Strafprocesrecht

Het hof heeft verdachte partieel niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Verder heeft het hof…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 september 2026

Zaakgegevens

Op 3 september 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafprocesrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
3 september 2026
Datum publicatie
2 september 2026
Zaaknummer
21-002564-21
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:5692
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Het hof heeft verdachte partieel niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Verder heeft het hof verdachte veroordeeld ten aanzien van het primair ten laste gelegde tot een taakstraf van 140 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 70 dagen hechtenis. De benadeelde partij heeft het hof niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002564-21

Uitspraakdatum: 3 september 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 31 mei 2021 met parketnummer 16-201402-19 in de strafzaak tegen

[verdachte 1] ,

geboren op [geboortedag] 1959 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis van de rechtbank.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 27 maart 2026 en 20 augustus 2026 en het onderzoek op de terechtzitting van de rechtbank.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot

- veroordeling van verdachte ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit tot een taakstraf van 140 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en de advocaat van de benadeelde partij, mr. E. Sandrk, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank heeft verdachte ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Verder heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

Het hof komt tot een deels andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging dan de rechtbank. Het hof zal daarom het vonnis van de rechtbank vernietigen en opnieuw rechtdoen.

Ontvankelijkheid van verdachte en omvang van het hoger beroep

Verdachte is door de rechtbank ten aanzien van het primair ten laste gelegde deels vrijgesproken voor zover het feit betrekking heeft op factuur R58. Door de wijze van ten laste leggen en de keuze voor het gebruik van de “en/of-constructie” in de tenlastelegging, gaat het hof uit van een, zogenoemde, impliciet cumulatieve wijze van ten laste leggen. Het hof is daarmee, nu het openbaar ministerie geen hoger beroep heeft ingesteld, van oordeel dat sprake is van een onherroepelijke vrijspraak ten aanzien van het primair ten laste gelegde, voor zover dit ziet op factuur R58.

Door de verdachte is het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep van verdachte is dan ook mede gericht tegen voornoemde (deel)vrijspraak. Gelet op dat wat is bepaald in artikel 404, vijfde lid van het Wetboek van Strafvordering, staat voor de verdachte geen hoger beroep open tegen deze beslissing. Het hof zal de verdachte dan ook nietontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen voornoemde deelvrijspraak.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – ten laste gelegd dat:

primair
hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 september 2015 tot en met 1 december 2017, te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [gemeente] , en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meerdere rechtsperso(o)n(en) en/of natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

een of meerdere factu(u)r(en) afkomstig van [bedrijf 2] (R-bijlagen: R5 (p. 1657-1658) en/of R18 (p. 1683-1684) en/of R20 (p. 1687-1688) en/of R28 (p. 1706-1707) en/of R36 (p. 1722-1724) en/of R41 (p. 1769-1771) en/of R42 (p. 1772-1776) en/of R45 (p. 1787-1789) en/of R47 (p. 1795-1800) en/of R48 (p. 1801-1805) en/of R49 (p. 1806-1809) en/of R53 (p. 1828-1831)) gericht aan de gemeente [gemeente] met betrekking tot werkzaamheden die waren uitgevoerd door de onderaannemer(s) [bedrijf 1] en [bedrijf 3]

- ( elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt en/of laten opmaken en/of vervalst en/of laten vervalsen,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) valselijk en/of in strijd met de waarheid (telkens)

meer uren voor verrichte werkzaamheden in rekening gebracht bij de gemeente [gemeente] , dan die in rekening zijn gebracht door de onderaannemer(s) [bedrijf 1] en [bedrijf 3] aan [bedrijf 2] , en/of

een hoger tarief aan loon voor verrichte werkzaamheden in rekening gebracht bij de gemeente [gemeente] , dan die in rekening zijn gebracht door de onderaannemer(s) [bedrijf 1] en [bedrijf 3] aan [bedrijf 2] , en/of

meer kosten aan materialen in rekening gebracht bij de gemeente [gemeente] , dan die in rekening zijn gebracht door de onderaannemer(s) [bedrijf 1] en [bedrijf 3] aan [bedrijf 2] ,

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, en/of

meermalen, althans eenmaal, opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt van een vals(e) en/of vervalst(e) factu(u)r(en) inhoudende uitgevoerde werkzaamheden met opgave van het aantal uren en/of het aantal materialen en/of het uur tarief, te weten

een of meerdere factu(u)r(en) afkomstig van [bedrijf 2] (R-bijlagen: R5 (p. 1657-1658) en/of R18 (p. 1683-1684) en/of R20 (p. 1687-1688) en/of R28 (p. 1706-1707) en/of R36 (p. 1722-1724) en/of R41 (p. 1769-1771) en/of R42 (p. 1772-1776) en/of R45 (p. 1787-1789) en/of R47 (p. 1795-1800) en/of R48 (p. 1801-1805) en/of R49 (p. 1806-1809) en/of R53 (p. 1828-1831)) gericht aan de gemeente [gemeente] met betrekking tot werkzaamheden die waren uitgevoerd door de onderaannemer(s) [bedrijf 1] en [bedrijf 3]

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift (telkens) echt en onvervalst,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte en/of zijn mededader(s) de voornoemde facturen hebben ingestuurd en/of laten insturen naar de gemeente [gemeente] ten behoeve van de betaling van deze facturen

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat (telkens)

meer uren voor verrichte werkzaamheden in rekening zijn gebracht bij de gemeente [gemeente] , dan die in rekening zijn gebracht door de onderaannemer(s) [bedrijf 1] en [bedrijf 3] aan [bedrijf 2] , en/of

een hoger tarief aan loon voor verrichte werkzaamheden in rekening is gebracht bij de gemeente [gemeente] , dan die in rekening is gebracht door de onderaannemer(s) [bedrijf 1] en [bedrijf 3] aan [bedrijf 2] , en/of

meer kosten aan materialen in rekening zijn gebracht bij de gemeente [gemeente] , dan die in rekening zijn gebracht door de onderaannemer(s) [bedrijf 1] en [bedrijf 3] aan [bedrijf 2] ;


subsidiair
[bedrijf 2] op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 september 2015 tot en met 1 december 2017, te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [gemeente] en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meerdere rechtsperso(o)n(en) en/of natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

een of meerdere factu(u)r(en) afkomstig van [bedrijf 2] (R-bijlagen: R5 (p. 1657-1658) en/of R18 (p. 1683-1684) en/of R20 (p. 1687-1688) en/of R28 (p. 1706-1707) en/of R36 (p. 1722-1724) en/of R41 (p. 1769-1771) en/of R42 (p. 1772- 1776) en/of R45 (p. 1787-1789) en/of R47 (p. 1795-1800) en/of R48 (p. 1801-1805) en/of R49 (p. 1806-1809) en/of R53 (p. 1828-1831)) gericht aan de gemeente [gemeente] met betrekking tot werkzaamheden die waren uitgevoerd door de onderaannemer(s) [bedrijf 1] en [bedrijf 3]

- ( elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt en/of laten opmaken en/of vervalst en/of laten vervalsen,

immers hebben die [bedrijf 2] en/of de mededader(s) van die [bedrijf 2] valselijk en/of in strijd met de waarheid (telkens)

meer uren voor verrichte werkzaamheden in rekening gebracht bij de gemeente [gemeente] , dan die in rekening zijn gebracht door de onderaannemer(s) [bedrijf 1] en [bedrijf 3] aan [bedrijf 2] , en/of

een hoger tarief aan loon voor verrichte werkzaamheden in rekening gebracht bij de gemeente [gemeente] , dan die in rekening zijn gebracht door de onderaannemer(s) [bedrijf 1] en [bedrijf 3] aan [bedrijf 2] , en/of

meer kosten aan materialen in rekening gebracht bij de gemeente [gemeente] , dan die in rekening zijn gebracht door de onderaannemer(s) [bedrijf 1] en [bedrijf 3] aan [bedrijf 2] ,

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

en/of meermalen, althans eenmaal,

opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt van een vals(e) en/of vervalst(e) een of meerdere facturen inhoudende uitgevoerde werkzaamheden met opgave van het aantal uren en/of het aantal materialen en/of het uur tarief, te weten

een of meerdere factu(u)r(en) van [bedrijf 2] (R-bijlagen: R5 (p. 1657-1658) en/of R18 (p. 1683-1684) en/of R20 (p. 1687-1688) en/of R28 (p. 1706- 1707) en/of R36 (p. 1722-1724) en/of R41 (p. 1769-1771) en/of R42 (p. 1772-1776) en/of R45 (p. 1787-1789) en/of R47 (p. 1795-1800) en/of R48 (p. 1801-1805) en/of R49 (p. 1806-1809) en/of R53 (p. 1828-1831)) gericht aan de gemeente [gemeente] met betrekking tot werkzaamheden die waren uitgevoerd door de onderaannemer(s) [bedrijf 1] en [bedrijf 3]

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift (telkens) echt en onvervalst,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat [bedrijf 2] en/of de mededader(s) van die [bedrijf 2] de voornoemde facturen hebben ingestuurd en/of laten insturen naar de gemeente [gemeente] ten behoeve van de betaling van deze facturen

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat (telkens)

meer uren voor verrichte werkzaamheden in rekening zijn gebracht bij de gemeente [gemeente] , dan die in rekening zijn gebracht door de onderaannemer(s) [bedrijf 1] en [bedrijf 3] aan [bedrijf 2] , en/of

een hoger tarief aan loon voor verrichte werkzaamheden in rekening is gebracht bij de gemeente [gemeente] , dan die in rekening is gebracht door de onderaannemer(s) [bedrijf 1] en [bedrijf 3] aan [bedrijf 2] , en/of

meer kosten aan materialen in rekening zijn gebracht bij de gemeente [gemeente] , dan die in rekening zijn gebracht door de onderaannemer(s) [bedrijf 1] en [bedrijf 3] aan [bedrijf 2] ,

zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) tot vorenomschreven feit(en) opdracht heeft/hebben gegeven en/of aan die verboden gedraging(en) feitelijk leiding heeft/hebben gegeven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wat verdachte primair ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Standpunt van verdachte

Verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat hij vrijgesproken dient te worden omdat hij niet degene was die de facturen heeft opgemaakt en omdat hij niet wist dat deze valselijk waren opgemaakt.

Oordeel van het hof

Bewijsmiddelen

Uittreksels Handelsregister Kamer van Koophandel van 17 maart 2015

Uittreksel van 17 maart 2015

Statutaire naam: [bedrijf 4]

Datum akte van oprichting: 11 maart 2015

Bestuurder: [verdachte 1]

Bevoegdheid: alleen/zelfstandig bevoegd

Uittreksel Handelsregister Kamer van Koophandel van 12 maart 2015

Statutaire naam: [bedrijf 2]

Datum akte van oprichting: 11 maart 2015

Werkzame personen: 1

Bestuurder: [bedrijf 4]

Bevoegdheid: alleen/zelfstandig bevoegd

Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1]

Ik was afdelingshoofd ruimtelijke ontwikkeling en beheer. [medeverdachte] zat in mijn team.

P: Wie keurde de facturen van [bedrijf 2] goed voor betaling?

G: In dit geval was dat [medeverdachte] . Facturen werden gescand en daarmee dus digitaal aangeleverd aan de budgethouder. Die beoordeelt en codeert de factuur, waarna de factuur bij mij terechtkwam of bij mijn naaste collega. Dit betreft de interne controle zoals het bij de gemeente weg was gezet. Inhoudelijk bekeek ik de factuur niet. Ik heb 18 budgethouders onder mij gehad, dat was voor mij geen doen geweest. Ik gaf alleen toestemming voor de daadwerkelijke uitbetaling.

Proces-verbaal van bevindingen: vergelijking gefactureerde uren [bedrijf 1] - [bedrijf 2] - Gemeente [gemeente]

Naar aanleiding van de aangifte welke door de Gemeente [gemeente] werd gedaan, zijn alle facturen ter beschikking gesteld die door de Gemeente [gemeente] van [bedrijf 2] zijn ontvangen. Door de eigenaar van [bedrijf 1] , [naam 1] , zijn alle facturen ter beschikking gesteld die door [bedrijf 1] zijn verzonden aan [bedrijf 2] . De facturen betreffen uren die door [bedrijf 1] zijn besteed in verband met rioleringswerkzaamheden. Door mij zijn de facturen die door [bedrijf 2] zijn verstuurd aan de Gemeente [gemeente] vergeleken met de facturen die door [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] zijn verstuurd. Hieruit valt op te maken dat, met name vanaf 2015 tot en met september 2016, meer uren zijn gefactureerd aan de Gemeente [gemeente] dan op de facturen van [bedrijf 1] worden vermeld.

Proces-verbaal van bevindingen: vergelijking facturen [bedrijf 3] - Gemeente [gemeente]

Op maandag 12 februari 2018 werden de woningen van verdachte [medeverdachte] en zijn ouders, in respectievelijk [plaats 1] en [plaats 3] , doorzocht. Op de locatie [plaats 3] werd een server in beslag genomen. Naar aanleiding van de op de server aangetroffen facturen van onderaannemer VOF Loonbedrijf [bedrijf 3] (verder [bedrijf 3] genoemd), is nader onderzoek gedaan. Uit de vergelijking blijkt onder meer onderstaande:

  • op facturen tussen 15-02-2016 en 01 -10-2016 werd door [bedrijf 2] in totaal 86,9 uren meer gefactureerd aan [gemeente] dan Zijderlaan aan [bedrijf 2] factureerde;

  • het tarief dat [bedrijf 2] aan [gemeente] factureerde voor het gebruik van materialen zoals zand en grind was hoger dan Zijderlaan aan [bedrijf 2] factureerde.

- datum 15-02-2016 factuurnr R20 ophogen uren met 7,75.

- datum 10-06-2016 factuurnr R28 ophogen uren met 11.

- datum 30-08-2016 factuurnr R42 ophogen uren met 17,50.

- datum 01-10-2016 factuurnr R47 ophogen uren met 2.

- In onderstaande gevallen werden gebruikte materialen, zoals zand en grind, in facturen van [bedrijf 2] aan [gemeente] opgehoogd:

Bijlagenr. [bedrijf 3]

Aantal materiaal

Bijlagenr. [bedrijf 2]

Aantal materiaal

Verschil

S94

0.25 m³

R36

2,25 m³

2 m³

S95

3 m³

R36

5,5 m³

2,5 m³

S99

4 stuks

R45

7 stuks

3 stuks

- Op 02-05-2016, in factuur 20160696 met bijlage nummer R36, werd door [bedrijf 2] € 421,88 gefactureerd aan [gemeente] voor een storing in Polsbroek. Deze werkzaamheden werden niet aangetroffen in de facturen van Zijderlaan aan [bedrijf 2] .

Facturen afkomstig van [bedrijf 4] aan de gemeente [gemeente]

R20, R28, R36, R42, R45, R47,

Factuur R5A met bijbehorende specificatie: 26-06-15 ‘ [adres 2] , totaal/hoeveelheid 8,00’.

Werkbon [bedrijf 1] (documentcode V1B): Datum 26-06-15. Aantal/stuks 2,50 ‘ [adres 2] verhelpen looptijdstoring’.

Factuur R18 met bijbehorende specificatie: 16-01-16 ‘Opsporen vac storing gemaal 6 klep vervangen [adres 3] ’, totaal/hoeveelheid 8,50.

Werkbon [bedrijf 1] (documentcode VI8B) Datum 16-01-16. Aantal/stuks 5

Opsporen vac storing gemaal 6 klep vervangen [adres 3] .

Factuur R41 met bijbehorende specificatie: 24-06-16 ‘Dorp 113 Vetkluiten onder de bal waardoor klep open bleef, totaal/hoeveelheid 5 uur’;

25-06-16 ‘Diverse gemalen nalopen en BBB geblokkeerd, totaal/hoeveelheid 4 uur’; Werkbon [bedrijf 1] (documentcode V16B)

Datum 24-06-16 . Aantal/stuks 4 Dorp 113 Vetkluiten onder de bal waardoor de klep open bleef.

Datum 25-06-16 Aantal/stuks 1 ‘Diverse gemalen nalopen en BBB geblokkeerd’.

Factuur R48 met bijbehorende specificatie: 23-11-16 ‘storing div gemalen lekdijk en 113 totaal/hoeveelheid 4 uur en 7,25 uur’.

Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2]

[medeverdachte] belde mij rond 18 februari 2015 om te vragen of ik wilde helpen met een doorstart van [bedrijf 5] . Er is toen een aandelenstructuur opgezet waarbij de moeder en de zoon [naam 2] de aandelen zouden krijgen. [verdachte 1] zou aantreden als directeur. [medeverdachte] heeft mij hiervoor benaderd. Zijn naam mocht hier niet bij betrokken worden, omdat veel opdrachtgevers hem kenden vanuit het bedrijf [bedrijf 5] dat failliet is gegaan. Dus om onrust te voorkomen mocht de naam niet aan [bedrijf 2] worden verbonden.

Met wie van dit bedrijf ( [bedrijf 2] ) had u contact?

Met [medeverdachte] . Met [verdachte 1] heb ik een aantal keer overleg gehad. Hij was een bedrijfsleider/uitvoerder. Ik verwacht dat hij goed op de werkvloer was. [medeverdachte] denkt organisatorisch en juridisch, [verdachte 1] denkt meer vanuit een praktisch oogpunt.

In welke hoedanigheid is [medeverdachte] volgens u verbonden aan [bedrijf 2] ?

Van oudsher was hij verbonden omdat hij zijn ouders wilde helpen om het bedrijf [bedrijf 5] op de been te houden. Op papier was hij niet verbonden aan [bedrijf 2] . Hij was de spreekbuis voor zijn familie en [verdachte 1] .

Is het dan zo dat de mails van 'medewerker administratie volgens u allemaal door dhr. Zielman werden verzonden?

Dat vermoedde ik wel altijd.

Proces-verbaal van bevindingen

Naar aanleiding van een vordering verstrekking historische gegevens gedaan conform artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering aan [bedrijf 6] , werden de volgende gegevens verstrekt:

Bijlage 021 t/m 024 is een contract genaamd ‘Koopoptie aandelen en vastleggen overige afspraken’. Deze werd als bijlage verzonden in een mail van [bedrijf 6] aan [bedrijf 2] , gedateerd 24-03-2017 (bijlage 019). Dit is een overeenkomst tussen partij 1: [verdachte 1] en partij 2: [medeverdachte] . Hierin staan onder andere de volgende zinnen:

Partijen hebben begin van het jaar 2015 de intentie uitgesproken om samen een onderneming te starten middels het oprichten van een besloten vennootschap genaamd ‘ [bedrijf 2] ’. Partijen hebben de wens geuit, om de onderneming zo spoedig mogelijk ten name van partij 2 te laten zetten. Dit kan echter (nog) niet op korte termijn in verband met mogelijke onvoorziene en onbedoelde consequenties.

Alle voorkomende werkzaamheden zullen worden voorbereid en uitgevoerd in overleg met partijen, conform de algemene geldende regels en normen, waarbij uitgangspunt is, dat partij 2 de uiteindelijke beslissing neemt.

Proces-verbaal van bevindingen

Naar aanleiding van een vordering verstrekking historische gegevens over de periode 01-03- 2015 tot en met 05-03-2018, bij de Coöperatieve Rabobank UA, betreffende verdachte [medeverdachte] , werden mij de volgende gegevens verstrekt:

Het betreft de kopie bankafschriften van rekeningnummers [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] op naam van [medeverdachte] . In totaal werd er in 2 bijschrijvingen € 31.698,79 bijgeschreven vanaf rekeningnummer [rekeningnummer 3] , ten name van [bedrijf 2] , dit gebeurde in onderstaande bijschrijvingen:

Op 05-10-2015 werd er € 11.698,79 bijgeschreven door [bedrijf 2] , in de omschrijving stond 201510011.

Op 22-11-2017 werd er € 20.000,00 bijgeschreven door [bedrijf 2] , in de omschrijving stond 2017043.

Proces-verbaal van bevindingen

Naar aanleiding van een vordering verstrekking historische gegevens over de periode 01-03-2015 tot en met 05-03-2018, bij de KNAB Bank, betreffende [bedrijf 7] (verder [bedrijf 7] genoemd), werden mij de volgende gegevens verstrekt:

Op betaalrekening [rekeningnummer 4] ten name van [bedrijf 7] is de bestuurder en tevens gemachtigde Mevrouw [naam 3] , (het hof begrijpt: de echtgenote van verdachte), geboren op [geboortedatum] , gevestigd aan [adres 4] [plaats 1] . De onderneming heeft een rekening bij Knab sinds 21-01-2016.

Uit bovenstaand overzicht blijkt dat er totaal € 127.771,00 werd bijgeschreven vanaf rekeningnummer [rekeningnummer 3] ten name van [bedrijf 2] .

Proces-verbaal van verhoor van verdachte bij de politie van 8 mei 2019

Wie maakten er gebruik van deze server?

V: Ik weet niet precies, maar ik denk de ouders, [bedrijf 5] . Ik weet dat [bedrijf 2] erop zat en misschien dat [medeverdachte] er ook gebruik van maakte.

Proces-verbaal van verhoor van verdachte van 25 juli 2019

Ik ben de enige bestuurder en verantwoordelijk.

Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte bij de politie

P: Je hebt in een eerder verhoor verteld dat je je uitgaf voor [naam 4] . Wat kan je daarover verklaren?

V: Dat vertelde ik net al, dat deed ik in overleg met [medeverdachte] (het hof begrijpt: medeverdachte).

P: Wie was verantwoordelijk voor [bedrijf 7]

V: Ik met mijn vrouw. Mijn vrouw wil er niks mee te maken hebben met het bedrijf.

Verklaring van verdachte op de zitting van het hof van 27 maart 2026

Ik wist wel van de constructie. Ik wist dat hij (het hof begrijpt: medeverdachte) bij de gemeente werkte en dat hij daar ook over het riool ging. Medeverdachte had wel een belang om al die aandelen naar mij over te zetten. Volgens mij was de gemeente toen een intern onderzoek gestart naar hem. Hij kwam toen met het idee om zijn moeder en broer bij [bedrijf 2] weg te halen. Zo was de naam “ [naam 5] ” niet meer aan het bedrijf verbonden. Ik wist wel dat dat de reden was dat ik al die aandelen op naam kreeg. Ik was niet alleen aandeelhouder, ook directeur en uitvoerder. Ik wist wel dat hij mij directeur wilde maken om zijn moeder en broer uit de wind te houden. Ik heb daarmee ingestemd. Ik deed weinig in de rol van directeur. Af en toe deed ik de overleggen met medeverdachte. Ik voelde mij eigenlijk meer een werknemer dan een directeur. Ik wist wel wat de reden was om mij directeur en aandeelhouder te maken. Dat was om de moeder en broer van medeverdachte uit de wind te houden en dan kon medeverdachte zijn gang gaan. Hij moest gewoon alleen iemand hebben die niet [naam 5] heette. Dat was ik. Hij wilde gewoon een bedrijf dat samenwerkte met de gemeente, terwijl hij ook wel bij de gemeente werkte en daar wat te zeggen had. Dit had ik wel in de gaten.

Ik wist vooraf van de functie van medeverdachte bij de gemeente. Hij zat zelfs bij de afdeling over het rioolbeheer. Ik wist in het begin niet dat hij daar ook budgetverantwoordelijke was. Daar kwam ik wel al snel achter, omdat hij het mij een keer had verteld. Hij had niet een kleine rol bij [bedrijf 2] die alleen maar de buitendienst deed of iets dergelijk. Hij was zelfs degene die de raamovereenkomst voor de gemeente heeft opgezet.

U, voorzitter, houdt mij voor dat er in het dossier ook gesproken wordt over ene [naam 4] . Dat was medeverdachte. Dit kwam op toen het gedoe met de gemeente begon. Toen moesten er mailtjes worden verstuurd en ik kan niks met computers. Dat is niet mijn ding. Toen hebben wij samen [naam 4] bedacht zodat medeverdachte met de gemeente kon mailen zonder zijn eigen naam te gebruiken. Eerst deed hij het als [naam 6] . De naam [naam 6] is op een soortgelijke manier tot stand gekomen als later de naam [naam 4] . Het idee om het zo te doen en haar dan [naam 6] te noemen, hebben wij samen bedacht. Hij schreef de mailtjes echter als een man. Ik zei toen “Dat moet je niet doen. We maken er [naam 4] van, want zo schrijft een vrouw niet”.

Bewijsoverweging

Door verdachte is de valsheid van de desbetreffende facturen in beginsel niet betwist. Wel heeft hij gesteld dat hij hiervan geen weet heeft gehad en daarom vrijgesproken dient te worden. Het hof ziet dit anders en is van oordeel dat het primair ten laste gelegde op basis van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen kan worden. Hiervoor acht het hof niet van belang dat op basis van het dossier niet vastgesteld kan worden dat het verdachte is geweest die de desbetreffende facturen zelf valselijk heeft opgemaakt en heeft gebruikt. Het feit is immers ten laste gelegd in de vorm van ‘medeplegen’. Medeplegen vereist een voldoende nauwe en bewuste samenwerking, waarbij het accent ligt op de samenwerking en niet zo zeer op wie welke feitelijke handelingen precies heeft verricht. Zo is niet vereist dat de medeplegers, ieder voor zich, alle bestanddelen van de tenlastelegging vervullen, zolang sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op de relevante momenten.

In dit kader geldt dat uit de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen volgt dat verdachte wist van de dubbelrol van medeverdachte. Zo wist verdachte dat medeverdachte niet enkel bij [bedrijf 2] , maar ook bij de gemeente werkte en dat hij daar zelfs over het riool ging. Ook kwam verdachte er al snel achter dat medeverdachte (feitelijk) bij de gemeente ook wat te zeggen had over het budget en de daar (door [bedrijf 2] ingediende) ingediende facturen goedkeurde. Daarbij wist verdachte dat hij als directeur van het bedrijf diende op te treden om medeverdachte en diens familie “uit de wind” te houden. Verdachte trad dan ook naar buiten toe op als de man achter [bedrijf 2] , terwijl uit de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen blijkt dat verdachte eigenlijk meer de rol van medewerker had, dat medeverdachte nauw bij de bedrijfsvoering betrokken was en dat hij op gelijke voet met verdachte overleg pleegde. Zo bedachten zij zelfs samen fictieve werknemers onder wiens naam verdachte dan met de gemeente kon communiceren. Een en ander leidt ertoe dat het hof van oordeel is dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij zich schuldig zou maken aan het medeplegen van het primair ten laste gelegde feit. Bovendien heeft verdachte een onmisbare schakel gevormd in het geheel, nu het primair ten laste gelegde feit niet gepleegd had kunnen worden zonder hem.

Het hof is dan ook van oordeel dat wat verdachte primair ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Partiële vrijspraak

Het hof is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen onvoldoende is gebleken dat verdachte of medeverdachte zich schuldig hebben gemaakt aan het in de facturen valselijk in rekening brengen van een te hoog uurtarief aan loon. Het hof stelt vast dat [bedrijf 2] weliswaar een (veel) hoger tarief aan loon heeft doorberekend aan de gemeente [gemeente] dan de onderaannemers aan [bedrijf 2] hebben gefactureerd, maar dit tarief is in overeenstemming met het tarief dat is opgenomen in de offerte van 25 maart 2015 en door de gemeente is geaccepteerd bij brief van 8 april 2015 en is aangepast in het Startoverleg Rioolbeheer [gemeente] van 11 mei 2015. Dat de gehanteerde marges extreem veel hoger zijn dan in deze bedrijfstak gebruikelijk is, maakt naar het oordeel van het hof niet dat de facturen op dit onderdeel valselijk zijn opgemaakt. Hetzelfde geldt voor de hogere tarieven die per eenheden materia(a)l(en) werden doorberekend. Dat [bedrijf 2] per eenheid ten aanzien van de materialen (die zij als het ware inkochten) een hoger tarief aan de gemeente doorberekende in de desbetreffende facturen, dan de onderaannemers bij [bedrijf 2] in rekening bracht, levert niet zonder meer valsheid op. Verder geldt dat uit het dossier niet is gebleken dat er (buiten een hoger uurtarief ook) meer uren of hoeveelheden materialen in rekening zijn gebracht door middel van facturen R49 en R53. Het hof zal verdachte daarom vrijspreken van deze onderdelen van het primair ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

primair
hij op meerdere tijdstippen gelegen in de periode van 1 september 2015 tot en met 1 december 2017, te [plaats 1] , [plaats 2] , [gemeente] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een rechtspersoon en een natuurlijke persoon, meermalen,

meerdere facturen afkomstig van [bedrijf 4] (R-bijlagen: R5 (p. 1657-1658) en R18 (p. 1683-1684) en R20 (p. 1687-1688) en R28 (p. 1706-1707) en R36 (p. 1722-1724) en R41 (p. 1769-1771) en R42 (p. 1772-1776) en R45 (p. 1787-1789) en R47 (p. 1795-1800) en R48 (p. 1801-1805) gericht aan de gemeente [gemeente] met betrekking tot werkzaamheden die waren uitgevoerd door de onderaannemers [bedrijf 1] en [bedrijf 3]

- elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt en/of laten opmaken,

immers hebben verdachte en zijn mededaders valselijk en in strijd met de waarheid telkens

meer uren voor verrichte werkzaamheden in rekening gebracht bij de gemeente [gemeente] , dan die in rekening zijn gebracht door de onderaannemers [bedrijf 1] en [bedrijf 3] aan [bedrijf 2] aannemingsmij B.V, en

meer kosten aan materialen in rekening gebracht bij de gemeente [gemeente] , dan die in rekening zijn gebracht door de onderaannemers [bedrijf 1] en [bedrijf 3] aan [bedrijf 4] ,

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

en

meermalen, opzettelijk gebruik hebben gemaakt van een valse factuur inhoudende uitgevoerde werkzaamheden met opgave van het aantal uren en het aantal materialen, te weten

een of meerdere facturen afkomstig van [bedrijf 4] . (R-bijlagen: R5 (p. 1657-1658) en R18 (p. 1683-1684) en R20 (p. 1687-1688) en R28 (p. 1706-1707) en R36 (p. 1722-1724) en R41 (p. 1769-1771) en R42 (p. 1772-1776) en R45 (p. 1787-1789) en R47 (p. 1795-1800) en R48 (p. 1801-1805) gericht aan de gemeente [gemeente] met betrekking tot werkzaamheden die waren uitgevoerd door de onderaannemers [bedrijf 1] en [bedrijf 3]

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift telkens echt en onvervalst,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte en zijn mededaders de voornoemde facturen hebben ingestuurd naar de gemeente [gemeente] ten behoeve van de betaling van deze facturen

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat telkens

meer uren voor verrichte werkzaamheden in rekening zijn gebracht bij de gemeente [gemeente] , dan die in rekening zijn gebracht door de onderaannemers [bedrijf 1] en [bedrijf 3] aan [bedrijf 4] , en

meer kosten aan materialen in rekening zijn gebracht bij de gemeente [gemeente] , dan die in rekening zijn gebracht door de onderaannemers [bedrijf 1] en [bedrijf 3] aan [bedrijf 4]

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:

medeplegen van valsheid in geschrift

en

opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst,

meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het navolgende meegewogen.

Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift en het gebruikmaken van die valse geschriften, meermalen gepleegd. Zo hebben zij samen, binnen het bedrijf [bedrijf 2] , gedurende een periode van een aantal jaren facturen valselijk opgemaakt en deze gericht aan de gemeente [gemeente] . De medeverdachte heeft door naar buiten op te treden als gezicht achter het bedrijf [bedrijf 2] de faciliteiten geboden die deze gang van zaken voor hem en verdachte, die vanuit zijn rol als medewerker van de gemeente [gemeente] verantwoordelijk was voor de goedkeuring van de facturen, gedurende langere tijd mogelijk heeft gemaakt. Door zijn handelen heeft verdachte samen met medeverdachte op listige wijze misbruik gemaakt van de situatie en het vertrouwen dat de gemeente in verdachte, als aannemer, en medeverdachte, als werknemer, had gesteld. Verdachte heeft met zijn handel enkel oog gehad voor zijn financieel gewin (en dat van medeverdachte) en zich niet bekommerd over de schadelijke gevolgen daarvan voor de gemeente en diens inwoners. Grote sommen gemeenschapsgeld zijn ten onrechte door de gemeente betaald, waardoor de gemeente grote financiële schade heeft geleden. Daarbij komt dat verdachte eveneens het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer in facturen moet kunnen worden gesteld, heeft geschaad.

Het hof heeft verder gelet op het strafblad van verdachte van 21 juli 2026. Daaruit volgt dat hij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor (soortgelijke) strafbare feiten.

Het hof heeft ook meegewogen de persoonlijke omstandigheden van verdachte. In dit kader heeft verdachte op de zitting van het hof van 27 maart 2026 naar voren gebracht dat het goed gaat met zijn gezondheid, dat hij met pensioen is, dat hij momenteel samen met zijn vrouw woont en dat hij vier kinderen heeft. Verder heeft verdachte aangegeven dat hij in staat zou zijn een gevangenisstraf uit te zitten of een taakstraf uit te voeren.

Gelet op het hiervoor overwogene, acht het hof in beginsel passend de oplegging van een taakstraf van 180 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 90 dagen hechtenis.

Het hof stelt echter vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, is overschreden in hoger beroep. Verdachte heeft namelijk blijkens de akte van het instellen van het hoger beroep op 1 juni 2021 hoger beroep ingesteld. Onderhavig arrest is op 3 september 2026 uitgesproken. Tussen deze twee data is een tijd verstreken van 5 jaren en afgerond 2 maanden. De termijn die voor de afdoening in hoger beroep staat, bedraagt in dit geval twee jaren. De termijn is dus overschreden met 3 jaren en afgerond 2 maanden. Deze overschrijding dient naar het oordeel van het hof te leiden tot een vermindering van voornoemde taakstraf.

Alles in overweging nemend, acht het hof passend en noodzakelijk de oplegging van een taakstraf van 140 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 70 dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij Gemeente [gemeente]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 524.239,65 aan materiële schade ingediend. De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de vordering zoals deze aanvankelijk is ingediend.

De benadeelde partij heeft de verschillende schadeposten van deze vordering gemotiveerd. Het betreft echter een complexe vordering, waarbij niet steeds duidelijk is welke posten het gevolg zijn van het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte en zijn medeverdachte, terwijl het dossier onvoldoende informatie biedt om de omvang van de daadwerkelijke schade vast kunnen te stellen. De (omvang van de) vordering is bovendien door verdachte betwist. Een en ander leidt ertoe dat nader onderzoek zou zijn vereist om op de vordering van de benadeelde partij te kunnen beslissen. Hiervoor biedt het strafproces geen ruimte. Daarbij komt dat er al in een civielrechtelijke procedure is beslist op de door de benadeelde partij ingediende vordering. Het hof zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de vordering nu de behandeling ervan een onevenredige belasting van de strafprocedure zou opleveren. De benadeelde-partij kan de vordering nog wel indienen bij de burgerlijke rechter (wat de benadeelde partij al gedaan heeft).

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 47, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde, dan wel zoals zij gelden op het moment van het wijzen van dit arrest.

BESLISSING

Het hof:

verklaart verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover het gericht is tegen de partiële vrijspraak van de primair ten laste gelegde voor zover betrekking hebbend op factuur R58.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 140 (honderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 70 (zeventig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij Gemeente [gemeente]

Verklaart de benadeelde partij Gemeente [gemeente] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.

Dit arrest is gewezen door mr. M.C. van Linde, mr. T.H. Bosma en mr. Z.J. Oosting, in aanwezigheid van de griffier mr. I.C. Bita en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 september 2026.

Wanneer hierna naar processen-verbaal wordt verwezen, worden hiermee, tenzij anders aangegeven, steeds bedoeld processen-verbaal die in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde politieambtenaren zijn opgemaakt en zijn opgenomen op de genoemde pagina’s van het politiedossier van de Politie-eenheid Midden-Nederland, PVB-nummer: 2018144357 (onderzoeksnurnmer: MDRAA18004/03Clean), dat op 20 augustus is afgesloten en ondertekend door verbalisant [verbalisant] . Een geschrift, te weten een Uittreksel Handelsregister Kamer van Koophandel van 17 maart 2015, p. 35. Een geschrift, te weten een Uittreksel Handelsregister Kamer van Koophandel van 12 maart 2015, p. 45. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van 19 juni 2019, p. 602. Het proces-verbaal van bevindingen van 31 augustus 2018, p. 325. Het proces-verbaal van bevindingen van 31 augustus 2018, p. 325. Het proces-verbaal van bevindingen van 31 augustus 2018, p. 327. Een geschrift, te weten een factuur van 3 mei 2016, p. 1687. Een geschrift, te weten een factuur van 21 juni 2016, p. 1706. Een geschrift, te weten een factuur van 10 september 2016, p. 1722. Een geschrift, te weten een factuur van 11 december 2016 , p. 1772. Een geschrift, te weten een factuur van 31 december 2016 , p. 1787. Een geschrift, te weten een factuur van 21 januari 2017, p. 1795. Een geschrift, te weten een factuur van 17 september 2015, p. 1657-1658. Een geschrift, te weten een werkbon van 13 juli 2015, p 226. Een geschrift, te weten een factuur van 17 maart 2016, p. 1683-1684. Een geschrift, te weten een werkbon van 13 februari 2016, p. 243. Een geschrift, te weten een factuur van 7 november 2016 p. 1769 en 1771. Een geschrift, te weten een werkbon van 3 oktober 2016, p. 261. Een geschrift, te weten een factuur van 21 januari 2017, p. 1801 en 1804. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] van 11 oktober 2018, p. 581. Het proces-verbaal van bevindingen van 26 oktober 2018, p. 845- 847. Het proces-verbaal van bevindingen van 27 maart 2018, p. 633. Het proces-verbaal van bevindingen van 27 maart 2018, p. 692. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 8 mei 2019, p. 1117. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 25 juli 2019, p 1220. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 10 mei 2019, p. 1058. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 10 mei 2019, p 1065. De verklaring van verdachte zoals afgelegd op de zitting van het hof van 27 maart 2026 en opgenomen op p. 3-4 van het proces-verbaal van die zitting. De verklaring van verdachte zoals afgelegd op de zitting van het hof van 27 maart 2026 en opgenomen op p. 5 van het proces-verbaal van die zitting. De verklaring van verdachte zoals afgelegd op de zitting van het hof van 27 maart 2026 en opgenomen op p. 5-6 van het proces-verbaal van die zitting.