Strafprocesrecht

Het hof verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, nu de schriftelijke volmacht met…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20 februari 2026

Zaakgegevens

Op 20 februari 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafprocesrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
20 februari 2026
Datum publicatie
6 maart 2026
Zaaknummer
21-002474-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:1391
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Het hof verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, nu de schriftelijke volmacht met betrekking tot het instellen van dit hoger beroep niet aan de daaraan te stellen voorwaarden voldoet. Het hof verwijst daarbij naar het recente arrest van de Hoge Raad van 3 februari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:156, in het bijzonder rechtsoverweging 2.3.1 tot en met 2.3.3).

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002474-25

Uitspraakdatum: 20 februari 2026

VERSTEK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 4 april 2025 met parketnummer 18-135574-23 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1997 in [geboorteplaats] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-

Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 20 februari 2026 bij het hof is besproken.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot niet-ontvankelijk verklaring van verdachte in het door hem ingestelde hoger beroep. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hof overweegt als volgt ten aanzien van de ontvankelijkheid van verdachte in het door hem ingestelde hoger beroep.

De vorige raadsman van verdachte, mr. T. Bruinsma, heeft de griffie van de rechtbank Noord-Nederland via een e-mailbericht gemachtigd tot het instellen van dit hoger beroep.

Het hof is, onder verwijzing naar het recente arrest van de Hoge Raad van 3 februari 2026, van oordeel dat voornoemde schriftelijke volmacht niet aan de daaraan te stellen voorwaarden voldoet. Zo bevatte de volmacht geen adres dat door verdachte is opgegeven voor de toezending van het afschrift van de dagvaarding in hoger beroep.

In een dergelijk geval is het in de regel zo dat, uitzonderingen daargelaten, verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn hoger beroep. De genoemde uitzonderingen omvatten de gevallen dat verdachte dan wel een gemachtigde raadsman ter zitting in hoger beroep verschijnt en aangeeft dat het inderdaad zijn wens is (geweest) om hoger beroep in te stellen, of in het geval de (nadere) oproeping voor de zitting in hoger beroep in persoon is uitgereikt. Van deze situaties is in onderhavige zaak geen sprake. Het hof verklaart verdachte daarom niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door mr. E.W. van Weringh, mr. L.T. Wemes en mr. G. Souer, in aanwezigheid van de griffier mr. J.R. Sotthewes-de Jonge en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 20 februari 2026.

ECLI:NL:Hoge Raad:2026:156, in het bijzonder rechtsoverweging 2.3.1 tot en met 2.3.3.