Strafprocesrecht

Bevestiging van het vonnis van de rechtbank met aanvulling van gronden en met uitzondering van de…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 21 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafprocesrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
21 augustus 2026
Datum publicatie
21 augustus 2026
Zaaknummer
21-000579-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:5415
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bevestiging van het vonnis van de rechtbank met aanvulling van gronden en met uitzondering van de strafoplegging. Veroordeling voor gewoontewitwassen. Het hof onderbouwt waarom de gehele ten laste gelegde pleegperiode kan worden bewezenverklaard. Het hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van het voorarrest. Onttrekking aan het verkeer van in beslag genomen drugs. Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vordering tot tenuitvoerlegging.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000579-25

Uitspraakdatum: 21 augustus 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 28 januari 2025 met parketnummer 18-007674-22 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 21-005392-18, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1983 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 7 augustus 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:

  • bewezenverklaring van het aan verdachte primair ten laste gelegde;

  • oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden;

  • toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging;

  • onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggeven, drugs.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. P.P. van Rhijn, hebben aangevoerd.

Het vonnis waarvan beroep

In het vonnis van de rechtbank is bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (kortgezegd) gewoontewitwassen. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden en een taakstraf van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis. Verder heeft de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging toegewezen.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft de verdediging (onder andere) een bewijsverweer gevoerd ten aanzien van de pleegperiode. Het hof vult de bewijsconstructie van de rechtbank op dat punt aan. Ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. Bovendien heeft de rechtbank in het vonnis niet beslist over het beslag. In zoverre vernietigt het hof dan ook het vonnis.

Aanvullende bewijsoverweging

De verdediging heeft naar voren gebracht dat – als het hof tot bewezenverklaring komt – de pleegperiode moet worden beperkt tot de periode van begin 2019 tot en met september 2021. Uit de financiële gegevens van 2016, 2017 en 2018 blijken slechts ‘kale getallen’ en kleinere bedragen die geen aanleiding geven tot verdenking van illegale afkomst, aldus de raadsman.

Het hof overweegt allereerst dat het feit dat in de periode van 2016 tot en met 2018 relatief kleinere bedragen naar voren komen uit het financiële onderzoek niet afdoet aan de onverklaarbaarheid van deze bedragen in het licht van de legale inkomsten van verdachte. Verder stelt het hof vast dat, hoewel het zwaartepunt van het financiële onderzoek inderdaad lijkt te liggen in de periode vanaf 2019, ook in de voorgaande jaren sprake is van grote, onverklaarbare bedragen. Zo blijkt uit het financiële onderzoek dat verdachte in 2016 in totaal € 12.173,- aan contanten heeft gestort. Bovendien moet verdachte in 2018 een groot bedrag geld voorhanden hebben gehad, nu hij zowel op 9 januari als op 7 februari 2019 een contant bedrag van € 10.000,- heeft gestort. Ook ten aanzien van deze bedragen geldt een witwasvermoeden, aangezien zij onverklaarbaar zijn in het licht van de legale inkomsten van verdachte. Verdachte heeft geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven over de herkomst van deze bedragen.

Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat ook in de periode van 2016 tot en met 2018 sprake was van gewoontewitwassen.

Aanvulling bewijsmiddelen

Het hof is van oordeel dat de bewijsmiddelen die door de rechtbank zijn gebruikt als volgt moeten worden aangevuld:

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen financieel onderzoek d.d. 8 november 2022, opgenomen op pagina 376 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NN3R021080 (onderzoek: POCAHONTAS) d.d. 15 november 2022, inhoudend het relaas van [verbalisant] :

4.2

Bron 1: contanten

Uit onderzoek van de bankrekening(en) blijkt:

2016

Geldopname € 2.077

Geldstorting € 12.173

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 januari 2025, inhoudend het relaas van [verbalisant] :

2.1

Banktransacties

Op 9 januari 2019 wordt 10.000 euro vanuit onbekende bron contant gestort op rekening

[rekeningnummer] ten name van verdachte.

Dit zelfde gebeurd op 7 februari 2019. Wederom wordt 10.000 euro vanuit onbekende bron contant gestort op deze rekening.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. Witwassen is een ernstig feit en vormt een bedreiging voor de legale economie. Met zijn handelen heeft verdachte de integriteit van het financiële en economische verkeer aangetast.

Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op de inhoud van het strafblad van verdachte van 3 juli 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Verder heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die op de zitting van het hof naar voren zijn gekomen.

De advocaat-generaal heeft zich bij zijn vordering ten aanzien van de op te leggen straf gebaseerd op de oriëntatiepunten voor straftoemeting voor fraude van het LOVS. Bij een benadelingsbedrag tussen € 125.000,- en € 250.000,- geldt voor de strafoplegging het uitgangspunt van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 tot 12 maanden. Het genoemde oriëntatiepunt ziet op fraude in algemene zin. Daaronder kan ook witwassen worden geschaard als de gedragingen in een frauduleuze context plaatsvinden. Verdachte heeft geen inzicht gegeven in de herkomst van de gelden. Wel is vastgesteld dat verdachte zich in een periode van ruim vijf en een halfjaar schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen van in totaal € 204.844,58. Door het introduceren van illegaal verkregen geld in de reguliere economie wordt bijgedragen aan een hogere criminaliteit, economische schade en verlies van vertrouwen in het systeem. Daarbij past naast het oordeel van het hof enkel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zekere duur, zoals ook vermeld in eerdergenoemd oriëntatiepunt.

Alles afwegende acht het hof het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Wetsartikelen

Dit voorschrift is toegepast zoals zij gold op het moment van het bewezenverklaarde.

Beslag

Onder verdachte is 6,6 gram drugs in beslag genomen en nog niet teruggegeven. Het hof stelt vast dat dit voorwerp van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet en het kan dienen tot het begaan van soortgelijke feiten. Het voorwerp zal daarom worden onttrokken aan het verkeer.

Vordering tot tenuitvoerlegging

In de zaak met parketnummer 21-005392-18 is verdachte op 29 januari 2020 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld. Aan verdachte is toen een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 12 maanden, met een voorwaardelijk deel van 4 maanden, met een proeftijd van 3 jaren. Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke gevangenisstraf. Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde.

Het hof constateert dat de proeftijd van bovenstaande voorwaardelijke straf verstreek op 22 juni 2024. De vordering tot tenuitvoerlegging is door de officier van justitie na ruim 5 maanden, namelijk op 11 december 2024 op de griffie ingediend. Het hof zal daarom het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- 6,6 GR Drugs (omschrijving: G1457914).

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tenuitvoerlegging, met parketnummer 21-005392-18.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door mr. Z.J. Oosting, mr. A.F. van Kooij en mr. F.E.J. Goffin, in aanwezigheid van de griffier mr. G. Krist en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 21 augustus 2026.