Strafprocesrecht
Ontnemingszaak. Vernietiging van de beslissing van de rechtbank. Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11 juli 2025
ECLI:NL:GHARL:2025:4301 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 11 juli 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafprocesrecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2025-4301
Zaakgegevens
Op 11 juli 2025 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafprocesrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 11 juli 2025
- Datum publicatie
- 11 juli 2025
- Zaaknummer
- 21-001514-22
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafprocesrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2025:4301
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Ontnemingszaak. Vernietiging van de beslissing van de rechtbank. Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel – verkregen uit opbrengsten van WhatsApp- en bankhelpdeskfraude – vast op een bedrag van € 15.783,00 en legt aan betrokkene een betalingsverplichting op van datzelfde bedrag.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001514-22
Uitspraak d.d.: 11 juli 2025
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden,
zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland van 31 maart 2022 met parketnummer 18-172418-21 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
wonende te [adres] .
Hierna ‘betrokkene’.
Het hoger beroep
De betrokkene heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 27 juni 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen namens betrokkene door zijn raadsman, mr. A.M.J. Comans, naar voren is gebracht.
De beslissing waarvan beroep
De rechtbank Noord-Nederland heeft bij beslissing van 31 maart 2022 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vastgesteld op een bedrag van € 31.183,-. De verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel is door de rechtbank op datzelfde bedrag vastgesteld.
Het hof verenigt zich niet met de beslissing waarvan beroep zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw recht wordt gedaan.
Vordering
De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 31.816,- en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de officier van justitie de vordering vanwege een herberekening verlaagd tot een bedrag van € 26.233,-, met de verplichting tot betaling aan de staat van datzelfde bedrag.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 29.633,- en dat aan betrokkene wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De hoofdzaak
De betrokkene is bij vonnis van rechtbank Noord-Nederland van 31 maart 2022 met parketnummer 18-172418-21 veroordeeld voor medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd; oplichting, meermalen gepleegd; medeplegen van poging tot oplichting, meermalen gepleegd; poging tot oplichting; en diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij hij het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd.
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.
Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 15.783,-. Het hof komt als volgt tot deze schatting.
De wijze van vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel neemt het hof, evenals de rechtbank, als uitgangspunt voor de berekening het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex art. 36e lid 2 Sr van 28 december 2021. Het rapport bevat een opsomming van de verkregen opbrengsten van alle feiten waar betrokkene een aandeel in heeft gehad, in totaal een bedrag van € 32.166,-.
Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal het hof, evenals de rechtbank, alleen uitgaan van de in het vonnis in de strafzaak bewezenverklaarde feiten en de bedragen die daarin zijn genoemd. Hoewel betrokkene geen openheid van zaken heeft gegeven, blijkt uit het dossier wel dat hij niet alleen handelde. Anders dan de rechtbank gaat het hof er daarom vanuit dat aannemelijk is dat bij elke zaak tenminste twee personen betrokken zijn geweest. Het hof sluit daarbij deels aan bij het door de raadsman gevoerde verweer. Daarom zal het hof, gebruikmakend van zijn schattingsbevoegdheid de bedragen die door de rechtbank niet door twee zijn gedeeld, alsnog delen door twee.
In afwijking van het rapport gaat het hof bij zaak 6 ( [zaak 6] ) uit van € 19.150,- in plaats van de in het rapport genoemde € 19.500,-. Het bedrag van € 19.150,- blijkt uit de aangifte van [zaak 6] .
Bovenstaande levert de volgende berekening op:
Zaak 1 ( [zaak 1] ): € 750,00/3 = € 250,00
Zaak 5 ( [zaak 5] ): € 3.366,00/2 = € 1.683,00
Zaak 6 ( [zaak 6] ): € 19.150,00/2 = € 9.575,00
Zaak 7 ( [zaak 7] ): € 1.950,00/2 = € 975,00
Zaak 8 ( [zaak 8] ): € 4.100,00/2 = € 2.050,00
Zaak 10 ( [zaak 10] ): € 2.500,00/2 = € 1.250,00
Totaal: € 15.783,00
Nu de betrokkene niets heeft verklaard over mogelijke kosten die hij heeft gemaakt, zal het hof geen kosten in aftrek brengen.
Het bovenstaande betekent dat het hof het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel schat op een bedrag van € 15.783,00.
De verplichting tot betaling aan de Staat
Ter terechtzitting in hoger beroep is het hof niet gebleken dat er aanleiding bestaat om de betalingsverplichting te matigen.
Op grond daarvan zal het hof de verplichting tot betaling aan de Staat stellen op een bedrag van: € 15.783,00.
Gijzeling
Het hof zal bij het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat de duur van de gijzeling bepalen overeenkomstig de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS), waarbij voor elke € 50,00 van het totale bedrag één dag gijzeling wordt gerekend en een maximum van 1.080 dagen geldt. Het hof bepaalt op basis daarvan de duur van de gijzeling op ten hoogste 315 dagen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van de procedure.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 15.783,00 (vijftienduizend zevenhonderddrieëntachtig euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 15.783,00 (vijftienduizend zevenhonderddrieëntachtig euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 315 dagen.
Aldus gewezen door
mr. L.J. Hofstra, voorzitter,
mr. Z.J. Oosting en mr. E. Pennink, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L. Dijkman, griffier,
en op 11 juli 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.