) Rotterdam van 4 mei 2023;
-
de brief van mr. E.A. Breetveld, advocaat te Den Haag, van 15 mei 2023.
Het hof heeft ter zitting van 25 mei 2023 gehoord de veroordeelde en de advocaat-generaal mr. J.A.M.M. Francissen.
Overwegingen:
Het standpunt van de veroordeelde
De veroordeelde betwist niet dat hij heeft geweigerd om mee te werken aan het traject in het kader van de aan hem opgelegde ISD-maatregel die inmiddels is afgelopen, zoals naar voren komt uit de aanvullende informatie van de PI en andere stukken die zich in het dossier bevinden. Volgens de veroordeelde ontbreken er echter ook stukken in het dossier. Hij wenst dat deze stukken worden opgevraagd en toegevoegd aan het dossier, zodat hij op basis daarvan kan controleren wat er wel en niet klopt van de informatie uit de stukken die zich nu al in het dossier bevinden. De veroordeelde wenst dat het hof ook controleert of alles volgens de regels is verlopen.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De veroordeelde stelt dat het dossier niet compleet is. Het is niet duidelijk of het hem gaat om stukken die te maken hebben met de oplegging van de ISD-maatregel dan wel om stukken die betrekking hebben op de beslissing waarvan beroep, waarbij de rechtbank het verzoek van de veroordeelde tot tussentijdse beëindiging van de ISD-maatregel heeft afgewezen. De advocaat-generaal heeft primair geconcludeerd dat de veroordeelde geen belang heeft bij een inhoudelijke de behandeling van de zaak en dat hij daarom niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep dient te worden verklaard. Subsidiair heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de beslissing waarvan beroep dient te worden bevestigd.
Het oordeel van het hof
Blijkens de aanvullende informatie van de PI is de maatregel inmiddels afgelopen en is de veroordeelde, zoals hij ter zitting heeft bevestigd, op 23 april 2023 in vrijheid gesteld. In beginsel heeft de veroordeelde dan geen belang meer bij de behandeling van zijn beroep, aangezien dit niet meer kan leiden tot beëindiging van de maatregel. Ter zitting in hoger beroep heeft de veroordeelde ter onderbouwing van zijn belang slechts gesteld dat er door hem niet nader aangeduide “stukken” in het dossier zouden ontbreken en niet aannemelijk gemaakt dat het ontbreken daarvan enige relevantie heeft voor een door het hof te nemen beslissing. Veroordeelde heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat hij enig belang heeft bij het door hem ingestelde hoger beroep. Het hof zal hem daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep .
Beslissing
Het hof:
Verklaart de veroordeelde [veroordeelde] niet-ontvankelijk in het tegen de beslissing van de Rotterdam van 20 januari 2023 ingestelde hoger beroep.
Aldus gedaan door
mr. W.A. Holland als voorzitter,
mr. M.E. van Wees en mr. E.A.K.G. Ruys als raadsheren,
en drs. R.J.A. van Helvoirt en drs. I. van Outheusden als raden,
in tegenwoordigheid van mr. R. Hermans als griffier,
en op 8 juni 2023 in het openbaar uitgesproken.
Mr. E.A.K.G. Ruys en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.