Strafrecht overig

Het hof verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vóór 1 januari 2020 ingediende vordering ex…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 januari 2020

Zaakgegevens

Op 22 januari 2020 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
22 januari 2020
Datum publicatie
10 februari 2020
Zaaknummer
001716-19
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2020:1060
E-mail

Samenvatting

Het hof verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vóór 1 januari 2020 ingediende vordering ex artikel 14f (oud) Sr

en verwijst de zaak naar de rechtbank. Bij de inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen

is niet voorzien in overgangsrecht, zodat artikel 6:6:1, eerste lid, Sv onmiddellijke werking heeft.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005735-17

AV-nummer: 001716-19

Uitspraak d.d.: 22 januari 2020

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken op de vordering van de advocaat-generaal ex artikel 14f (oud) van het Wetboek van Strafrecht (thans 6:6:19, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering) tegen:

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres] ,

hierna te noemen veroordeelde.

Procesgang

De advocaat-generaal vordert wijziging van de bijzondere voorwaarden die zijn opgelegd bij het onherroepelijk geworden arrest van het hof van 4 juli 2018 en verlenging van de in dat arrest bepaalde proeftijd.

De vordering is aan de orde gesteld op de openbare terechtzitting van 22 januari 2020, waarbij zijn gehoord de advocaat-generaal en de veroordeelde, bijgestaan door

mr. I.M. Weijers, advocaat te Emmen.

Beoordeling

Met de op 1 januari 2020 (Stb. 2019, 507) in werking getreden Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Stb. 2017, 82) is artikel 14f (oud) van het Wetboek van Strafrecht komen te vervallen. Daarvoor in de plaats is getreden artikel 6:6:19 (nieuw) van het Wetboek van Strafvordering. Bij gebreke van overgangsrecht moet de vordering worden aangemerkt als vordering als bedoeld in het eerste lid van dit artikel.

Artikel 6:6:1, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat indien een rechter overeenkomstig de bepalingen van dit boek een beslissing kan nemen inzake de

tenuitvoerlegging, – tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald – tot het nemen van deze beslissing bevoegd is het gerecht dat in eerste aanleg kennis heeft genomen van het strafbare

feit waarvoor de sanctie is opgelegd waarop de beslissing ziet. Tenzij anders is bepaald kan de rechter deze beslissing ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie, dan wel op verzoek van de veroordeelde nemen.

Bij de inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen is niet voorzien in overgangsrecht, zodat artikel 6:6:1, eerste lid, onmiddellijke werking heeft. Dit brengt mee dat het hof niet bevoegd is om kennis te nemen van de vordering. De omstandigheid dat de vordering vóór 1 januari 2020 is ingediend doet hieraan niet af. Overeenkomstig artikel 6:6:1, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering zal het hof de zaak verwijzen naar de rechtbank Noord-Nederland.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vordering en verwijst de zaak naar de rechtbank Noord-Nederland.

Aldus gewezen door

mr. E. de Witt, voorzitter,

mr. J.J. Beswerda en mr. W.M. van Schuijlenburg, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. G.H. Smeitink, griffier,

en op 22 januari 2020 ter openbare zitting uitgesproken.