Strafprocesrecht
Het hof veroordeelt verdachte tot een geldboete ter hoogte van € 500,- en een deels voorwaardelijke…
ECLI:NL:GHARL:2026:5089 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 26 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafprocesrecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-5089
Zaakgegevens
Op 26 juni 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafprocesrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 26 juni 2026
- Datum publicatie
- 3 augustus 2026
- Zaaknummer
- 21-005092-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafprocesrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:5089
Samenvatting
Het hof veroordeelt verdachte tot een geldboete ter hoogte van € 500,- en een deels voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan rijden onder invloed van 580 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005092-25
Uitspraakdatum: 26 juni 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Utrecht, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van
5 december 2025 met parketnummer 96-204604-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 96-084305-24, in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1976 in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] .
Hoger beroep
De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 12 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw,
mr. A.S. Bissumbhar, advocate te Almere, hebben aangevoerd.
Het vonnis
De politierechter heeft bij vonnis van 5 december 2025 verdachte ter zake van overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (569 µg/1) veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 500,- en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 180 dagen, met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs ingevorderd en ingehouden is geweest ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994. De politierechter heeft de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 96-084305-24, afgewezen.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 4 juli 2025 te [plaats] , als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 580 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overweging met betrekking tot het bewijs
De politierechter heeft het onderzoeksresultaat van de ademanalyse, te weten 580 µg/1, geschrapt uit de bewezenverklaring en in plaats daarvan 569 µg/1 bewezen verklaard, teneinde kennelijk te voorkomen dat bij een bewezenverklaring van 580 µg/1 op grond van artikel 123b Wegenverkeerswet 1994 het rijbewijs van de verdachte ongeldig zou worden verklaard. Zij was van oordeel dat de verdachte daardoor onevenredig hard zou worden getroffen.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een (volledige) bewezenverklaring van het feit en heeft hiertoe aangevoerd dat het oordeel van de politierechter in strijd is met het recht.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft samengevat bepleit dat het oordeel van de politierechter dient te worden bevestigd.
Oordeel van het hof
Een rijbewijs verliest op grond van art. 123b, eerste lid, WVW 1994 van rechtswege zijn geldigheid indien aan de in die bepaling gestelde voorwaarden is voldaan. Daarvan is, kort gezegd, sprake in geval van recidive ter zake van met middelengebruik verband houdende verkeersdelicten. Het verlies van de geldigheid van het rijbewijs is daarbij het directe gevolg van het onherroepelijk worden van een tweede veroordeling voor zo’n delict binnen vijf jaar na een eerste veroordeling. De verdachte is op 24 september 2024 veroordeeld voor rijden onder invloed, gepleegd op 9 mei 2023. Een tweede veroordeling binnen een periode van vijf jaar waarbij het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 570 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht– zoals in casu het geval is – heeft op grond van deze bepaling het rechtstreekse gevolg dat het rijbewijs van de verdachte zijn geldigheid verliest.
Alhoewel het hof begrijpt dat de verdachte door die bestuursrechtelijke reactie op een strafrechtelijke veroordeling zwaar wordt getroffen, ziet het hof geen grondslag in het recht om daar op de wijze als door de politierechter gekozen mee om te gaan. Het hof stelt vast dat de officier van justitie in de tenlastelegging ook het specifieke alcoholgehalte heeft opgenomen. Nu daarvoor in het dossier bewijs aanwezig is, moet het hof ook dat onderdeel van de tenlastelegging bewezenverklaren.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 4 juli 2025 te [plaats] , als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 580 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (580 microgram).
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straffen
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 500,- en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 180 dagen, waarvan 26 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd voor de duur van twee jaren en met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs ingevorderd en ingehouden is geweest ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994.
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Oordeel hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en het hof heeft gelet op de persoon van de verdachte. Daarbij is het volgende in bijzonder in beschouwing genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het besturen van een personenauto op de openbare weg onder invloed van een aanzienlijke hoeveelheid alcoholhoudende drank. Bij een controle bleek het alcoholgehalte van zijn adem 580 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht te zijn. Door aldus te handelen heeft de verdachte de verkeersveiligheid in gevaar gebracht.
Het hof heeft acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en neemt – in aanmerking genomen de recidive van de verdachte en de door hem genuttigde hoeveelheid alcoholhoudende drank – een geldboete ter hoogte van
€ 850,00 en een onvoorwaardelijke rijontzegging voor de duur van drie maanden als uitgangspunt.
Voorts heeft het hof gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 11 mei 2026. Hieruit volgt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard goed te zijn doordrongen van de gevaren die het rijden onder invloed van alcohol met zich brengt en heeft hij aangegeven sindsdien geen verdovende middelen meer te hebben gebruikt. Verder heeft de verdachte uitgelegd dat hij zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk als (bus)chauffeur en verzocht daarmee rekening te houden.
Alles afwegende acht het hof een geldboete ter hoogte van € 500,- en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 180 dagen, waarvan 26 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd voor de duur van twee jaren en met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs ingevorderd en ingehouden is geweest ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994, passend en geboden.
Vordering tot tenuitvoerlegging
Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 24 september 2024, onder parketnummer 96-084305-24, opgelegde voorwaardelijk ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van negen maanden, met een proeftijd van twee jaren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de proeftijd met een jaar verlengd dient te worden.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen.
Oordeel van het hof
Het hof verlengt – gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte – de proeftijd met één jaar.
Wetsartikelen
De straffen zijn gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.
Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 26 (zesentwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.
Verlengt de proeftijd als vermeld in het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 24 september 2024 parketnummer 96-084305-24, met een termijn van 1 (één) jaar.
Aldus gewezen door
mr. D.A.C. Koster, voorzitter,
mr. L.G.J.M. van Ekert en mr. M.J. Ouweneel, raadsheren,
in aanwezigheid van mr. G.J.H. van Vliet, griffer,
en op 26 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 26 juni 2026.
Tegenwoordig:
mr. N.I.S. Boers, voorzitter,
mr. W. Gerretschen, advocaat-generaal,
mr. S. Berendsen, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.