Rechtbank Midden-Nederland, eerste aanleg - meervoudig strafprocesrecht

ECLI:NL:RBMNE:2026:553

Op 20 February 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafprocesrecht, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 16-053874-25 (P), bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBMNE:2026:553. De plaats van zitting was Lelystad.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
16-053874-25 (P)
Datum uitspraak:
20 February 2026
Datum publicatie:
20 February 2026

Indicatie

Veroordeling ter zake door schuld veroorzaken verkeersongeval met letsel. Bestuurder was afgeleid door een spin en reed tegenligger aan: meer dan een enkel moment van onoplettendheid. Partiële vrijspraak zwaar lichamelijk letsel. Benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16-053874-25 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 20 februari 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats] , hierna: verdachte.

1
ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 februari 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. L. Rinsma en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. R.B. Venema, advocaat te Almere, naar voren hebben gebracht.

2
TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair op 11 april 2024 in Marknesse als bestuurder van een auto zich zodanig heeft gedragen dat door zijn schuld een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht of zodanig lichamelijk letsel is toegebracht, dat hij tijdelijk verhinderd is geweest in de uitoefening van zijn normale bezigheden.

Subsidiair op 11 april 2024 in Marknesse als bestuurder van een auto gevaar op de weg heeft veroorzaakt en het verkeer op die weg heeft gehinderd.

3
VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4
WAARDERING VAN HET BEWIJS
4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen in die zin dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden. Ten aanzien van het letsel heeft de officier van justitie partiële vrijspraak gevorderd, omdat geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Wel kan worden vastgesteld dat voor [slachtoffer] uit het ongeval tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde. De verdachte betwist niet dat hij schuld heeft aan het ontstaan van het ongeval, maar de lat van aanmerkelijke schuld – hetgeen noodzakelijk is voor een veroordeling op grond van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (WVW) – wordt niet gehaald. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde maakt de verdediging geen opmerkingen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen  (Voetnoot 1)

1) Verbalisant [verbalisant 1] heeft volgens een proces-verbaal aanrijding overtreding van 10 februari 2025  (Voetnoot 2) het volgende geverbaliseerd, zakelijk weergegeven:

Locatie ongeval Datum: 11 april 2024 Locatienaam: N331 Plaats: Marknesse

2) Verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] hebben in een proces-verbaal Forensisch onderzoek Verkeer (hierna: FO Verkeer) van 11 april 2024  (Voetnoot 3) het volgende geverbaliseerd, zakelijk weergegeven:

Wij zagen dat de N331 ter hoogte van het verkeersongeval was verdeeld in 2 rijstroken, die onderling gescheiden werden door een dubbele ononderbroken markering. Wij zagen dat de Marknesserweg, gezien vanuit de rijrichting van de Ford, ter hoogte van het verkeersongeval een flauwe bocht naar rechts vertoonde. De maximumsnelheid bedroeg ter plaatse 80 km/u.

De botsing vond zeer waarschijnlijk plaats met een snelheid rond de 92 km/u.

Scenario: bestuurder Ford

Het verkeersongeval vond (mede) plaats omdat: De bestuurder van de Ford op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer reed. Dit scenario is gezien de positie van de sporen in de berm en op de voertuigen het meest waarschijnlijke scenario.

2) Verdachte heeft tijdens de terechtzitting van 6 februari 2026 de volgende verklaring afgelegd, zakelijk weergegeven:

Doordat ik schrok van een spin was ik een kort ogenblik met mijn aandacht niet bij de weg. Ik stuurde daardoor niet voldoende om mee te gaan met de bocht. Daarna zag ik dat ik de doorgetrokken streep in het midden van de rijbaan overschreed. Ik zag dat [slachtoffer] was uitgeweken. Ik kon op dat moment niet meer remmen en niet meer sturen waarop ik hem raakte. Ik rij wekelijks, misschien wel dagelijks op deze weg. Daarom weet ik dat de toegestane maximumsnelheid 80 kilometer per uur is en je niet op de andere weghelft mag komen.

3) Uit het proces-verbaal van verhoor getuige van 20 april 2024  (Voetnoot 4) volgt dat [getuige] onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, heeft verklaard:

Op 11 april 2024 reed ik in mijn auto over de Marknesserweg vanuit Marknesse richting Emmeloord. Tussen hectometerpaaltje 35.9 en 36.0 zag ik dat er een zwartkleurige bestelauto ruim één meter op mijn weghelft reed en wat slingerde. Deze bestelauto kwam uit de richting Emmeloord en reed in de richting van Marknesse. Ik zag de tekst ' [tekst] ' op de bestelauto staan. Ik zag dat het tijdstip 07.43 uur was. Ik begon naar de bestuurder in de bestelauto te seinen met het groot licht van mijn auto. Ik hield ook snelheid in om een aanrijding te voorkomen. Ik zag dat de bestuurder van de zwarte bestelauto daarop reageerde en snel met zijn voertuig terugstuurde naar zijn eigen weghelft.

4) Uit het proces-verbaal van verhoor getuige van 16 april 2024  (Voetnoot 5) volgt dat [slachtoffer] onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, heeft verklaard:

Onderweg zag ik een zwarte bus de brug over komen. Ik zag dat hij over de dubbele doorgetrokken streep op mijn weghelft reed met twee wielen. Ik heb geschreeuwd en mijn claxon gebruikt. Ik zag dat hij nog steeds meer op mij af kwam rijden. Eerst was het busje een derde op mijn weghelft en daarna reed het busje helemaal op mijn weghelft. Ik heb het gas los gelaten en de berm in gestuurd. Daarna heb ik hard geremd. Daarna voelde ik een hele harde knal en lag ik ineens op de kop met de auto. Ik voelde direct daarna dat er iets drupte vanaf mijn rechteroog. Ik kon ook niks meer zien met dat oog. In het ziekenhuis heeft de plastische chirurg mijn oog gehecht.

5) Uit het geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een verzoek medische informatie ingevuld en ondertekend door een zorgverlener op 6 mei 2021  (Voetnoot 6) blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende:

Uitwendig waargenomen letsel: laceratie ooglid rechts.

Datum onderzoek: 11.04.25. Overig: operatie door plastisch chirurg aan de laceratie van het ooglid rechts.

Bewijsoverweging

De vraag die aan de rechtbank voorligt, is of verdachte zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Op grond van vaste jurisprudentie gaat het bij de vaststelling of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW om het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst van deze gedragingen en de overige omstandigheden van het geval. (Voetnoot 7) Vastgesteld dient te worden of verdachte verwijtbaar heeft gehandeld. Het gedrag van verdachte moet daarvoor worden afgemeten aan wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht.

Verdachte reed op 11 april 2024 in zijn bedrijfsbus op de Marknesserweg (N331). De N331 is een tweebaansweg waarover verkeer in tegenovergestelde richtingen rijdt. De rijstroken worden onderling gescheiden door een dubbele ononderbroken markering. De toegestane maximumsnelheid op deze weg is 80 km/u. De rechtbank leidt uit het Forensisch Onderzoek Verkeer het volgende af. Verdachte is, op de plaats waar de rijbaan gezien vanuit zijn rijrichting een flauwe bocht naar rechts maakte, over de ononderbroken markering gereden waardoor hij op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer terecht kwam en tussen hectometerpaal 35,6 en 35,7 in botsing is gekomen met het voertuig van [slachtoffer] . Als gevolg van deze botsing heeft [slachtoffer] een laceratie van het rechter ooglid opgelopen. Op het moment van de botsing reed verdachte met een snelheid van 90 tot 92 km/u. Verdachte reed daarmee harder dan de maximaal toegestane snelheid.

Naar het oordeel van de rechtbank was, anders dan de verdediging heeft betoogd, bij verdachte sprake van meer dan een momentane onoplettendheid. Verdachte is over een afstand van een paar honderd meter onoplettend geweest. Daarbij heeft hij op meer dan één moment de ononderbroken markering overschreden. Weggebruiker [getuige] heeft door te seinen de aandacht van verdachte getrokken waarna hij weer op de goede weghelft is gaan rijden. Kort daarop is verdachte nogmaals op de verkeerde weghelft terecht gekomen, met het ongeval tot gevolg.

Verder acht de rechtbank van belang dat wegen waarbij de rijbanen voor elkaar tegemoetkomend verkeer niet fysiek van elkaar zijn gescheiden, zoals op het bewuste deel van de N331/Marknesserweg, wegen zijn waarvan algemeen bekend is dat deze uit verkeerstechnisch oogpunt gevaarlijk zijn. Ter onderstreping hiervan waren de rijbanen op de plaats van het ongeval gescheiden door een dubbele doorgetrokken streep. Dit betekent dat er een inhaalverbod geldt. Daarbij gold een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur. Uit deze omstandigheden kan worden vastgesteld dat op de plaats van het ongeval bijzondere voorzichtigheid van de verkeersdeelnemers gevergd is.

Verdachte was bekend met de situatie ter plaatse. En dus ook met de bocht die hij daar moest nemen. Naar zijn zeggen was hij afgeleid door een grote spin in zijn gezichtsveld en heeft dit ervoor gezorgd dat hij op de verkeerde weghelft kwam. De rechtbank stelt vast dat hij over een langer traject meerdere malen op de verkeerde weghelft heeft gereden, en dat hij daarbij harder reed dan de toegestane maximum snelheid. Dit laatste vergroot de kans op een ongeval met ernstige gevolgen.

De voorgaande omstandigheden in samenhang bezien maken dat verdachte in aanzienlijke mate tekortgeschoten is in de voorzichtigheid die van bestuurders van personenauto’s mag worden verwacht en de op hem rustende zorgplicht om gevaarzettende situaties te voorkomen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit verkeersgedrag van verdachte aan te merken als aanmerkelijk onvoorzichtig. Dit betekent dat sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, zodat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen.

Zwaar lichamelijk letsel of tijdelijk verhindering bezigheden

De volgende vraag waar de rechtbank zich voor gesteld ziet, is of het letsel van [slachtoffer] is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel.

Lichamelijk letsel is als zwaar te beschouwen wanneer dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Factoren die van belang zijn om uit te maken of het letsel als zwaar in de zin van de wet kan worden aangemerkt zijn de ernst van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.

[slachtoffer] heeft aan de politie verklaard dat hij door de aanrijding gewond is geraakt aan zijn rechteroog en dat hij daaraan direct bij aankomst in het ziekenhuis is geopereerd. Als gevolg van de operatie was de symmetrie in zijn gezicht veranderd waardoor een hersteloperatie noodzakelijk bleek. Het herstel van het weefsel rond zijn oog heeft een aantal maanden geduurd. Zijn gezichtsvermogen is niet aangetast. Zijn werk heeft hij na een paar weken weer kunnen oppakken, maar zijn nevenwerkzaamheid als reservist bij defensie heeft hij een aantal maanden niet kunnen uitoefenen.

In de schriftelijke verklaring, bij de schadevordering gevoegd, geeft [slachtoffer] aan dat het ooglid niet is hersteld, en dat er sprake is van een blijvend litteken ‘in het rechteroog’.

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] . Blijvende ontsierende littekens kunnen zwaar lichamelijk letsel opleveren, maar in dit geval is de informatie daarover te summier en niet specifiek genoeg: in hoeverre is het ooglid niet hersteld, wat voor litteken zit er in het rechteroog? Hoewel medisch ingrijpen noodzakelijk is geweest, kan het letsel gelet ook op de aard en het verloop van het herstel niet worden aangemerkt als zwaar. Verdachte zal van dit deel van het tenlastegelegde worden vrijgesproken. De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat [slachtoffer] tijdelijk verhinderd is geweest in de uitoefening van zijn normale bezigheden.

Het oordeel over het letsel doet niets af aan de ernst van de impact die het ongeval op [slachtoffer] heeft gehad. Wel is het van belang voor de bewezenverklaring en voor de strafmaat, die bij zwaar lichamelijk letsel doorgaans hoger ligt dan bij letsel dat niet als zodanig kan worden gekwalificeerd.

5
BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 11 april 2024, te Marknesse, gemeente Noordoostpolder als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), daarmede rijdende over de weg, de N331 (Marknesserweg) zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden dooraanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend,- met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid te rijden en - niet voortdurend en/of niet voldoende zijn aandacht bij de weg en het verkeer te houden en- (daarbij) zijn motorrijtuig niet met de nodige voorzichtigheid te besturen en- (vervolgens) in een flauwe bocht naar links te rijden en (daarbij) een doorgetrokken streep te overschrijden en - (vervolgens) zich met zijn, verdachtes, motorrijtuig geheel links van die doorgetrokken streep - welke streep op voornoemde weg was aangebracht tussen de weggedeelten , met verkeer in beide richtingen - te bevindenen (daarbij) niet aan zijn, verdachtes, verplichting te voldoen om zoveel mogelijk rechts te houden en - (vervolgens) - geheel rijdend op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijbaan van voornoemde weg - op een op die rijbaan tegemoetkomend motorrijtuig (te weten eenpersonenauto) te botsen,waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) letsel, te weten een laceratie van het ooglid, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6
STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

(primair) overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

7
STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8
OPLEGGING VAN STRAF
8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een geldboete van € 1.500,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis;

- een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van vier maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat het rijbewijs voor verdachte noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn werk. Gelet op het tijdsverloop, alsmede op het feit dat de verdachte in de tussengelegen periode geen nieuwe verkeersfeiten heeft begaan, verzoekt de verdediging geen of uitsluitend een voorwaardelijke rijontzegging op te leggen en de daaraan te verbinden proeftijd te beperken tot één jaar.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

Verdachte heeft op 11 april 2024 door aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag een verkeersongeval veroorzaakt met letsel tot gevolg. Verdachte heeft namelijk op een – voor hem bekende – gevaarlijke weg met een te hoge snelheid gereden en zich zodanig laten afleiden dat hij meermalen op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer is komen te rijden. Door de botsing die toen ontstond, is het voertuig van [slachtoffer] over de kop geslagen, met letsel tot gevolg. Daarbij had het – zonder de alerte uitwijkmanoeuvre van [slachtoffer] – nog veel erger kunnen aflopen. Een dergelijk heftig verkeersongeluk heeft niet alleen grote impact op het slachtoffer, maar ook op andere betrokkenen en voorbijgangers.

Persoon van verdachte

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie over verdachte. Uit het uittreksel van 1 december 2025 volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

In strafmatigende zin neemt de rechtbank mee dat verdachte vanaf het eerste moment schuld heeft bekend en open is geweest over zijn aandeel in het ongeval. Hij heeft de situatie niet mooier willen maken dan deze was. Ook ter zitting heeft hij verantwoordelijkheid genomen en zijn excuses aan de op zitting aanwezige familie van het slachtoffer en daarmee indirect aan [slachtoffer] aangeboden. Daarbij heeft hij aangegeven open te staan voor herstelbemiddeling.

Tot slot neemt de rechtbank het belang van het rijbewijs voor verdachte mee. Voor de uitoefening van zijn werk is het bezit van zijn rijbewijs essentieel. Een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid zou inkomensverlies met zich brengen waardoor de gevolgen voor verdachte en zijn gezin veel groter zijn dan het doel dat de straf zou moeten dienen. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat een stevige waarschuwing in de vorm van een voorwaardelijke rijontzegging op zijn plaats is ter voorkoming van herhaling.

De straf

Daarom zal de rechtbank verdachte geen onvoorwaardelijke, maar een voorwaardelijke ontzegging van rijbevoegdheid opleggen voor de duur van vier maanden met een proeftijd van twee jaar. Ook heeft de rechtbank bij haar overwegingen de vastgestelde landelijke oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) betrokken. Uit deze oriëntatiepunten volgt dat voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld met lichamelijk letsel tot gevolg, als uitgangspunt wordt gehanteerd een geldboete van € 1.000,-. Omdat daarnaast doorgaans een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid wordt opgelegd, legt de rechtbank in dit geval naast de voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid, een geldboete van

€ 1.500,- op.

9
BENADEELDE PARTIJ

[slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 51.571,48. Dit bedrag bestaat uit € 1.071,48 materiële schade en

€ 50.000,- immateriële schade (smartengeld). [slachtoffer] heeft een overzicht gemaakt van de materiële schadeposten en dit overzicht aan zijn vordering gehecht.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vragen over de vordering van de benadeelde partij. Er zijn namelijk aanwijzingen dat de volledige schade inmiddels door de verzekeraar van verdachte is vergoed, maar zeker is dat niet. De officier van justitie zou de benadeelde partij daarover willen bevragen, hetgeen niet mogelijk is nu hij niet op de zitting aanwezig is. Om de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen zijn vordering nader te onderbouwen zou de strafzaak moeten worden aangehouden. Dat levert volgens de officier van justitie echter een onevenredige belasting van het strafproces op. Om die reden verzoekt de officier van justitie om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering. Hij kan zijn vordering dan bij de burgerlijke rechter aanhangig maken.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair aangevoerd dat de verzekeringsmaatschappij van verdachte per e-mail heeft bevestigd dat de totale schadelast van € 52.806,40 aan de benadeelde partij is vergoed. Daarmee stelt hij dat de vordering van de benadeelde partij volledig voldaan en afgewikkeld is. De verdediging verzoekt de rechtbank daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering.

Voor zover de rechtbank van oordeel zou zijn dat de vordering van de benadeelde partij nog niet of niet volledig is voldaan, verzoekt de verdediging de benadeelde partij eveneens niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, omdat de vordering onvoldoende onderbouwd is. Het in dit strafproces alsnog in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om het restant van de vordering te onderbouwen zou een onevenredige belasting van het strafproces opleveren.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennis genomen van de door de verdediging ter zitting overgelegde e-mail van de schadeverzekeraar N.V. Noordhollandsche van 1816, en de begeleidende e-mail van zijn verzekeringstussenpersoon [naam] . Hieruit lijkt te volgen dat de vordering van [slachtoffer] – door middel van de uitkering door de verzekeraar – is voldaan. Omdat [slachtoffer] niet ter zitting aanwezig was en zich ook niet heeft laten vertegenwoordigen, heeft [slachtoffer] niet op dit verweer gereageerd.

Voor zover [slachtoffer] meent dat er na betaling door (de verzekeraar van) verdachte nog een deel van zijn schade resteert, rust op [slachtoffer] de verplichting die vordering te specificeren en met bewijzen te onderbouwen. Het zou een onevenredige belasting van dit strafproces met zich brengen als de behandeling van deze zaak – ten behoeve van die onderbouwing – zou worden aangehouden. Daarom zal de rechtbank [slachtoffer] niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering en bepalen dat hij zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanhangig kan maken.

Proceskosten

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding voor een belangrijk deel wordt afgewezen, moet [slachtoffer] de kosten vergoeden die de verdachte heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat verdachte kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

14a, 14b, 14c, 23, 24c van het Wetboek van Strafrecht en

6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Beslissing

11
BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het primair tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 1.500,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 15 dagen;

- ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 (vier) maanden;

- bepaalt dat deze ontzegging niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Benadeelde partij

verklaart [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt [slachtoffer] in de proceskosten door de verdachte gemaakt tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.C. Piet, voorzitter, mrs. V.A. Groeneveld en mr. J. Wiersma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T. Lap, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 februari 2026.

Mrs. Piet en Wiersma zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

primair hij, op of omstreeks 11 april 2024, te Marknesse, gemeente Noordoostpolder, althans in Nederland,als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), daarmede rijdende over de weg, de N331(Marknesserweg) zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevondendoor zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,- met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid te rijden en/of- niet voortdurend en/of niet voldoende zijn aandacht bij de weg en/of het verkeer te houden en/of- (daarbij) zijn motorrijtuig onvoldoende onder controle te houden, althans niet met de nodige voorzichtigheid te besturen en/of- (vervolgens) in een flauwe bocht naar links te sturen en/of naar links te rijden en/of (daarbij) een doorgetrokken streep te overschrijden en/of- (vervolgens) zich met zijn, verdachtes, motorrijtuig geheel of gedeeltelijk links van die doorgetrokken streep - welke streep op voornoemde weg was aangebracht tussen de rijbanen/weggedeelten, met verkeer in beide richtingen - te bevindenen/of (daarbij) niet aan zijn, verdachtes, verplichting te voldoen om zoveel mogelijk rechts te houden en/of- (vervolgens) - geheel of gedeeltelijk rijdend op die/dat voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijbaan/weggedeelte van voornoemde weg - op/tegen een op die/dat rijbaan/weggedeelte tegemoetkomend/naderend motorrijtuig (te weten eenpersonenauto) te botsen en/of aan te rijden,waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een laceratie van het ooglid, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 11 april 2024, te Marknesse, gemeente Noordoostpolder, althans in Nederland,als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de N331 (Marknesserweg),- met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid heeft gereden en/of- niet voortdurend en/of niet voldoende zijn aandacht bij de weg en/of het verkeer heeft gehouden en/of- (daarbij) zijn motorrijtuig onvoldoende onder controle heeft gehouden, althans niet met de nodige voorzichtigheid heeft bestuurd en/of- (vervolgens) in een flauwe bocht naar links heeft gestuurd en/of naar links is gereden en/of (daarbij) een doorgetrokken streep heeft overschreden en/of- (vervolgens) zich met zijn, verdachtes, motorrijtuig geheel of gedeeltelijk links van die doorgetrokken streep - welke streep op voornoemde weg was aangebracht tussen de rijbanen/weggedeelten, met verkeer in beide richtingen - heeft bevondenen/of (daarbij) niet aan zijn, verdachtes, verplichting te voldoen om zoveel mogelijk rechts te houden en/of- (vervolgens) - geheel of gedeeltelijk rijdend op die/dat voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijbaan/weggedeelte van voornoemde weg - op/tegen een op die/dat rijbaan/weggedeelte tegemoetkomend/naderend motorrijtuig (te weten eenpersonenauto) is gebotst en/of aangereden,door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Voetnoot

Voetnoot 1

Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 10 februari 2025, genummerd L0900-2024112832, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 111. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

Voetnoot 2

Pagina 5

Voetnoot 3

Pagina 19, 20, 32, 36

Voetnoot 4

Pagina 79

Voetnoot 5

Pagina 74

Voetnoot 6

Pagina 108

Voetnoot 7

Arrest Hoge Raad van 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822.