Strafrecht overig
Bebording aanwezig? Trajectcontrole. Als betwist wordt dat (deugdelijke) bebording aanwezig was, moet uit…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 6 januari 2020
ECLI:NL:GHARL:2020:57 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 6 januari 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2020-57
Zaakgegevens
Op 6 januari 2020 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 6 januari 2020
- Datum publicatie
- 6 januari 2020
- Zaaknummer
- Wahv 200.200.335/01
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2020:57
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bebording aanwezig? Trajectcontrole. Als betwist wordt dat (deugdelijke) bebording aanwezig was, moet uit stukken blijken dat ten tijde van de constatering wél deugdelijke bebording aanwezig was. Die stukken ontbreken, zodat niet kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
|
Zaaknummer |
: Wahv 200.200.335/01 |
|
CJIB-nummer |
: 192464785 |
|
Uitspraak d.d. |
: 6 januari 2020 |
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 22 september 2016, betreffende
[betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),
gevestigd te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] .
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 248,-.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter het beroep tegen de inleidende beschikking ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Anders dan de kantonrechter heeft overwogen, bevatte het administratief beroepschrift namelijk wél een beroepsgrond, aldus de gemachtigde.
2. Het verweer treft doel. In het administratief beroepschrift d.d. 7 oktober 2015 is betwist dat de gedraging is verricht. Dat is een beroepsgrond (vgl. het arrest van het hof van 22 december 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2016:10365). De kantonrechter heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Gelet hierop zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen.
3. De overige bezwaren van de gemachtigde richten zich tegen de inleidende beschikking, waarbij aan de betrokkene, als kentekenhouder, een sanctie is opgelegd van € 113,- voor: “overschrijding maximumsnelheid op autosnelwegen met 15 km/u (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 21 september 2015 om 20:25 uur op de A2 rechts (Vinkeveen voor afrit, trajectcontrole) in Vinkeveen met het voertuig met het kenteken [0-YYY-00] . Het beroep tegen deze beschikking is door de officier van justitie ongegrond verklaard.
4. De gemachtigde betwist dat te hard is gereden. Hij betoogt dat de gedraging op basis van de stukken ook niet kan worden vastgesteld. De bebording zou bovendien niet deugdelijk zijn geweest op dit traject. Schouwrapporten waaruit kan blijken dat borden met een verlaagde maximumsnelheid wel aanwezig zouden zijn geweest, ontbreken.
5. Het is vaste rechtspraak van het hof dat een betwisting van de aanwezigheid van (deugdelijke) bebording bij snelheidsovertredingen die middels trajectcontrole op geautomatiseerde wijze worden vastgesteld, slechts kan worden weerlegd aan de hand van stukken – bijvoorbeeld schouwrapporten – die aannemelijk maken dat ten tijde van de constatering wél deugdelijke bebording aanwezig was (vgl. het arrest van het hof van 16 juni 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl, vindplaats ECLI:NL:GHARL:2016:4973).
6. Het hof stelt vast dat de advocaat-generaal bij brief van 29 mei 2017 in de gelegenheid is gesteld om verweer te voeren. De advocaat-generaal heeft daarvan afgezien. Voormeld arrest was op dat moment reeds gewezen, zodat het daarin verwoorde oordeel van het hof bij de advocaat-generaal bekend mocht worden verondersteld. Desondanks is het dossier door het openbaar ministerie niet aangevuld met - voor de vaststelling van de gedraging noodzakelijke - informatie over de aanwezigheid van deugdelijke bebording. Bij deze stand van zaken ziet het hof geen aanleiding de advocaat-generaal alsnog in de gelegenheid te stellen deze informatie over te leggen.
7. Het verweer slaagt. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. De kantonrechter heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ten onrechte ongegrond verklaard. Gelet op de hierna te melden beslissing van het hof, is bespreking van de overige verweren van de gemachtigde overbodig.
8. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het beroepschrift bij de officier van justitie, bij de kantonrechter en in hoger beroep dienen in totaal 3 procespunten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 525,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 787,50.
Beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 787,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.