Strafprocesrecht
- Het hof bevestigt het vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel van 10 januari 2022…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 maart 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:1824 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 17 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafprocesrecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-1824
Zaakgegevens
Op 17 maart 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafprocesrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 17 maart 2026
- Datum publicatie
- 26 maart 2026
- Zaaknummer
- 21-000268-22
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafprocesrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:1824
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
- Het hof bevestigt het vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel van 10 januari 2022, waarin de verdachte, een rechtspersoon die een mesthandel drijft, is vrijgesproken van het valselijk opmaken van vervoersbewijzen dierlijke meststoffen en van het vervolgens gebruikmaken daarvan.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000268-22
Uitspraakdatum: 17 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ArnhemLeeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 10 januari 2022 met parketnummer 08-997023-20 in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
gevestigd in [vestigingsadres] .
Hoger beroep
Verdachte en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissingen betrokken wat besproken is op de zittingen van het hof van 3 februari 2026 en 17 maart 2026 en de zittingen bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens verdachte door haar raadslieden, mr. M.G. Bischop en mr. A.C. Huisman, is aangevoerd.
Omvang van het hoger beroep
Verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde. Het hoger beroep is door verdachte onbeperkt ingesteld en dus mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op wat is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
Standpunt van de verdediging
Het Openbaar Ministerie heeft verschillende vennootschappen die ten tijde van de ten laste gelegde feiten aan [medeverdachte] als (getrapt) bestuurder en/of aandeelhouder waren gelieerd voor dezelfde gedragingen vervolgt. De betreffende vennootschappen, waarvan verdachte er één is, worden ook in de beroepsschriftuur van de officier van justitie als onderdeel van één en hetzelfde concern gezien. De vervolging van de verschillende vennootschappen voor dezelfde gedragingen is in strijd met het ne bis in idem-beginsel, zodat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft geen standpunt ingenomen over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.
Oordeel van het hof
Van een dubbele vervolging in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht is geen sprake. De verschillende ten tijde van de ten laste gelegde feiten aan [medeverdachte] gelieerde vennootschappen ontplooien uiteenlopende activiteiten en hebben eigen taken en verantwoordelijkheden binnen het verband van het concern dat zij volgens niet alleen het Openbaar Ministerie maar ook [medeverdachte] vormen. Deze rechtspersonen kunnen daarom net zoals de natuurlijke personen die eventueel betrokken zijn, ieder voor zich strafrechtelijk worden aangesproken op hun mogelijke rol in de ten laste gelegde feiten, die zij volgens de tenlastelegging tezamen en in vereniging met anderen of een ander hebben begaan. Dat de vennootschappen, inclusief verdachte, deel uitmaken van hetzelfde concern vormt dan ook geen beletsel voor hun gelijktijdige vervolging.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte.
Vonnis
De verdenking komt erop neer, kort en zakelijk weergeven, dat verdachte:
-
feit 1 en feit 3: samen met anderen of alleen zogenoemde vervoersbewijzen dierlijke meststoffen (VDM’s) valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst en/of valselijk heeft doen opmaken;
-
feit 2 en feit 4: samen met anderen of alleen opzettelijk van die valselijk opgemaakte en/of vervalste VDM’s gebruik heeft gemaakt en/of gebruik heeft doen maken.
De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde.
Het hof is van oordeel dat de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel op juiste wijze heeft beslist en daarvoor de goede gronden heeft gehanteerd. Het hof bevestigt daarom het vonnis.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep.
Aldus gewezen door
mr. N.C. van Lookeren Campagne, voorzitter,
mr. Th.C.M. Willemse en mr. J. Corthals, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.S. Janssen, griffiers,
en op 17 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.